‘Terugschouwer’ naar plekken van herinnering

Bron: Nationaal archief © Anefo / Hans van Dijk (cc0)

Laat ik vooraf bekennen dat ik nooit een roman van Willem Brakman heb gelezen. Hoe dat komt? Eigenlijk weet ik het niet precies, maar het moet iets te maken hebben met de talloze recensies die over zijn werk zijn verschenen en die mij hebben beïnvloed. En dat terwijl ik mijzelf wel degelijk als een ‘echte lezer’ beschouw. Altijd was er die tweedeling: bewondering en ergernis. Kennelijk hebben de besprekingen in de laatste categorie mijn vooroordeel gesterkt. Zoals die van Pieter Steinz in NRC, die ooit aangaf de draad kwijt te raken bij Brakman, zich te ergeren en te vervelen. De constatering dat er in zijn werk ook veel te genieten viel delfde daardoor het onderspit. Veel lezers kwamen er simpelweg niet doorheen en sloegen de romans halverwege dicht. Het is dan ook niet dat ik reikhalzend heb uitgekeken naar een biografie over Willem Brakman, ondanks het feit dat de eerdere biografieën van Nico Keuning over Max de Jong, Jan Arends en Bob den Uyl mij als biograaf enorm hebben geïnspireerd, inclusief diens monografie over Johnny van Doorn. Maar toen ik de vraag van de Biografieportaal-redactie kreeg, maakte die mij toch nieuwsgierig. Misschien wel zoals Nico Keuning van VPRO’s Wim Noordhoek – een vriend van Brakman – op een onverwacht moment de suggestie had gekregen de biografie van Brakman te gaan schrijven, waarop hij besloot er over na te denken.

Over de biograaf van Brakman – niet Keuning maar de gedoodverfde biograaf Gerrit Jan Kleinrensink – is altijd veel te doen geweest. Die was, doordat hij de schrijver ‘volgde als zijn schaduw’, zo met zijn onderwerp verweven geraakt, dat in twijfel getrokken werd of het beoogde levenswerk er ooit zou komen. Dat was uiteindelijk niet het geval. Kleinrensink overleed in 2014, zes jaar na Brakman, met wie hij een heel groot deel van zijn leven was opgetrokken. Daarmee lag in 2016 de weg voor Keuning, in wiens leven Brakman al heel lang ‘een vaste constante’ was, open. (Lees ook het interview met Nico Keuning elders op Biografieportaal.)

Autobiografisch

Een ongeneeslijk heimwee. Leven en werk van Willem Brakman is voor mij de introductie geworden op het werk van een gepasseerde schrijver, voor wie het leven zelf altijd de grootste voedingsbodem heeft gevormd, evenals de vriendschappen die daar een belangrijke rol in speelden. Zoals met de tien jaar oudere literair journalist en dichter Nol Gregoor, met wie Wim Brakman in de zomer van 1944 in contact kwam en die hem introduceerde in zijn vriendenkring van dichters en schilders, waaronder Simon Vestdijk. Deze ontmoeting zou bepalend zijn voor de ontwikkeling van Brakman. Beiden zouden hun leven lang, in een complexe haat-liefdeverhouding met de nodige kinnesinne, een bloeiende correspondentie blijven voeren. Ook Brakmans verhalenbundel De weg naar huis (1962) bestaat eigenlijk uit brieven aan Gregoor.

Van begin af aan schreef de in 1922 in Den Haag geboren Brakman autobiografisch, vanuit zichzelf. Pas als bedrijfsarts in Enschede en inmiddels halverwege de dertig, kwam ook zijn literaire werk op gang. In december 1960 debuteerde hij in De Gids met het verhaal ‘Bij hoog en bij laag’ over een jongen die met zijn ouders en broer naar Terneuzen reist, naar het huis waar zijn grootmoeder is overleden. Zeeland was het land van Wims voorouders. Op advies van redactiesecretaris Kees Lekkerkerker nam hij voor deze eerste publicatie de naam Willem Brakman aan. Zijn eerste verhalen werden door sommigen in verband gebracht met die van Gerard Kornelis van het Reve: vergelijkbare perspectieven, sfeer en beschrijvingen. Nadat hij in contact kwam met Reinold Kuipers, directeur van Querido, was er zicht op een eerste publicatie in boekvorm. In 1961 verscheen eerst de roman Winterreis, waarvoor Brakman het jaar daarop de Lucy B. en C.W. van de Hoogtprijs toegekend kreeg, en vervolgens Die ene mens. Ook zag Kuipers wel heil in Brakmans verhalen. Voor zijn uitgever schetste Brakman in enkele regels zijn levensloop tot dat moment: ‘mulo diploma – kantoor 1 jaar (dit was bijzonder vervelend) – machinistenschool ± 2 jaar (een ruwe tijd) – militaire dienst 1½ jaar – 1½ assistent in een ziekenhuisafd. Interne geneeskunde (een voor mij door de aard van het werk bijzonder sombere tijd) – 2 jaar huispraktijk (zie de hel van Dante) sindsdien bedrijfsarts met verhoudingsgewijs veel vrije tijd. U ziet al met al nog geen blad vol maar voor mij genoeg om er grijze haren van te krijgen.’ Toen Tine van Buul van Querido in een reactie liet weten erg blij te zijn met hun nieuwe auteur, dacht Brakman: ‘nou ben ik onsterfelijk’.

