Beeld van Felix de Boeck kantelt door biografie

Interview met zijn biograaf David Veltman

David Veltman voor het Museum Felix de Boeck

De Vlaamse kunstenaar Felix de Boeck (1898 – 1995) is bijna honderd jaar oud geworden. Zijn hoge leeftijd heeft ertoe bijgedragen dat het beeld van hardwerkende boer en godvrezende kunstenaar uit Drogenbos lang is blijven voortbestaan. Er was niemand meer in leven die hem zou kunnen tegenspreken. David Veltman (1982) laat in de biografie ‘Sterven in het bed waarin ik geboren ben’. Een biografie van Felix de Boeck (1898-1995) zien dat er ook een ander verhaal over zijn leven verteld kan worden.

Omdat Veltman graag op een biografisch onderzoek naar een kunstenaar wilde promoveren en een grote liefde heeft voor het interbellum, besloot hij te solliciteren op de vacature van het Biografie Instituut in zijn woonplaats Groningen. Zich voorbereidend op de sollicitatieprocedure was hem al opgevallen dat de kunstenaar in kwestie, Felix de Boeck, nogal wat heldenverering ten deel viel. Die onomstreden status bleek tijdens zijn onderzoek bij sommigen van zijn fans nog immer te bestaan. Dat aan dat beeld zou worden getornd, viel niet bij iedereen in goede aarde. ,,In Drogenbos, waar De Boeck woonde en werkte, bestond er weinig behoefte om mij als buitenstaander te vertellen over de gevoeligheden rond zijn rol in de Vlaamse onafhankelijkheidsstrijd. Op tal van brieven kreeg ik geen antwoord of slechts na herhaaldelijk aandringen. Als ik mensen sprak, had ik regelmatig het gevoel dat ze niet het achterste van hun tong zien lieten zien.’’

De kunstenaar Felix de Boeck (1898-1995) woonde en werkte gedurende vrijwel zijn hele leven op zijn boerderij in Drogenbos, nabij Brussel. Hij meldde zich in 1917 aan als lid van de kunstkring ‘Doe Stil Voort’ maar ging ook zijn eigen weg en experimenteerde in diverse stijlen: neo-impressionisme, fauvisme, futurisme. Hij onderhield contacten met tal van kunstenaarskringen, zoals met Moderne Kunst uit Antwerpen. De Boecks werk ontwikkelde zich gedurende zijn leven in de richting van een grotere abstractie. In het begin van zijn artistieke carrière was hij vooral beïnvloed door stromingen als het fauvisme, kubisme en futurisme maar er is ook een religieuze inslag en belangstelling voor de natuur terug te vinden.

De jonge De Boeck kon na zijn eindexamen niet verder studeren omdat de universiteiten in 1916 vanwege de oorlog gesloten waren. Hij besloot om op het land van zijn vader te gaan werken om zo een inkomen te genereren dat hem tevens in staat zou stellen zijn artistieke aspiraties te kunnen financieren. De Boeck was activistisch en behoorde tot de groep jongeren die de oorlog had aangegrepen om af te rekenen met de dominante invloed van de Franstalige bourgeoisie. ,,Een oom, die de Vlaamse zaak een warm hart toedroeg, had een enorme invloed op Felix en zijn broer. Die heeft die jongens echt aangezet om zich zich daar eveneens voor in te zetten.’’

Felix de Boeck tijdens de opnames van Visages de Belgique in 1936

Maatschappelijke erkenning

De activistische opstelling van De Boeck kwam niet alleen voort uit idealisme. Menselijke reflexen als eerzucht en hang naar maatschappelijke erkenning waren hem niet vreemd. Er zat, zo stelt Veltman, ook een opportunistisch kantje aan omdat de bezetter hem carrièremogelijkheden bood. ,,Daarin speelde de Flamenpolitik een rol, het beleid waarin de bezetter de belangen van het Vlaamse broedervolk wilde ondersteunen met uitgekiende propaganda en subsidies. De bezetter steunde regelmatig tentoonstellingen die de Vlaamse cultuur promootten. Dat ideaal had De Boeck met de bezetter gemeen en dat heeft hij nooit losgelaten.’’

