Jean Leering (1934-2005): een bevlogen intellectueel

Een interview met zijn biograaf Paul Kempers

Jean Leering (1934-2005) het gaat om heel eenvoudige dingen
Jean Leering (1934-2005)

Vier jaar lang heeft auteur Paul Kempers full-time gewerkt aan de biografie van de gedreven idealist, museumdirecteur en gentleman-activist Jean Leering. Wie was deze beeldbepalende figuur in de Nederlandse kunstwereld in de jaren 60 en 70? Heeft de auteur de ware aard van Leering leren kennen? ,,Niemand is helemaal kenbaar’’, zegt Kempers: ,,Je zou hem kunnen typeren als de grote duider. Zijn hele leven lang is hij bezig geweest, de betekenis van het werk van kunstenaars te ontrafelen, zijn ideeën vorm te geven en in die idealen heeft hij tot het laatst toe geloofd. Dat zou je misschien naïef kunnen noemen. Toch heb ik bewondering voor zijn enorme gedrevenheid en vasthoudendheid.’’

Zelf had Kempers ingeschat dat hij het boek ‘Het gaat om heel eenvoudige dingen.’ Jean Leering en de kunst in ongeveer twee en een half jaar zou kunnen afronden. De realiteit was weerbarstiger. Om zich de belevingswereld van zijn hoofdpersoon eigen te kunnen maken, worstelde hij zich ondermeer door dikke nota’s, geschreven in een nogal afstandelijk ambtenarenjargon. En dan volgde nog de vertaalslag. ,,Zijn theorieën moest ik voor een algemeen publiek inzichtelijk maken. Dat heeft heel veel tijd en zweetdruppels gekost. Soms heb ik gebruik gemaakt van inzetten om het verhaal niet te veel op te houden.’’

Paul Kempers biograaf Jean Leering
Paul Kempers © Eric Palmen (CC BY-SA 3.0 NL)

Leering leefde voor de kunst. Hij was er dag en nacht mee bezig. Kempers hoorde voor het eerst van hem, toen hij in de jaren tachtig kunstgeschiedenis ging studeren. ,,Zijn naam zong rond onder de docenten. In het museumdebat, dat met name in de roerige jaren zeventig volop werd gevoerd, had hij een vooraanstaande rol gespeeld. Leering was echter uit beeld verdwenen toen hij in 1973 het Van Abbemuseum, waar hij tien jaar directeur was geweest, inruilde voor het Tropenmuseum. Die overstap sloeg in als een bom. In de culturele wereld vond men het ongehoord en niet te begrijpen. Ik moet zeggen dat ik het, met de kennis van nu, een avontuurlijke en gedurfde stap vind. Hij schroomde niet een andere weg in te slaan en had dat directeurschap van het Van Abbe helemaal niet nodig voor zijn eigenwaarde. Het betekende wel dat hij min of meer geëxcommuniceerd werd door de officiële kunstwereld.’’

Tien vette jaren

De ‘tien vette jaren’ in het Van Abbemuseum maakten Leering tot een bekende persoon in de culturele wereld. Het museum groeide in die periode uit tot één van de meest toonaangevende Europese musea voor moderne en hedendaagse kunst. Zijn tentoonstellingen waren spraakmakend en vernieuwend. ,,Hij maakte 120 exposities in het Van Abbe, waarvan ik er zestig op archief heb bekeken, waaronder de meest bekende: Kunst Licht Kunst (1966), Kompas 3: Schilderkunst na 1945 uit New York (1967), De Straat. Vorm van samenleven (1972) en solo’s rond het werk van Robert Morrris (1968) en Joseph Beuys, allebei uit 1968. Leering zag het museum als een plek waar bezoekers moesten worden uitgedaagd en aan het debat konden deelnemen. Hij heeft kunst altijd gezien als middel om mensen in beweging te krijgen. Dat deed zijn grote voorbeeld Sandberg ook al liet die zich er veel minder nadrukkelijk over uit. Beide waren van mening dat het beeld, het kunstwerk leidend was. Uit de ontmoeting van museumbezoeker en kunstwerk zou de ‘vonk’ van de mentale activering ontspringen.’’’

