‘Ik heb geleefd voor mijn gedichten’. In de man zit nog een jongen – Willem Wilmink – de biografie

© Rob Croes / Anefo(CC BY-SA 3.0 NL) (atr. 22) )

Begin jaren tachtig stelde ik in mijn jeugdige naïviteit een dertigtal Nederlandse schrijvers en dichters de vraag welke tien boeken zij mee zouden nemen als ze zouden moeten afreizen naar een ‘onbewoond eiland’. Hun adressen stonden in die jaren in Aarts’ Letterkundige Almanak en riepen soms enige verbazing op. Woonde de pure Twent Willem Wilmink (1936-2003) echt in Zeist – en aan het adres te zien ook nog in een nieuwbouwwijk – terwijl zijn kompaan Hans Dorrestijn boven een winkelcentrum in het provinciale Ede verbleef? Waar ik de helden van Het Schrijverskollectief ook had gezocht, niet daar. Van vrijwel iedereen ontving ik zo’n lijstje, getypt of in handschrift. Ook van Wilmink. Ik was het natuurlijk helemaal vergeten, maar na lezing van Elsbeth Etty’s biografie In de man zit nog een jongen haalde ik het lijstje weer tevoorschijn. Bovenaan prijkte De Bijbel, gevolgd door De reis van Sint Brandaan, The Complete Works of William Shakespeare en de poëzie van Emily Dickinson en Hendrik de Vries. Ook uit de vermelding van The Penguin Book of French Verse (Volume I: To the 15th Century) viel op te maken dat Wilmink een liefhebber van middeleeuwse teksten was. Kortom: bij nader inzien blijkt het hele Wilmink-universum erin verenigd. Het was duidelijk dat de dichter – anders dan Lévi Weemoedt, van wie ik ook een reactie had ontvangen en die meende ‘geen enkel boek’ mee te zullen nemen (‘Het leven moet geleefd en kan niet gelezen’) – zich in de verlatenheid van het onbekende geen moment zou vervelen. Waar zijn boeken waren, leek hij thuis te zijn.

Veilige haven

De werkelijkheid gaf in het leven van Wilmink echter aan dat niets minder waar was. De snel veranderende wereld waarin de jonge, gevoelige Wim opgroeide deed hem al heel vroeg terugverlangen naar zijn jongste jaren in Enschede, waar hij zich verzekerd wist van aandacht, liefde en de ongerustheid van zijn ouders die hoge verwachtingen van hem hadden. Het was een bombardement dat tijdens de Tweede Wereldoorlog nabij de Hoogelandbuurt, waar het gezin Wilmink woonde, de bodem wegsloeg onder die zekerheid. In het nabijgelegen Ootmarsum, waar de Wilminks kort daarna onderdak werd geboden in het buitenhuis van een textielfabrieksdirecteur, vond hij gedurende enige jaren een veilige haven. Hij voelde er zich zo op zijn gemak dat zijn herinneringen al heel snel wegliepen van de dagelijkse werkelijkheid. Het vermogen en de drang tot fabuleren zou hij zijn leven lang niet meer kwijtraken, evenmin als het verlangen naar geruststelling. Zoals hij later schreef in Verzamelde verhalen: ‘Ik voelde heimwee naar de schuilkelder waar ik altijd zong: “Een veldmuis in ’t beukenbos / een lege notendop”.’

Schrijvend over de spanning van die jaren, zou hij later de oorlog kleiner en gemoedelijker maken. Zelf werd hij naar eigen zeggen nooit ouder dan elf jaar, de leeftijd van Theo Thijssens romanheld Kees de jongen. Diens fantasie sterkte ook de jonge Twent in het idee ‘dat je in gedachten alles kunt zijn en worden wat je wil’. Dat tegelijk zijn angsten hem al heel vroeg in zijn leven hadden getraumatiseerd, bleek wel toen hij op veel latere leeftijd met de kunstenaar en vriend Ton Schulten de Kuiperberg in Ootmarsum bezocht, waar hij begon te huilen als een kind. Alleen door over deze angstige periode prachtige gedichten te schrijven kon de werkelijkheid worden gehanteerd. Desondanks viel er voor de jonge Wilmink daarbuiten ook veel te lachen.

