Willem Bilderdijk, lonken naar het graf

Willem Bilderdijk

Wellicht is het de meest hilarische passage uit zijn biografie. Willem Bilderdijk geeft Nederlandse taalles aan Lodewijk Napoleon die, zoals het een eerzaam vorst betaamt, de tongval van zijn volk onder de knie tracht te krijgen. De leraar laat zijne majesteit niet alleen naar de tijd informeren, maar komt ook met typisch Bilderdijkiaanse riedeltjes op de proppen als ‘dat tast mij de zenuwen aan’ (cela m’attaque les nerfs) en ‘de kou is schadelijk voor de zenuwen’ (Le froid est contraire aux nerfs).  Nee, Willem Bilderdijk was bepaald niet het zonnetje in huis, zoveel wordt duidelijk uit De gefnuikte arend van Rick Honings en Peter van Zonneveld.

De auteurs delen met Godfried Bomans de opvatting dat een gebeurtenis in zijn jeugd van grote invloed is geweest op het sombere, hypochondrische en sikkeneurige karakter van Willem Bilderdijk. Toen hij vijf was trapte een buurjongen per ongeluk op zijn linkervoet. Een ontsteking was het gevolg. De doctoren vonden het raadzaam regelmatig een kromme schaar in de wond te steken, aderlatingen toe te passen en een brooddieet voor te schrijven. Zijn vader Isaäc Bilderdijk – als medicus mislukt – trachtte de ‘kwaadsappigheid’ van zijn zoon met braakmiddelen te bestrijden. De behandeling resulteerde in een beenvliesontsteking die Bilderdijk, verzwakt als hij was, tien jaar aan het bed zou kluisteren. In die tijd verslond hij de bibliotheek van zijn vader, leerde zichzelf Latijn uit een vertaling van de Phaedrus, Italiaans uit Boccaccio en Engels uit Shakespeare. Wanneer Bilderdijk niet las, ontwikkelde hij zijn tekentalent of dacht hij over het leven na. Hij werd een diepgelovig mens, die al op jeugdige leeftijd reikhalzend uitkeek naar ‘de andere zij’ van ’t graf.’ De enige vertrouweling in zijn leven was de medicus Johannes Verschuur, een vriend van zijn vader, die hem boeken leende: Homerus, geschiedkundige werken, poëzie. Verschuur was hem dierbaarder ‘dan de borst, waar aan ik heb gezogen,’ wat ook wel iets zegt over zijn moeder. Sibilla Bilderdijk-Duyzenddaalders was een driftkop en een naar mens. Bovenal was zij de grote afwezige in zijn werk. Bilderdijk, die over ogenschijnlijk triviale zaken dichtte als het zingen van de krekel en het roken van tabak, zou nooit een vers aan zijn moeder wijden.
Toen hij als twintigjarige doorbrak in het genootschapsleven van de Republiek, studeerde Bilderdijk rechten in Leiden. Hij nam deel aan de dichtwedstrijden van Kunst wordt door arbeid verkreegen en de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde en won keer op keer. Bilderdijk keek er met weerzin op terug. Het sociabiliteitsideaal, dat je door gemeenschappelijke inspanning en wederzijdse kritiek je talenten kunt ontwikkelen, druiste in tegen zijn visie op het kunstenaarschap als intermediair van het hogere, het verhevene, waarmee de mens na de zondeval het contact had verloren. De dichter had nog wel een lijntje met de voorzienigheid. Hij stond door zijn sensibiliteit open voor de geesteswereld die hem omringde.