Pas in 2003 ontstond op de conferentie De trust der vaderlandsliefde. Over literatuur en Vlaamse Beweging in Antwerpen ook ruimte voor een tegengeluid. Daar kwam het begrip tegentraditie naar voren. ,,Het gebruik van deze term was een doorbraak, aangezien het activisme daarvoor vaak werd gezien als een fenomeen dat strikt gebonden was aan de Eerste Wereldoorlog. Onder druk van de Duitsers zouden de Vlamingen zich activistisch hebben opgesteld, maar zich na de oorlog gauw weer hebben ingevoegd in het democratische bestel. Het activisme bleef echter wel degelijk een punt van discussie onder de naoorlogse schrijvers en schilders. De dichter Karel van de Woestijne werd bijvoorbeeld met de nek aangekeken toen hij na de oorlog ging werken op de opnieuw verfranste universiteit van Gent. De Boeck komt uit Drogenbos, nabij Brussel, terwijl in deze proefschriften, die na de conferentie verschenen, vooral de Antwerpse situatie aanbod komt. Toch betoog ik in mijn boek dat hij zeker bij de groep van naoorlogse activisten hoorde.’’

Veltman kreeg de beschikking over het complete privé-archief van De Boeck, dat in het FeliXart Museum in Drogenbos wordt bewaard. Het was tevens zijn opdracht het te ontsluiten. De auteur trof een schat aan informatie aan waar nog nooit eerder iets mee gedaan was en nam zo’n 6000 brieven door. ,,Er komt een geliefd kunstenaar uit naar voren die heel veel mensen kende, bevriend was met de koninklijke familie en een echte netwerker blijkt te zijn geweest. Hij bracht op zijn boerderij al sinds de jaren twintig mensen bij elkaar, met wie hij voornamelijk sprak over politiek en kunst en heeft een duidelijk een stempel gedrukt op op de Belgische cultuurgeschiedenis.’’

Politieke invalshoek

Veltman koos voor de politieke invalshoek. ,,Over zijn kunstenaarsschap zijn al vele boeken geschreven. Dat hoefde ik niet nog eens over te doen. In mijn biografie wordt De Boecks leven geplaatst in de context van de belangrijkste gebeurtenissen van zijn tijd. In welk opzicht wijkt hij af van het bestaande beeld dat we van hem hebben? Had het ook anders kunnen lopen? En waarom ging het zoals het ging?

Zelf wist hij niet veel van De Boeck. ,,Ik was hem wel eens tegengekomen wanneer ik in België een museum bezocht, maar ik had geen idee wat precies zijn achtergrond was.’’ Dat de biograaf nu ook over zijn politieke opvattingen schrijft, zal hem niet overal in dank worden afgenomen. ,,Vooral oudere Vlamingen vinden het nog steeds lastig om over de houding ten opzichte van de Duitse bezetter te praten. Ze houden vast aan het continuïteits-verhaal: dat het in de jaren dertig zo moeilijk was en dat daarna de Duitsers kwamen en het leven opnieuw heel zwaar werd. Ik denk dat je daar een ander verhaal tegenover kunt en zelfs moet stellen, namelijk dat tijdens de Tweede Wereldoorlog allerlei mensen zich gemakkelijk lieten inpassen in de Nieuwe Orde, zoals de samenleving werd genoemd die de Duitsgezinden voor ogen hadden. De Boeck was dan geen collaborateur, maar heeft ook geen stelling genomen tegen vrienden die wel in de collaboratie stapten.’’

Omstreden portret

In de biografie staat een portret van Adolf Hitler afgebeeld dat De Boeck in 1942 schilderde. De directeur van het FeliXart Museum, Sergio Servellón, heeft het achterhaald en Veltman heeft het mogen zien. ,,Er gingen veel geruchten over dat portret, maar niemand wist waar het was. Je zou het kunnen betitelen als een faux pas van de kunstenaar, ware het niet dat hij er in 1946 nog één heeft gemaakt. Ze zijn allebei in opdracht vervaardigd. De Boeck was een goede portrettist – hij maakte met behulp van foto’s ook portretten van Gandhi en Roosevelt. Hij had echter die opdrachten om Hitler te portretteren ook kunnen weigeren.’’

De eerst opdracht werd gegeven door landmeter Karel Verbeyst als ‘betaling’ voor geleverde diensten. ,,Hij schreef dat hij een stuk land voor De Boeck wilde opmeten. In ruil wilde hij wel een ‘treffend’ portret van ‘onze Führer, U voelt niet waar’? Alleen al uit dat ‘U voelt het niet waar’, concludeer ik dat ze daar met elkaar over gesproken hebben. Die woorden zijn veelzeggend.’’ Toch wil Veltman niet zo ver gaan hem als fout te bestempelen. ,,Als hij daarnaast ook nog allerlei antisemitische teksten had gepubliceerd, dan was het natuurlijk klip en klaar geweest. Toch had de Vlaamse beweging, waar De Boeck deel van uitmaakte, wel degelijk een antisemitisch kantje. De aanhangers vonden zichzelf een soort zuivere Vlamingen, die niet bezoedeld moesten worden door allerlei andere rassen. De Boeck heeft zich daar nooit tegen verzet. Dat pleit wel weer tegen hem.’’