De weg der tederheden

In het biografische televisieportret dat Rense Royaards later over hem zou maken, wordt na beelden van Enschedese straten, fabrieken en arbeiderswoningen, de sprong gemaakt naar het Amsterdam van de jaren vijftig waarin Wilmink na het gymnasium als schuchter student Nederlands belandde. Gekweld door heimwee beleefde hij er zijn eerste liefdes, vaak voorafgegaan door een trap in de knieholte om zodoende een meisje in bed te krijgen. ‘De weg tot tederheden’ bleef op die manier, naar zijn eigen zeggen, lang versperd. Etty tekent Wilminks jonge liefdesleven als moeizaam, wat mede het gevolg was van het feit dat de mooie en slimme meisjes van de studentenvereniging hem niet zagen zitten. Daartoe hoorde ook Hedy d’Ancona, die hij leerde kennen in het studentencabaret waarvoor hij al snel teksten schreef. Na de nodige teleurstellende ervaringen werd ook het latere huwelijksleven met zijn eerste vrouw Noor gekenmerkt door talloze ruzies, onredelijkheid en driftbuien, waarbij het toch zijn echtgenote was die het gezinsleven met twee kinderen in het gareel hield. Ondertussen was Wilmink in de jaren zestig als taalwetenschapper gaan werken op het Instituut voor Neerlandistiek, waar hij zich in werkgroepen close reading stortte. Daarnaast probeerde hij tekstmateriaal te slijten aan onder anderen Wim Kan en Herman van Veen. Dat zijn gedichten evenals zijn wetenschappelijke werk aanvankelijk niet erg serieus werd genomen, griefde hem zeer. Hij werd door de kritiek beschouwd als een light verse-dichter, een genre dat pas in de jaren tachtig literaire erkenning kreeg. Het gevoel miskend te worden zou hem, ondanks alle latere successen, zijn leven lang blijven achtervolgen. Desondanks deed Wilmink er alles aan om geprezen te worden, met name in kringen die hem kritisch bejegenden.

Willem Wilmink met het cabaretgezelschap Don Quichocking bij de uitreiking van de Louis Davids Prijs in het Carltonhotel in Amsterdam.
Willem Wilmink en Don Quichocking bij de uitreiking van de Louis Davids Prijs in 1974 © Rob Mierement / Anefo Bron: Nationaal Archief (cc0)

Ruimdenkende jaren

Ondanks dat er halverwege de jaren zestig veel aanstormend talent in en om het Amsterdamse Instituut rondliep, werd Wilminks cabaretwerk enthousiast onthaald. Naast Herman van Veen, cabaretgroep Don Quishocking en de VARA, wist ook uitgever Kees Aarts de toegankelijk poëzie van Wilmink op waarde te schatten. In de jaren zeventig groeide hij uit tot de ster van het Schrijverskollektief, waar ook Hans Dorrestijn en Karel Eykman deel van uitmaakten. Zijn grote bekendheid kreeg hij in die jaren met teksten en liedjes voor legendarische en spraakmakende kindertv-programma’s als De Stratemakeropzeeshow en De film van Ome Willem. Alleen al uit Hilversum kwamen opdrachten genoeg. Later volgden ook Sesamstraat, J.J. de Bom en Kinderen voor kinderen. ‘En zo klom Willem Wilmink “naar boven”.’ Desondanks kan hij volgens Etty niet beschouwd worden als een typische adept van de ruimdenkende jaren zestig. Integendeel, zijn romantische opvattingen stonden daar eerder haaks op. Evenmin voelde hij zich thuis bij het rumoerige studentenprotest en het feminisme.

Broodschrijver

Na eind jaren zeventig afscheid te hebben genomen van zowel de universiteit als Amsterdam, probeerde hij als zelfgenoemd ‘broodschrijver’ het hoofd boven water te houden. Ondertussen had hij zijn tweede vrouw, Wobke Klein, gevonden bij wie hij zich veilig voelde en die hem tegen de boze buitenwereld beschermde. Samen met haar en haar twee dochters betrok hij een eengezinswoning in Capelle aan den IJssel. Toen hij na dertig jaar zijn oud-leraar Nederlands Willem Diemer ontmoette, die hem in aanraking had gebracht met het werk van de ‘verwante ziel’ Hendrik de Vries, vergeleek die hun beider leven met een citaat van Nietzsche: ‘In jedem Mann is ein Kind versteckt das will spielen.’

