Jacob van Lennep. Een bezielde schavuit

Jacob van Lennep biografie

Marita Mathijsen vult een leemte met Jacob van Lennep. Een bezielde schavuit. Een integrale biografie, de levensschets van kleinzoon Max van Lennep uit 1909 daargelaten, ontbrak tot nu toe. Mathijsen schreef haar hele academische leven over de nummer 1 van de Grote Drie uit het midden van de negentiende eeuw. (Daartoe rekent ze, behalve Van Lennep, ook Nicolaas Beets en A.L.G. Bosboom-Toussaint). Bij haar afscheid van de Universiteit van Amsterdam werd ter ere van haar een lezing naar hem vernoemd. Kortom, een biografie om naar uit te kijken. Maar ik ben niet onverdeeld enthousiast.

De Muttersuche van Jacob van Lennep

Het bepalende moment in het leven van Jacob van Lennep, de ‘rode draad’ in zijn bestaan, is volgens Mathijsen het verlies van zijn moeder toen hij veertien jaar oud was. Die vroege dood verklaart zijn levenslange ‘Muttersuche’, zich manifesterend in relaties met oudere vrouwen (hij trouwt met de tien jaar oudere Henrietta Röell), talloze verhoudingen en een aantal buitenechtelijke kinderen. Jacob was een rusteloze schuinsmarcheerder, een man die – getuige zijn dagboek van 1827 – nogal gebukt ging onder zijn libido: “O Heer! reinig mijn harte en zuiver mij van de onkuische gedachten en bewegingen, welke zoo gestadig in mij opkomen!” Vooral na een maaltijd voelde hij weleens de aandrang de ‘eenhandige zonde’ te begaan, te masturberen dus, en hij smeekte de allerhoogste die ‘kwade bewegingen door de algenoegzame kracht uwes geestes’ met wortel en tak uit te roeien.

Van Lennep zat toen nog midden in zijn ‘domper’-periode. In 1821 raakte hij, tot groot verdriet van zijn vader, in de ban van Willem Bilderdijk. De dichter des vaderlands geloofde in het absolutistische koningschap (God heeft de Oranjes op de troon gezet) en in de nietigheid van de mens, want die had niets in te brengen tegen zijn lotsbestemming. Alles was gepredestineerd. Bilderdijk verzamelde in Leiden een vriendenkring om zich heen, die zijn reactionaire gedachtengoed verder uitdroeg, met als opperdiscipel Isaac da Costa en zijn Bezwaren tegen den geest der eeuw. Van Lennep ontpopte zich in dat gezelschap tot een dichtende Somberman: “Geen waarom zij gevraagd. Wat nietige aardworm zal / Hier reed’nen vergen van den Schepper van ’t Heelal?”

Rond 1830, toen zijn godsdienstfanatisme had plaatsgemaakt voor ‘uiterlijke religiositeit’, leren we een heel andere Van Lennep kennen. Door zijn vriendschap met Gerrit van de Linde en de gebroeders Aart en Willem Veder – “drie jongens die schaterlachend door het leven gingen” – maakte de zwaarmoedige Bilderdijkiaan plaats voor de bon vivant. Van de Linde, in de literatuurgeschiedenis beter bekend als De Schoolmeester, moest in 1832 schielijk het land verlaten, nadat hij de vrouw van zijn hoogleraar bezwangerd had. Van Lennep zocht hem nog wel eens op in Londen, waar ze zich verkneukelden over de lokale prostituees. (“Om te maken dat een Engelsche hoer-vrouw onder het naijen een beetje leeft / Zou je er een andere onder moeten leggen die den hik heeft,” dichtte De Schoolmeester doodleuk). Van Lennep beleefde als dertiger een “tweede jeugd” met dit vriendenstel. Nadat hij uit Londen was teruggekeerd, ging hij er met de dochter van de buurvrouw vandoor, weg van Henrietta, in wie hij dus kennelijk toch niet zijn moeder gevonden had. Met deze Doortje Ringeling wilde hij de grote oversteek naar Engeland maken, De Schoolmeester achterna, maar zijn vader stak een stokje voor de amoureuze escapade. Vijftien jaar later, wanneer hij zijn zilveren bruiloft viert, dankt hij God nog steeds op zijn blote knieën dat “de spoortreinen nog niet in ons land bestonden, en er geen nachtbooten vertrokken.” Die bezinning weerhield hem er niet van nog verschillende affaires aan te knopen en twee buitenechtelijke kinderen te verwekken.