Leering was een theoreticus en een ideeënman. Al op zijn 21e, toen hij nog studeerde aan de Technische Hogeschool in Delft, debatteerde hij nachtenlang met zijn medestudenten over hoe het allemaal anders moest. Zijn theorieën bouwden voort op die van Sandberg, waarvan de roots lagen in de Weimar Republiek, de periode 1918-1933, een hoogtepunt in de Duitse kunst en cultuur. Kempers: ,,De plek van de kunst in de wereld was voor hem een terugkerend thema. Verder bleef hij de spokesman voor de constructivisten en De Stijl. Dat was zijn wereld.’’ Hij was zijn leven lang actief pleitbezorger van ondermeer Theo van Doesburg, László Moholy-Nagy en de Russische schilder El Lissitzky, die lang in de schaduw van Malevich opereerde maar volgens Leering vele malen interessanter was, vanwege zijn veelzijdigheid. Hij was bouwkundig ingenieur, typograaf, decorontwerper, architect, graficus, allround designer en activist. Datzelfde gold voor Theo van Doesburg die altijd ‘concurrentie’ heeft gehad van de vele malen beroemdere Mondriaan.

El Lissitzky - Wendingen (1921)
El Lissitzky – Wendingen (1921)

Missie

Kempers: ,,Leering zag het als zijn missie, het gedachtengoed van de door de idealen van de Russische Revolutie aangeraakte kunstenaars te injecteren in de Nederlandse wereld. Een nieuwe samenleving creëren, gebaseerd op socialistische ideeën. Architecten namen in die visie een belangrijke plaats in. De stad, de bouw van steden daar maakte Leering zich sterk voor. Zij waren het die, in samenwerking met planologen, kunstenaars en stadsbewoners, de vormenwereld zouden kunnen veranderen, de kwaliteit van de openbare leefruimte zouden kunnen verbeteren. ,,Dit was een reactie op de eentonige wederopbouw nieuwbouwwijken van na de oorlog. Hij had hoge verwachtingen van die samenwerking. Zijn enigszins dwingende en paternalistische opstelling zorgde ook voor controverses maar hij bleef zijn idealen trouw.’’

Dat gebeurde ook in het Van Abbemuseum. Hij schroomde niet het debat in het museum te brengen. Aan de exposities koppelde hij soms discussieavonden, zoals over Mao’s Culturele Revolutie, het verzamelbeleid van het museum of de herinrichting van de Eindhovense binnenstad, wat hem door de Eindhovense gemeenteraad niet altijd in dank werd afgenomen. Die vonden de soms politiek getinte, maatschappelijke discussies niet passen in een museum. Het leidde er uiteindelijk toe dat Leering zich in 1973 terugtrok. Hij nam ontslag en stapte over naar het Tropenmuseum omdat hij daar door kon gaan met het verwezenlijken van zijn idealen.

,,In die jaren was men ook al bezig met de post-koloniale erfenis. CHU minister Berend Udink wilde van het Koloniale Instituut van de Tropen een denkcentrum maken over de Derde Wereld. Daarvoor stelde hij een commissie in, waarin onder andere ook Sandberg zitting nam. Die vond dat niet meer kon worden volstaan met het tonen van uitgelichte objecten uit verre landen maar dat er ook aandacht moest zijn voor het verhaal er achter.’’

Leering ging voortvarend te werk. Hij wilde in hoog tempo veranderingen in gang zetten, legde zijn visie vast in vuistdikke nota’s, zocht niet alleen de samenwerking met curatoren maar ook met economen, journalisten, activisten, hoogleraren en kunstenaars. ,,Een van zijn stokpaardjes, met een antropologische blik naar kunst kijken, kon hij ook daar in praktijk brengen.’’

Naïef

Opnieuw ontstonden er conflicten en liep Leering vast op de taaie ambtelijke structuur. Hij heeft er maar enkele exposities kunnen realiseren. In 1974 Meer minder mensen? met als onderwerp de overbevolking en een jaar later Vrouw ben je over vrouwendiscriminatie, waarvoor hij feministes het museum binnenhaalde. Pauline Kruseman, die tot 1990 zakelijk leider was, vertelde dat Leering de hervorming van het Tropenmuseum in een ongelooflijk tempo in gang wilde zetten. Uiteindelijk bleek dat de toenmalige directeur van het Koninklijk Instituut voor de Tropen niet met zijn ideeën kon leven. Kempers: ,,Leering liep als bevlogen intellectueel te ver voor de troepen uit. Hij heeft later in interviews weleens gezegd dat hij toen naïef is geweest.’’

