Philippus Verbrugge, broodschrijver

Broodschrijver Philippus Verbrugge
Spotprent op de patriotten: Dapperheid der keezen, anoniem 1787.

In louche gezelschap. Leven en werk van de broodschrijver Philippus Verbrugge (1750-1806) is het vermakelijke portret van een achttiende-eeuwse charlatan, die voor geen meter wilde deugen. Althans, als we zijn opponenten mogen geloven. Literatuurhistoricus Pieter van Wissing deed jarenlang onderzoek naar deze exponent van de literaire onderwereld in de Republiek, en dat leverde een verrassende biografie op.

Patriotten en orangisten

Philippus Verbrugge stelde zijn giftige pen tijdens de woelige partijstrijd tussen de patriotten en orangisten in de jaren tachtig van de achttiende eeuw in dienst van Oranje. In De post naar den Neder-Rhijn veegde hij de vloer aan met de nieuwbakken ideeën van de patriotten, die vooral in De post van den Neder-Rhijn werden geventileerd. Sinds het uitbreken van de Vierde Engelse Oorlog in de winter van 1780 lag het stadhouderlijke bewind van Willem V behoorlijk onder vuur. De stadhouder werd als kapitein-generaal van het staatse leger en admiraal-generaal van de vloot verantwoordelijk gehouden voor het rampzalige verloop van de oorlog. Vooral zijn voogd en raadgever, de Hertog van Brunswijk, moest het in de patriotse pers ontgelden. De hertog werd als een handlanger van de vijand voorgesteld, een ‘mof’ die de roemrijke Republiek voor een paar judaspenningen aan de Engelsen had verpatst.

Patriotse spotprenten
Patriotse spotprenten van de hertog van Brunswijk en Willem V

Afpersing

Philippus Verbrugge begon zijn arbeidzame leven in Koedijk, waar hij in 1779 als predikant werd beroepen. Daar raakte hij al snel in onmin met de plaatselijke kerkenraad, toen hij een weesjongen bij een katholiek pleeggezin wilde weghalen en een diaken van een dubieuze levenswandel beschuldigde. Verbrugge verruilde de kansel voor de ganzenveer, maar spaarde in zijn paskwillen kool noch geit, waardoor hij ook met de wereldlijke autoriteiten bonje kreeg. In juli 1783 kwam hij in het gevang terecht. Willem Bilderdijk, die pas begonnen was als advocaat en in zijn praktijk vooral orangistische delinquenten bijstond (waaronder de Rotterdamse Kaat Mossel), verdedigde de gesjeesde dominee tot aan het Hof van Holland. De stadhouder betaalde de proceskosten en de boete van drieduizend gulden die Verbrugge werd opgelegd, zo blijkt uit de ‘secreete betalingen’ die Wissing in het Koninklijk Huisarchief heeft opgespoord. Een half jaar na zijn invrijheidstelling richtte de berooide broodschrijver zich aller nederigst tot Zijne Doorluchtige Hoogheid met het verzoek of die nog eens over de brug wilde komen, anders zag hij zich genoodzaakt de geheime “pensioenakte” die ze in december 1782 waren overeengekomen, openbaar te maken. Kortom, Verbrugge kreeg loon na werken voor zijn diensten en deinsde er niet voor terug zijn broodheer met dat gegeven te chanteren. Het heeft er alle schijn van dat door bemiddeling van Bilderdijk de stadhouder uiteindelijk de pensioenakte voor zestienduizend gulden heeft afgekocht. Het Loo wilde af van de afperser.

Broodschrijver

Dat Verbrugge door het hof betaald kreeg voor zijn Oranjeliefde, spreekt niet in zijn voordeel. Dat hij in juni 1781 voor het eerst van zich liet horen met een patriots pamflet, waarin hij opgewekt meedeed aan het roasten van de corpulente Hertog van Brunswijk, doet de deur dicht. We hebben hier met een vuige opportunist en schnabbelaar te maken, die zijn literaire talent aan de hoogste bieder verkoopt. Verbrugge was het prototype van de ‘broodschrijver’, in de achttiende eeuw een verachtelijke figuur. Schrijven deed je uit liefhebberij, niet uit winstbejag.