Felix de Boeck, Het dode kindje, 1929, inv. BK2165, Collectie Vlaamse Gemeenschap

De ontwikkeling van de kunstenaar van figuratieve naar abstracte kunst is in de biografie verweven met de politieke ontwikkelingen in Vlaanderen. De biograaf vond het lastig om de ommezwaai te verklaren van het links-internationalistisch denken in zijn jonge jaren naar zijn conservatieve opvattingen en hang naar het Vlaams eigene. Wanneer gebeurde dat nou precies? Vast staat dat de dood van zijn broer in 1921 diepe sporen heeft achtergelaten. Marcel had in de gevangenis gezeten vanwege het activisme, leed aan tuberculose maar kreeg daar niet de juiste medische verzorging. Ook de dood van vier van zijn vijf kinderen heeft hem diep geraakt. ,,De Boeck en zijn vrouw Marieke, met wie hij in 1924 getrouwd was, waren neef en nicht. Daardoor liep het echtpaar een verhoogd risico om gehandicapte kinderen te krijgen. Dat gebeurde ook. Het sterven van vier kinderen op zeer jonge leeftijd heeft hem een enorm trauma gegeven. De dood was voortdurend nabij.’’

Na die afschuwelijke periode, trekt hij zich terug op zijn boerderij met zijn vrouw en dochter Marcelleke, die een verstandelijke en lichamelijke beperking had. Daar ontvangt hij een keur aan mensen met wie hij van gedachten wisselt, ondermeer over kunst en politiek. ,,Die boerderij krijgt gaandeweg de status van een soort klooster, die te bezoeken was na een pelgrimage. In zo’n geïsoleerde situatie is het heel goed mogelijk dat hij de voeling met de werkelijkheid verloor. Hij las boeken van pessimistische filosofen als Spengler en Ortega v Gasset, hun theorieën hebben hem wellicht op dwaalspoor gebracht. Het boerenleven, de ongerepte natuur, terug naar de wortels, naar het geloof van de eerste Christenen, naar de situatie van voor de oorlog, was een breed gedragen opvatting in die tijd. Daar hoefde je helemaal niet extremistisch voor te zijn. ’’

Revival

Na de oorlog raakt De Boeck enigszins in de vergetelheid maar in de jaren zestig en zeventig ontstaat er een revival rond zijn persoon. Dat is mede te danken aan twee televisie-uitzendingen van het programma Ten Huize Van waarin De Boeck de hoofdpersoon was. ,,Daar heeft hij echt veel garen bij gesponnen. Als die programma’s er niet waren geweest, dan was hij waarschijnlijk niet meer zo beroemd geweest.’’ In die tijd is De Boeck al bezig de geschiedenis naar zijn hand te zetten en zo de beeldvorming rond zijn persoon te bewaken. ,,Hij probeerde een doorgaande lijn aan te wijzen tussen zijn werk uit de jaren twintig en zijn na-oorlogse schilderijen. Sommige abstracte werken uit de jaren twintig gaf hij nieuwe titels, zodat het leek alsof zijn werk ook toen al op religieuze leest geschoeid was. In die schilderijen uit de jaren zestig lag het accent duidelijk op het katholicisme, moederschap, het algemeen menselijke. Zijn abstracte werk was toch echt compleet anders.’’

De zeventigste verjaardag van de patriarch van Drogenbos werd op 15 januari 1968 gevierd met een dankmis in de Sint-Niklaaskerk van zijn woonplaats. Uit die tijd dateren ook de eerste plannen voor een permanente tentoonstelling van zijn werk, op zolder van het gemeentehuis in Drogenbos. ,,Deze expositie liet niet alleen zien hoe populair De Boeck geworden was, ze geeft ook een inkijkje in de wijze waarop de kunstenaar graag herinnerd wilde worden. In de vele toespraken en krantenartikelen werd steeds opnieuw benadrukt dat De Boeck een unieke persoonlijkheid bezat. Hij had zijn kunstenaarschap gedurende zijn hele leven gecombineerd met het werk op het land van zijn ouders. Telkens werden dezelfde momenten naar voren gehaald: de kennismaking met de schilderkunst, de vroegtijdige dood van zijn kinderen, de zondagse schildersessies op zijn atelier.’’