In januari 1975 viel het doek. Dat jaar bestond Amsterdam 700 jaar en dat zou groots worden gevierd. Ook het Tropenmuseum was gevraagd een bijdrage te leveren. Leering wilde ingaan op het VOC-verleden van de stad en de rijkdom die deels rustte op een ‘koloniaal fundament’. ,,Dat was in die tijd onbespreekbaar. Dat onderschreef ook Pauline Kruseman. Zelfs toen zij in 1991 afscheid nam was dat nog steeds een heikel onderwerp.’’

Leering hield wederom de eer aan zichzelf. ,,Het was voor hem een grote teleurstelling en het duurde enkele jaren voordat hij zijn draai weer vond.’’ Een zware hartaanval in 1980, hij was nog naar 46 jaar, zorgt volgens Kempers voor een cesuur in zijn leven. ,,Hij had dag en nacht gewerkt en dat had zijn tol geëist. Door zijn slechte gezondheid, hij belandde uiteindelijk in een rolstoel, werd zijn actieradius kleiner. Toch bleef hij tot het allerlaatst actief, als docent, publicist en spreker.’’

Inspiratiebron

Leering was volgens Kempers een man wiens leven en werk een onlosmakelijke eenheid vormen, een man met een enorme zendingsdrang maar ook iemand die zich kwetsbaar durfde op te stellen. Hij was befaamd om zijn lange monologen, maar had tevens het vermogen te luisteren. Daarnaast kon hij behoorlijk drammerig zijn. Toch was hij ook een aimabele man, die in het Van Abbemuseum een heel open sfeer wist te creëren. Tot het laatst toe bleef hij optimistisch in zijn streven naar de vermaatschappelijking van het museum. Oud-directeur van het Rijksmuseum Henk van Os omschreef hem als ‘een interessante denker en een terecht bewonderde tentoonstellingsmaker.’

Tijdens zijn leven was Leering omstreden, werd hij bij tijd en wijle verketterd maar met de blik van nu, doemt een genuanceerder beeld op. Kempers: ,,Hij is opnieuw een inspiratiebron voor jongere generaties. Daarom is dit een heel interessant boek. Het laat zien hoe er toen tegen de kunst en de samenleving werd aangekeken. Leerings ideeën maar ook zijn vasthoudendheid en onvermoeibare inzet om de idealen die hij belangrijk vond te realiseren worden nog steeds bewonderd. Ook nu is de discussie waaraan hij destijds een belangrijke bijdrage leverde weer actueel: de rol van het museum en de betekenis van hedendaagse kunst voor de samenleving.’’

Dat hij van snelle auto’s hield, verraste Kempers. ,,Leering reed in een Alfa Romeo. Bij zijn afscheid als hoogleraar kunstgeschiedenis aan de TU Eindhoven, kenschetste een collega Leerings levensstijl als workaholic en Alfa Romeo-bezitter als een vorm van ‘rijden om niet overreden te worden’. Eigenlijk past het ook wel bij hem. Hij was bezeten van moderniteit.’’ Humor had hij ook. Dat blijkt volgens Kempers uit zijn waardering voor dadaman Kurt Schwitters. ,,Dat werk sprak hem aan. Vooral de elementen uit de werkelijkheid die terug waren te vinden in Schwitterskunst, zoals een tramkaartje in een collage. Leering heeft altijd het idee gehad dat zo’n simpel gebruiksvoorwerp de mensen, op een onnadrukkelijke manier de werkelijkheid binnentrok en ervoor zorgde dat ze een ruimere blik kregen op diezelfde werkelijkheid.’’

‘Het gaat om heel eenvoudige dingen.’ Jean Leering en de kunst
Paul Kempers
Uitgeverij Valiz
ISBN 978 94 92095 07 7

‘Het gaat om heel eenvoudige dingen.’ Jean Leering en de kunst ligt vanaf deze week in de boekhandel.

Marita de Jong
Marita de Jong is journaliste. Ze werkte jarenlang voor NDC Mediagroep en was als redacteur verbonden aan het cultureel opinieblad De Moanne. Tegenwoordig schrijft ze voor De Moanne, de website Fryslân1 en doet ze ondermeer pr werkzaamheden voor Museum Belvédère en Collegium Vocale Fryslân. In 2008 verscheen bij de Afûk haar boek: 14 schilders uit de Belvédère.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here