Jan Tinbergen, econoom en wereldverbeteraar

Jan Tinbergen in 1966 © Joost Evers / Anefo (cc0)

In 1969 kreeg Jan Tinbergen (1903-1994) de eerste Nobelprijs voor de economie. Zo’n eerste Nobelprijs is uiteraard een bijzondere omdat de winnaar concurrentie heeft van alle andere economen. Het laat zien dat Tinbergen een van de grootste economen uit te twintigste eeuw is. Ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de prijs heeft de Erasmus Universiteit in 2019 een Tinbergenjaar in het leven geroepen met veel activiteiten. Een daarvan was het schrijven van een biografie waarvoor de historicus Edwin Dekker na een open sollicitatieprocedure in 2016 de opdracht kreeg. Dat heeft vijf jaar later geleid tot een fraai uitgegeven boek met een omvangrijk fotokatern in het midden.

Dekker noemt zijn biografie een intellectuele biografie. De nadruk ligt op Tinbergens bijdrage aan de econometrie, een tak van wetenschap die hij voor een groot deel in de steigers heeft gezet. De econometrie bouwt met behulp van wiskunde en statistiek modellen waarmee meer rationele economische besluiten kunnen worden genomen. Met die modellen wordt het mogelijk de economische ontwikkelingen niet alleen te voorspellen maar ook te plannen en te sturen. Dekker probeert Tinbergens bijdrage aan de ontwikkeling van de econometrie in te kaderen in de beschrijving van diens leven en loopbaan. Hij is er zeker in geslaagd om de kern van het denken van Tinbergen voor een breed publiek toegankelijk te maken, zonder hiervoor modellen of formules nodig te hebben. Als biografie vertoont het boek echter een aantal tekortkomingen, waarover later meer

Natuurkunde en economie

Jan Tinbergen werd in 1903 geboren in een Haags remonstrants lerarengezin. Hij was de oudste van vijf kinderen. Zijn broer Niko (1907-1988) won in 1974 de Nobelprijs voor Fysiologie en Geneeskunde voor zijn onderzoek naar het gedrag van dieren. Er zijn echtparen die een Nobelprijs hebben gewonnen en er zijn Nobelprijswinnaars waarvan een van de ouders, overigens altijd de vader, een Nobelprijs heeft gewonnen, maar twee kinderen uit één gezin met een Nobelprijs maken de Tinbergens uniek.

Jan Tinbergen studeerde natuurkunde in Leiden bij Paul Ehrenfest, wiens assistent hij werd. Leiden was met Lorentz en Ehrenfest zeer vooraanstaand in de natuurkunde. Zij haalden vele groten uit dat vak, waaronder Albert Einstein en Niels Bohr, voor korte of langere tijd naar de Leidse universiteit. De grote maatschappelijke en economische problemen na de Eerste Wereldoorlog brachten Tinbergen ertoe van de natuurkunde over te stappen naar de economie. Hij werd actief in de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC) en in de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP). Het klassieke marxisme met zijn klassenstrijd en zijn theorie over de onvermijdelijke ondergang van het kapitalisme was aan hem niet besteed. Hij stond voor het plansocialisme. Tinbergen wilde problemen als armoede, werkloosheid en sociale ongelijkheid oplossen door een planmatige aansturing van de economie. In de jaren dertig werkte hij mee aan het Plan van de Arbeid van de SDAP en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). Hij vond dat een planbureau sturing moest geven aan de economie, meer zeggenschap voor experts, minder voor politici. Vóór de Tweede Wereldoorlog, toen hij bij het Centraal Bureau voor de Statistiek en een paar jaar bij de Volkenbond in Genève werkte, kreeg Tinbergen daarvoor weinig handen op elkaar, maar in de wederopbouwperiode kreeg deze benadering in Nederland de wind in de zeilen. In 1946 werd het Centraal Planbureau opgericht met Tinbergen als eerste directeur. Het CPB kreeg onder minister-president Drees echter geen planfunctie maar een adviesfunctie. Dat neemt niet weg dat de invloed van het CPB en daarmee van Tinbergen op de nationale politiek tot op de dag van heden groot is. Politieke partijen kunnen het zich niet veroorloven om hun programma’s niet door het CPB te laten doorrekenen en het kabinet doet hetzelfde met de jaarlijkse begrotingen.

Economie voor vrede en ontwikkeling

Econometrie moet volgens Tinbergen bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke problemen, nationaal en internationaal. In 1954 vertrok Tinbergen bij het CPB. Na een bezoek aan India besloot hij zijn expertise in te zetten voor het ontwikkelingsvraagstuk. Hij werd hoogleraar ontwikkelingseconomie aan de Nederlandse Economische Hogeschool, nu de Erasmus Universiteit, en een veelgevraagd adviseur van de Verenigde Naties en internationale organisaties als het IMF, de Wereldbank en de OESO. Hij werd een inspirator voor maatschappelijk geëngageerde economen, maar met zijn ideeën en oplossingen liep hij ook vaak tegen muren op. In de biografie wordt uitgebreid ingegaan op zijn werk in Turkije, een land waarbij hij in de jaren zestig in opdracht van het IMF gedurende lange tijd betrokken was. Het westen was er alles aan gelegen om Turkije in het westerse kamp te houden door het land te ondersteunen bij het moderniseren van de economie. Tinbergen werd door een deel van de politieke partijen gewantrouwd als een zetbaas van het westen en kon door de verdeeldheid weinig uitrichten.