Veltman kan er tot op zekere hoogte wel begrip voor opbrengen, noemt hem een ‘leuke opportunist’. ,,Ik denk dat het heel menselijk is, een mooi samenhangend verhaal over je leven vertellen. Dat gebeurt vandaag de dag nog steeds. Op Facebook komen ook nauwelijks negatieve kantjes naar voren. Hij had echt een soort weg in zijn hoofd en maakte aan zijn publiek duidelijk dat hij daar niet van was afgeweken. Dat is hem gelukt want mensen geloofden er heilig in.’’

Gevoel van miskenning

,,Voor mij was het verrassend om te zien hoe De Boeck zich staande heeft weten te houden temidden van het krachtenveld van de Vlaamse Beweging. Een gevoel van miskenning was hem niet vreemd. In de Vlaamse Beweging vond hij gelijkgestemden. Het is een tegencultuur, zo noem ik het ook in mijn boek. Na de Eerste Wereldoorlog werden de activisten behoorlijk gestraft. Ze mochten bijvoorbeeld geen ambtenaar meer worden, veel bezittingen werden afgenomen. Daardoor liep de frustratie hoog op. De Vlaamse beweging ging in de jaren dertig weer op zoek naar het ‘wezenlijke’ van de Vlaamse cultuur, en vond die in het katholieke geloof. Zijn vroegere internationalisme ten spijt, ging De Boeck nu ook zelf geloven in dit ideaal van vroomheid, landelijkheid en Vlaams bewustzijn.

Hij had iets kameleontisch, was flexibel in zijn voorkeuren en wist de juiste mensen voor zich te laten werken. Wat ik bewonderenswaardig vind, is de manier waarop hij dat allemaal voor elkaar gebokst heeft. Zijn populariteit steeg tot ongekende hoogte. Hoeveel kunstenaars is het nou gegeven om met zo’n eenvoudige achtergrond en weinig opleiding zo’n enorm oeuvre achter te laten. Zijn nalatenschap is zo belangrijk geweest dat het zelfs heeft geleid tot een eigen museum in zijn woonplaats.’’

De totstandkoming van dat FeliXart museum in Drogenbos ging niet zonder slag of stoot. ,,De gemeente Drogenbos zag er wel wat in en dacht er toeristen mee te kunnen trekken, er speelden allerhande belangen, iedereen trok aan hem. En wat deed De Boeck? Helemaal niks. Hij liet het allemaal over zich heenkomen, bemoeide zich nergens mee, wilde niks beslissen omdat hij niemand tegen het hoofd wilde stoten. Ook daar zit iets opportunistisch in.’’

Deze biografie is een aanzet tot verder onderzoek. Ik heb alleen het pionierswerk gedaan. Als biograaf heb ik geprobeerd kritisch te zijn, niets voor zoete koek aan te nemen. Naast het beschrijven van de weg die De Boeck is gegaan, schets ik ook de andere wegen die open lagen. Vooral de oudere mensen zullen schrikken van dit boek. Het moeizame van het proces was voor mij, dat mensen koste wat kost dat ene beeld van de hardwerkende en Godvruchtige kunstenaar terug willen zien en dat als je daarvan afwijkt, deuren gesloten blijven. Dat vond ik wel spijtig. Het was leerzaam maar ik ben er ook wel een beetje cynischer van geworden.’’

Op 23 september zal David Veltman in debat gaan met andere onderzoekers van de Vlaamse Beweging tijdens een studiedag in het FeliXart Museum, Kuikenstraat 6, Drogenbos, België.

‘Sterven in het bed waarin ik geboren ben’. Felix de Boeck (1898-1995)
David Veltman
Uitgeverij Verloren
ISBN 9789087049164
Verschijnt juli 2021

Bestelinformatie

Marita de Jong is journaliste. Ze werkte jarenlang voor NDC Mediagroep en was als redacteur verbonden aan het cultureel opinieblad De Moanne. Tegenwoordig schrijft ze voor De Moanne, de website Fryslân1 en doet ze ondermeer pr werkzaamheden voor Museum Belvédère en Collegium Vocale Fryslân. In 2008 verscheen bij de Afûk haar boek: 14 schilders uit de Belvédère.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here