David Jacob van Lennep 1774-1853
David Jacob van Lennep (1774-1853)

Contrasten

Het teleurstellende aan deze biografie is dat Mathijsen die contrasten, hoe amusant ook, nauwelijks probeert te duiden. In de controverse rondom de biografie van Jan Wolkers door Onno Blom verlangt ze – terecht in mijn ogen – dat een promovendus in staat moet zijn de gebiografeerde in zijn tijd te plaatsen. Dat onderscheidt een dissertatie van een ‘publieksbiografie’. Maar die historische context moet dan wel iets te betekenen hebben. Van Lennep groeide op in een patriots nest. Grootvader Cornelis behoorde tot de Provisionele Representanten van Amsterdam en nam zitting in de Eerste Nationale Vergadering, vader David Jacob was lid van het patriotse Vrijdags Gezelschap. Lieden als Rutger Jan Schimmelpenninck en Anton Falck kwamen wekelijks over de vloer om over politiek te discussiëren. De grote vraag is waarom Jacob zich in dat illustere milieu tot een vrij reactionaire orangist heeft ontplooid. Hij moest niets weten van het liberale gedachtegoed van Thorbecke – een begenadigd leerling van zijn vader – en de Max Havelaar van Multatuli vond hij een prachtig boek, zolang het de Javanen maar niet op gekke ideeën bracht. (Vandaar dat hij er de schaar in zette, wat hem sindsdien nauwelijks vergeven is. Willem Frederik Hermans vindt Van Lennep in De raadselachtige Multatuli maar een “geroutineerd amateur-schrijver van de derde rang”). Wat bezielde de generatie van Van Lennep, waartoe ook tijdgenoten als Dirk Hogendorp (1797-1845), Isaac Da Costa (1798-1860) en Nicolaas Carbasius (1795-1834) behoorde, om conservatiever dan hun vaders te zijn? Waar was hun grondige afkeer van de Verlichting (volgens Van Lennep “de afschuwelijke filosofie der achttiende eeuw”) op gebaseerd, terwijl die hun vaders veelal had gevormd? In hoeverre heeft Van Lennep met zijn historische romans bijgedragen aan de vorming van de natiestaat Nederland en alle mythes die daarbij horen?

Van Lennep leefde in een ‘complexe tijd’, merkt Mathijsen in haar inleiding op, maar aan die complexiteit doet ze geen recht door van de voorafgaande eeuwen een karikatuur te maken waarin de Oranjes de “traditie van het vrije Holland” vertegenwoordigen of Schimmelpenninck in de schoenen krijgt geschoven dat hij de Bataven niet zover kreeg “dat ze als gewillige koeien aan de melkmachines van Napoleon gingen staan”. (Een vrij kromme beeldspraak trouwens, de eerste melkmachine kwam pas in 1908 op de markt).

Mijn ‘historiezucht’ werd dus niet bevredigd met deze biografie, maar vermaakt heb ik mij wel. Marita Matthijsen vertelt met duidelijk plezier het levensverhaal van een vertederende doerak. Ze is zo vertrouwd met zijn werk dat we een negentiende-eeuwse persoonlijkheid met diepgang krijgen voorgeschoteld. Van Lennep zat zo nu en dan in knoop met zichzelf, maar heeft vooral het leven ten volle geleefd – bepaald geen brave hendrik dus, goddank. Wie meent dat er na Bilderdijk en voor Multatuli of de Tachtigers alleen een Jan Saliegeest door de Nederlandse Letteren waarde, zal door Jacob van Lennep. Een bezielde schavuit aangenaam verrast worden. En die biografie van De Schoolmeester moet er natuurlijk ook komen.

Jacob van Lennep. Een bezielde schavuit
Marita Mathijsen
Uitgeverij Balans
ISBN 9789460038501
Verschenen in januari 2018

Bestelinformatie

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel hier als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 39,95)
Bestel hier als ebook bij Athenaeum Boekhandel (€ 19,99)

Koop bij bol.comBestel hier als hardcover bij bol.com (€ 39,99)
Bestel hier als ebook bij bol.com (€ 19,99)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here