Geleidelijk kreeg ook Wilminks poëzie meer erkenning. Hij werd als ‘de belangrijkste dichter voor cabaret, televisie e.d.’ beschouwd en Gerrit Komrij nam in 1979 een drietal gedichten op in zijn befaamde bloemlezing van de Nederlandse negentiende- en twintigste-eeuwse poëzie. In zijn rubriek ‘Schriftelijke Cursus Dichten’ in de bijlage De Blauw Geruite Kiel van Vrij Nederland zette Wilmink zijn poëtica uiteen. Net als zijn eigen dichtkunst wilde hij het werk van de rederijkers, volksdichters, Hieronymus van Alphen, smartlappenschrijvers en andere onderschatte poëten als literatuur erkend zien. Zo verbond hij kinderliedjes, carnavalsteksten en bakerrijmen met gemak aan de poëzie van dichters als Herman Gorter, Gerrit Achterberg of Hendrik de Vries. Het verschil tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur bestond naar zijn gevoel evenmin als dat tussen kinderversjes en poëzie voor volwassenen. In zijn veelzijdigheid schreef Wilmink ook filmscripts, autobiografische verhalen, en vertaalde hij poëzie van Emily Dickinson en W.H. Auden en bewerkte hij Bijbelverhalen. Evenals de middeleeuwse gedichten en verhalen, waaronder die over de reis van Sint Brandaan. Een apart hoofdstuk in zijn werk vormt ook Wilminks moeizame promotie op het werk van Hendrik de Vries. Volgens sommigen voldeed zijn proefschrift niet aan de academische standaard. In zijn vertaalwerk werden anachronismen niet geschuwd. Etty: ‘Wilmink meende dat hij naar eigen goeddunken vondsten mocht toevoegen zolang ze pasten binnen de context van de oertekst.’ Zo had hij in een vertaling van De burggravin van Vergi geen enkel probleem met een zin als ‘Vervuld van kopzorg en van kommer / stapte de hertog op zijn brommer’.

Willem Wilmink ontvangt met Joke van Leeuwen en Max Velthuys een gouden griffel tijdens de Kinderboekenweek in 1986
Willem Wilmink met Joke van Leeuwen en Max Velthuys bij de uitreiking van de Gouden Griffel in 1986 © Roland Gerrits / Anefo Bron: Nationaal Archief (cc0)

Erkenning

‘Op waarde geschat worden, daar ging om,’ schrijft Elsbeth Etty. Die brede waardering voor Wilminks werk is er gelukkig ook gekomen. Met zijn leeftijdsloze poëzie werd hij door velen als een van de beste dichters van Nederland beschouwd en met zijn gedicht ‘Ben Ali Libi’ wist hij, via de gebroken stem van Joost Prinsen, heel Nederland te ontroeren. De samenwerking en vriendschap met de andere leden van het Schrijverskollektief verliep, evenals die met Aart Staartjes en Joost Prinsen, steeds moeizamer. Alleen met Wieteke van Dort bleef hij op goede voert verkeren. Het was de moeizame mens in hem die steeds meer de boventoon ging voeren. Ondanks zijn lieve en kinderlijke voorkomen, liepen veel contacten stuk op zijn angsten, dwangneurosen en gevoeligheden en het feit dat hij vooral zelf in het middelpunt wilde staan. Veel onvrede moest met de mantel der liefde worden bedekt, totdat die situatie onhoudbaar bleek. Zijn grootste angst was ‘geestelijke aftakeling’. Na een herseninfarct halverwege de jaren negentig kwam Wilmink nauwelijks nog de deur uit. Het reizen naar optredens in het land werd ook voor de muzikanten met wie hij optrok steeds meer een beproeving. Bij de begrafenis van componist en goede vriend Harry Bannink liet hij zich niet zien, evenmin als bij het huwelijk van zijn jongste zoon.