De grote verdienste van In louche gezelschap is dat Pieter van Wissing met zijn gedegen archiefonderzoek nogal wat vragen oproept over dat gangbare beeld. Verbrugge bleef het orangisme trouw tot in de dood, ook toen zijn politieke opponenten het met de Bataafse omwenteling in 1795 voor het zeggen kregen. Bepaald geen windvaan dus. In zijn Verhandeling over de vraag: welk is het beste en zekerste middel ter beproeving, of de gronden, waar op onze tegenwoordige staatsloots rust, gepubliceerd in 1797, bleek hij ook nog eens over een politieke visie te beschikken die niet alleen op louter eigenbaat was gestoeld. Hij verweet de Bataven hoogmoed, de hoofdzonde van de superbia. Met hun veelkoppige vertegenwoordiging hadden zij de Republiek van haar eenhoofdig gezag beroofd en daarmee het land aan de rand van de afgrond gebracht. De Rousseaanse idee van het sociaal contract vond hij een wassen neus. De sociale ordening is niet op een overeenkomst gestoeld, maar een van God gegeven inrichting van het “gezellig leeven”. Wie meent dat de menselijke vrijheid een natuurrecht is, moet vroeg of laat ook erkennen dat “de zwarte bewooners in de Afrikaanse Landstreken even zo volkomen als een geboren Nederlander” zijn. Om van de Joden en de katholieken nog maar te zwijgen. Een gotspe, volgens Verbrugge. Er geldt voor hem maar een leidraad in het leven: de Bijbel. Die leert ons dat het staatsgezag noodzakelijk is sinds we van de gulden regel zijn afgestapt dat je een ander niet aandoet wat je niet wilt dat een ander jou aandoet. Daarmee meent de dominee de verklaring van de rechten van de mens afdoende weerlegt te hebben. “Blaast dat er tegen aan, – pof zeit het, en daar ligt de kraam!”

Willem V 1748-1806
Willem V (1748-1806)

Republiek der Letteren

Wat ik mis in In louche gezelschap. Leven en werk van de broodschrijver Philippus Verbrugge (1750-1806) is het bredere verband van de Republiek der Letteren in de achttiende eeuw. Verbrugge stond als broodschrijver bepaald niet alleen in zijn afpersingspraktijken. Jacob Campo Weyerman bezondigde zich eraan, waardoor hij – net als Verbrugge – in 1739 in het gevang terecht kwam. Robert Darnton beschrijft in De literaire onderwereld een leger van gefrustreerde would-be philosophes aan de vooravond van de Franse Revolutie. Bij gebrek aan een lezersmarkt, was de auteur die van de pen moest leven afhankelijk van geldschieters, “protectie”. In Nederland kenden we dat systeem ook. Rijklof Michaël van Goens, oprichter van de orangistische Ouderwetsche Nederlandsche Patriot, werd tot het jaar van de Bataafse omwenteling in 1795 door de stadhouder financieel ondersteund. Deed Verbrugge in zijn rekesten tot de stadhouder niet eenzelfde appel?

Pieter van Wissing heeft ervoor gekozen rijkelijk te citeren uit zijn bronnenmateriaal. Op die momenten kon hij als het ware “achterover leunen”, terwijl de lezer kennis maakte met het “taal- en stijlregister” van de broodschrijvers en de magistraten die hen vervolgden. Dat komt de leesbaarheid niet ten goede. Doodzonde, zeker omdat Van Wissing over een mooie pen beschikt. Hij had wat meer de regie mogen nemen.

Ik bewonder de originaliteit en diepte van zijn onderzoek. Van Wissing weet zonder meer aannemelijk te maken dat er wel degelijk sprake was van omkoperij door het stadhouderlijke hof. Schorriemorrie als Philippus Verbrugge kreeg van het Loo “secrete betalingen” om flink stennis te schoppen onder de patriotse gelederen. De orangisten hadden de boot van de nieuwe media – couranten als De post van den Neder-Rhijn en Diemer- en Watergraafsmeersche Courant – gemist. Van Wissing beschrijft met zichtbaar plezier het charmeoffensief dat toen werd ingezet. Philippus Verbrugge bleek daarin uiteindelijk een vriend die je je ergste vijand nog niet zou toewensen.

In louche gezelschap. Leven en werk van de broodschrijver Philippus Verbrugge (1750-1806)
Pieter van Wissing
Uitgeverij Verloren
ISBN 9789087046699
Verschenen in januari 2018

Bestelinformatie

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel hier als paperback bij Athenaeum Boekhandel (€ 29,00)

Koop bij bol.comBestel hier als paperback bij bol.com (€ 29,00)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here