In Nederland was Tinbergen betrokken bij de oprichting van de NOVIB. Hij berekende dat het voor het verminderen van de kloof tussen rijke landen en ontwikkelingslanden nodig was dat de rijke landen jaarlijks 1% van hun BNP aan de ontwikkelingslanden overdroegen. Hieraan lag een rationele econometrische berekening ten grondslag maar die onderbouwing verdween geleidelijk uit het zicht. 1% van het BNP voor ontwikkelingshulp werd in Nederland gezien als de lakmoesproef voor fatsoen en progressiviteit in de politiek en raakte volkomen losgezongen van de onderliggende modellen en berekeningen van Tinbergen. Na zijn emeritaat bleef Tinbergen actief. Zijn hele leven bleef hij van mening dat economisch beleid moest worden ingezet om sociale doelen te realiseren. Hij probeerde steeds de meest actuele economische en maatschappelijke vraagstukken te agenderen en rationele methoden te ontwikkelen om deze aan te pakken. Hij hield zich bezig met de bijdrage van stabiele economische verhoudingen aan de wereldvrede en vanaf de jaren zeventig met het milieu en duurzaamheid.

Het boek begint moeizaam, met een uitgebreide beschrijving van de bouw van het Vredespaleis in de buurt van Tinbergens geboortehuis. Dekker gebruikt het Vredespaleis als een metafoor voor het leven en werk van Tinbergen vanwege de spanning tussen lofwaardige idealen en de weerbarstige realiteit. De metafoor komt gezocht over en wordt weinig overtuigend uitgewerkt. Daarna herpakt Dekker zich. Hij weet de betekenis van Tinbergen als geëngageerde econoom helder te schetsen maar als biografie vertoont zijn boek tekortkomingen. De balans tussen de beschrijving van het werk en het persoonlijk leven van Tinbergen is niet in evenwicht.

Toenmalig premier Ruud Lubbers en Jan Tinbergen tijdens de NOVIB-conferentie Wapens en Welzijn in 1987 © Rob C. Croes / Anefo 

Depressieve perioden?

Aan de afkomst en de jeugd van Tinbergen wordt veel aandacht besteed maar daarna verdwijnt zijn persoonlijke leven uit beeld, om pas in de laatste twee hoofdstukken weer op te duiken op een manier die vragen oproept en verwarring zaait. Zo stelt de schrijver dat Tinbergen bij het schrijven van een stuk over de milieuproblematiek gebruik maakte van het werk van zijn broer Niko ‘met wie hij in deze periode weer wat meer contact had.’ Zo’n plompverloren opmerking roept vragen op over de verhouding tussen de twee Nobelprijs-winnende broers. Was Tinbergen zijn broer Niko, die in 1949 in Oxford was gaan werken en Brits staatsburger was geworden, uit het oog verloren of was er meer aan de hand? Die vraag dringt zich op omdat Niko na het beschrijven van de gezamenlijke jeugdjaren niet meer voorkomt in het boek. In het laatste hoofdstuk staat even plompverloren en zonder bronvermelding dat Tinbergen depressieve perioden had. Daar is in de voorafgaande hoofdstukken niets over gemeld en niets van gebleken, afgezien van een kort advies van Ehrenfest tijdens zijn studietijd om zich niet te overwerken. Wat was de aard van die depressieve perioden? Waren ze ernstig? Ging het om somberheid, neerslachtigheid, teleurstelling, overwerktheid of psychische problemen? Maakten ze hem het werken tijdelijk onmogelijk? Was er een verband met de hoge eisen die Tinbergen aan zichzelf stelde? Kwam het omdat hij zich op het wereldtoneel vaak een roepende in de woestijn voelde? Of hadden ze misschien te maken met tegenslagen in zijn persoonlijke leven zoals de zelfmoord van zijn broer Luuk, hoogleraar dierkunde in Groningen, op negenendertigjarige leeftijd of de dood op jonge leeftijd aan kanker van zijn oudste dochter? Die twee gebeurtenissen vonden plaats in 1955 en 1963, maar in het boek wordt er geen woord aan gewijd totdat ze in dat laatste hoofdstuk ineens uit de lucht komen vallen. Dekker had naar mijn mening die depressieve perioden niet mogen noemen zonder toelichting en bronvermelding.
Dekker stelde zich ten doel om een intellectuele biografie te schrijven. Ik vraag me af of het boek voor economen veel nieuws bevat over Tinbergens economische denkbeelden, maar mogelijk wel over de maatschappelijke context waarin ze tot stand zijn gekomen. De verdienste van het boek is dat het voor niet-economen een toegankelijke beschrijving bevat van Tinbergens loopbaan en zijn onvermoeibare streven om de economische wetenschap in dienst te stellen van het oplossen van de grote wereldproblemen.

Jan Tinbergen. Een econoom op zoek naar vrede
Edwin Dekker
Boom
ISBN 9789024433179
Verschenen in mei 2021

Bestelinformatie

Bestel als hardcover bij bol.com (€ 39,90)

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 39,90)
Sjak Rutten is onderwijskundige en historicus. Hij promoveerde in 2019 op een biografie van de meest succesvolle ontwikkelaar van leesmethoden uit de Nederlandse onderwijsgeschiedenis: frater Caesarius Mommers (1925-2007), De leesvader van Nederland.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here