Terug in Twente

Vanaf begin jaren negentig woonden Willem en Wobke Wilmink weer in zijn vertrouwde Enschede. In die jaren raakte hij nauw bevriend met die andere tukker: Herman Finkers. De algemene bewondering die hem ten deel was gevallen moest het daardoor steeds vaker opnemen tegen het Randstedelijke verwijt van ‘provincialisme’. Toen de humor van Finkers in Het Parool werd afgedaan als ‘nieuwe lulligheid’, nam Wilmink het verontwaardigd voor zijn jongere streekgenoot op: ‘Lullig? Helemaal niet. Absurd, dat is het. […] Ik ben dol op hem.’ Wat Wilmink betrof hoorde Finkers helemaal in de traditie van Paul van Ostaijen.

Met het eind van zijn levensreis in zicht, moest Wilmink tot zijn schrik constateren dat hij nog katholiek geworden was ook. Het was goed dat zijn vader dat niet meer hoefde mee te maken. Ellendige zaken die hij niet kon accepteren, zoals de Enschedese vuurwerkramp en in 2001 de aanslagen in New York, verwerkte hij in dromen over de hemel. Het was zijn manier om ermee in het reine te komen. Over euthanasie sprak hij nooit, maar zelf zijn naderende dood voorvoelend, schreef hij in zijn bundel Je moet je op het ergste voorbereiden over de dood van hun poes Nel:

Als wij ons toch zo konden overgeven,
Zonder de hoop om elders door te leven
En voor een oordeel allerminst bevreesd,
Slechts peinzend: het is drommels mooi geweest.

De laatste momenten van het leven van Willem Wilmink beschrijft Elsbeth Etty sober, maar niet minder invoelbaar: ‘Op zaterdagavond 2 augustus 2003 zette hij de muziek voor zijn uitvaart op en dronk een goed glas Belgisch bier, een Rochefort 10. Hij nam zijn medicijnen en viel rond negen uur onder de klanken van Mozarts ‘Gran Partita’ in slaap. Even na elf uur stierf hij in het bijzijn van Wobke. Tot het laatste moment had hij de regie in eigen hand gehouden.’

Blind date

Met In de man zit nog een jongen schreef Etty een biografie uit één stuk. Als een voortreffelijk verteller voert zij de lezer door het moeizame leven van de dichter, zonder over diens levenswijze of werk een oordeel uit te spreken. Het is de lezer zelf die mag concluderen dat hij het, zowel zichzelf als zijn omgeving, bijzonder moeilijk had gemaakt. Zo moeilijk, dat je als lezer geregeld de hand voor de mond moet slaan. De deconfiture van een huwelijk blijft even pijnlijk om te lezen als de ontsporing van vriendschappen. Dat bleek kortgeleden al evenzeer het geval bij het lezen van de biografie van F. Harmsen van Beek. In beide geval ging het om de kwetsbaarheid van de gekrenkte ziel.

In tegenstelling tot een aantal recente schrijversbiografieën, maakt Etty in haar biografie gelukkig geen gebruik van eindeloos lange citaten. Goed gedoceerd blijft zij zélf degene die in een meespelende stijl het complete verhaal vertelt. Natuurlijk, af en toe wordt het op taalkundig vlak wat technisch, bijvoorbeeld als de ‘hondsmoeilijke geschriften’ van Noam Chomsky ter sprake komen. Het maakt echter des te meer duidelijk dat Wilmink, boven wetenschappelijk onderzoek, er de voorkeur aan gaf om zelfs iets te maken. ‘Ik ben geen letterkundige,’ zei de dichter ooit tegen een NRC-journalist. ‘Tekstschrijver is mijn vak.’

Zelf had Etty nooit kunnen bedenken dat zij – na die van Henriëtte Roland Holst – ooit de biografie van Willem Wilmink zou gaan schrijven. Veel meer dan zijn verzamelde liedjes had ze immers niet van hem gelezen. Het was Vic van de Reijt, zelf oud-student én oud-redacteur van Wilmink, die haar tot dit werk verleidde. Zoals ze zelf schrijft: ‘een blind date’. Maar wel een met een prachtige afloop.

In de man zit nog een jongen. Willem Wilmink – de biografie
Elsbeth Etty
Nijgh & Van Ditmar
ISBN 9789038806334
Verschenen in januari 2019

Bestelinformatie

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 34,99)
Bestel als ebook bij Athenaeum Boekhandel (€ 14,99)

Koop bij bol.com Bestel als hardcover bij bol.com (€ 34,99)
Bestel als ebook bij bol.com (€ 14,99)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here