Ismaël

De naam van Willem Bilderdijk als grootste dichter van zijn generatie was gevestigd toen in de jaren tachtig van de achttiende eeuw de partijstrijd tussen de orangisten en patriotten uitbrak. Bilderdijk was, net als zijn vader, een orangist in hart en nieren. Hij moest niets hebben van de nieuwlichterij van de patriotten die, geïnspireerd door de Amerikaanse Revolutie, de macht van de stadhouder wilden inperken. Als advocaat verdedigde Bilderdijk Kaat Mossel, de Rotterdamse helleveeg die in de patriottische pers uitgroeide tot boegbeeld van het geminachte Oranjegemeen, het grauw dat zich – al dan niet met de nodige steekpenningen – voor het karretje van stadhouder Willem V liet spannen. Door die politieke stellingname zag hij zich na de Bataafse omwenteling van 1795 genoodzaakt het land te verlaten. Maar er was meer aan de hand. Zoals het een genie betaamt, kon Bilderdijk niet met geld omgaan en had hij torenhoge schulden opgebouwd. Daarbij was zijn huwelijk met Catharina Rebecca Woesthoven, op zijn zachtst gezegd, nogal ongelukkig. Hij was voor haar uitzonderlijke schoonheid gevallen, de relatie inspireerde hem tot seksueel getinte gedichten als: ‘Schenk me, ô voedster van mijn lustjens/Druk met zulke vochte kusjens/Dat uw tong de mijne streelt,/En er krullend mede speelt.” Maar toen Catharina Rebecca enigszins genoeg had van het “rustloos tong- en lippenkneden” ontspoorde het huwelijk. Bilderdijk mishandelde zijn vrouw, althans volgens een getuigenverklaring van de dienstmeid. Zijn ballingschap behelsde meteen een scheiding van tafel en bed. Catharina Rebecca, die in Den Haag achterbleef, zat met de gebakken peren. Zijn schulden waren opgelopen tot een slordige achttienduizend gulden. “Waar moet dat na toe en wat toch hebt gy met dit alles gedaan ik of uwe kinderen hebben het nodige uit spaarzaamheid daar niet af durven neemen en wat toch hebt gy er voor genooten?” vroeg ze hem in een brief. Bilderdijk gaf niet thuis.
Inmiddels had hij in Engeland de liefde van zijn leven ontmoet, Katharina Wilhelmina Schweickhardt. Hoewel hij de relatie niet kon legaliseren, was die een verbond voor God. “Hy, die ons voor elkaar bestemde,/Voor eeuwig hart aan harte klemde,/Hy is het zegel onzer Echt.” Bilderdijk stelde huwelijkse voorwaarden aan de gewijde echtverbintenis. Indien hij weleens nukken vertoonde, “zwijg, en heb er eerbied voor”. Weiger hem nooit seksuele gemeenschap. Spreek hem niet tegen, maar zoek eerder je ‘toevlucht tot een stille traan”. Katharina Wilhelmina onderschreef het eisenpakket zonder omwegen. ‘”Steeds voor zijnen wellust levend,/Is zijn minste wensch uw Lust!” Een vrouw naar zijn hart.
Nadat in 1802 de echtscheiding tussen Willem Bilderdijk en Catharina Rebecca Woesthoven werd uitgesproken en de Bataafse Republiek onder Schimmelpenninck haar scherpe kantjes verloren had, werd een terugkeer naar Holland mogelijk. In het voorjaar van 1806 betrad Bilderdijk weer “Hollands vasten wal”. Hij hoopte als hoogleraar in Leiden te worden aangesteld. De bemiddeling van studievriend Johan Valckenaer is opmerkelijk. Valckenaer was een patriot en nog wel van de radicale soort. Zo vond hij het een Bataafse burgerplicht om de staat van het orangistische vullis te reinigen en deinsde hij niet terug voor een exemplarische executie meer of minder. De financiële en maatschappelijke ondersteuning van zijn voormalig politieke tegenstander stemde Bilderdijk allerminst mild tegenover de patriottistische kwelgeesten van weleer. Zij vergalden met hun gekonkel zijn leven in het herwonnen vaderland. Tegenover zijn mentor Johannes Verschuur had hij zich ooit laten ontvallen zich te herkennen in Ismaël, de eerste zoon van Abraham en Hagar. ‘Zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem” (Gen. 16:12). Maar waren zijn klachten gegrond? Enkele maanden na zijn aankomst kende Nederland een nieuwe koning: Lodewijk Napoleon Bonaparte. Behalve de taallessen, vergulde Bonaparte Bilderdijk met het lidmaatschap van de Tweede Klasse van het Koninklijk Instituut voor de Letteren, Wetenschappen en Schone Kunsten. Er kwam zowaar enige staatsbemoeienis voor de promotie van de kunsten. Bilderdijk plukte er de vruchten van. Als officieus dichter des vaderlands genoot hij op een gegeven moment een wedde van zesduizend gulden, het viervoudige van het salaris van een hoogleraar. Zijn geldzorgen werden er niet minder om, evenmin zijn angst voor de toekomst. Niet dat hij nog lang te leven had. Bilderdijk voelde steevast het einde naderen.

Radicalisering

Maar hij zou eindelijk zes van zijn kinderen en zijn lieftallige eega overleven. De dood van zijn oudste zoon op 26 augustus 1816 – Julius Bilderdijk bezweek aan tuberculose op een schip naar de Oost – was een slag die hij nauwelijks te boven kwam en dompelde Katharina Wilhelmina in een diepe depressie. Het verlies van een volwassen zoon is zoveel erger dan dat van een “krijtend kind, nog onbekend aan ’t leven.” Bilderdijk omgaf zich in de laatste jaren van zijn bestaan met Leidse studenten, die door zijn charisma onder invloed raakten van zijn ideeën. En die werden met de dag reactionairder. Gefrustreerd door het uitblijven van een benoeming tot hoogleraar polemiseerde hij tegen tijdgenoten die deze eer wel te beurt viel. Vooral Matthijs Siegenbeek, opsteller van een nieuwe spelling in 1807, moest het ontgelden. Bovenal fulmineerde Bilderdijk tegen de geest van de tijd. Hij noemde de Helden van de Verlichting het “edel kroost der apen”, hij zong de lof van de absolute monarchie en vervloekte de grondwet die Willem I aan banden legde. In het verval der zeden zag hij een aankondiging van de Jongste Dag die voor de deur stond. Zijn discipelen droegen het gedachtengoed uit. Isaäc Da Costa, de surrogaatzoon die in hetzelfde jaar geboren was als Julius, deed dat in 1823 met zijn Bezwaren tegen den geest der Eeuw, Abraham Capadose schreef Bestrijding der vaccine, waarin hij zich op religieuze gronden verzette tegen de koepokinenting. Bilderdijk raakte meer en meer vervreemd van zijn tijdgenoten, terwijl hij – zo weten de auteurs overtuigend aan te tonen –  toch ook een zeer beminnelijke kant had. Hij werd een curiosum. Bilderdijk was, aldus Willem Frederik Hermans in een brief aan Gerard Reve in 1951, “niet helemaal niets, maar toch voor ‘moderne mensen’ volkomen onverteerbaar.”

Rick Honing en Peter van Zonneveld schreven met De gefnuikte arend een meeslepende biografie van Willem Bilderdijk die recht doet aan “een van de merkwaardigste mannen die ooit in ons vaderland hebben rondgelopen.”

De gefnuikte arend. Het leven van Willem Bilderdijk
Rick Honings, Peter Zonneveld
Uitgeverij Bert Bakker
ISBN 9789035138094
Verschenen oktober 2013

Bestelinformatie

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel hier als paperback bij Athenaeum Boekhandel (€ 35,00)

Koop bij bol.com

Bestel hier als paperback bij bol.com (€35,00)
Bestel hier als hardcover bij bol.com (€ 49,95)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here