Afleiding en distantie

Wat Brakman als auteur dreef was primair op zichzelf gericht. Altijd was er de heimwee naar de belevingswereld van het kind dat hij eens was. Het was een heimwee dat de schrijver typeerde als ‘het verlangen er niet te zijn’. Hij wilde ‘zo volledig en zo persoonlijk als maar mogelijk’ in zijn verhalen ‘aanwezig’ zijn. Zoals hij zijn uitgever schreef: ‘…ik wil schrijven omdat ik vertellen wil welk brokje leven een Willem Brakman vertegenwoordigt. Als dát er in zit, heb ik de enige vorm gevonden die voor mij normatief moet heten.’ Zonder vooraf schema’s op te zetten, en los van de vertrouwde lineaire verhaallijn, bracht hij intuïtief de samenhang van zijn verhaal tot stand. Door gebruik te maken van bestaande namen, hield hij als schrijver contact met de werkelijkheid, al leidde dat soms bij mensen tot de nodige irritaties.

In een uitgebouwde nis van een zolderkamer, afgesloten door een gordijn, bleef Brakman stevig doorschrijven en bouwde hij een oeuvre op rond de plekken van zijn herinnering. Een ‘terugschouwer’ noemde hij zichzelf. Terugkijkend op het geluk, verdriet en de angsten van weleer. Vrijwel elk jaar verscheen er een nieuw boek, een frequentie die zich in de jaren tachtig zelfs zou verdubbelen. Met zijn schrijfmachine binnen handbereik moest hij ook zijn vaderlijke taken nog zien te vervullen, die hem tegelijk de afleiding en nodige distantie boden ten opzichte van zijn eigen emoties. Datzelfde gold voor zijn dagelijks werk als bedrijfsarts bij de Enschedese textielfabrieken en de verliefdheden die onafwendbaar bleken. Ze vertaalden zich in waarheidsgetrouwe episodes zoals in de roman De opstandeling (1963). Brakman bleef in de ban van Vestdijks Ina Daman en gaf er waar nodig een freudiaanse draai aan. Zijn vrouw Moof zag het met lede ogen aan, zich voortdurend afvragend ‘hoe krijg je het voor elkaar?’ Ondanks dat zich bij Brakman in de loop der tijd enkele buitenechtelijke avontuurtjes zouden voordoen, kon zij zich nooit voorstellen dat het echt was. Daarbij bleef Brakman trouw aan zichzelf. ‘Dat vond ik een goede eigenschap,’ tekende Keuning op uit de mond van Brakmans dochter Paulien. ‘Hoe kwetsend hij daarin ook kon zijn voor mijn moeder in zijn buitenechtelijke escapades. Hij was in bepaalde situaties nu eenmaal een charmante, egocentrische man.’

Henk Barnard, Hugo Claus, Willem Brakman en Roland Jooris (1979). Bron: Nationaal archief © Hans van Dijk / Anefo (cc0)

Geen publiekfiguur

Politiek tumult ontstond met de roman over Lazarus: De gehoorzame dode (1964). ARP-senator Hendrik Algra, die eerder Kamervragen over Reve’s Nader tot U had gesteld, nam er ook dit keer het woord over in de Eerste Kamer. Brakman zou over Palestina een beeld hebben geschetst waarin stank en viezigheid overheersten. Er werden op bijna elke pagina boeren en winden gelaten, terwijl ontlasting, bloed en urine niet van de lucht waren. Naar de mening van Algra waren er grenzen te eerbiedigen die niet overschreden moesten worden door met geld uit de schatkist ‘een bepaald soort literaire arbeid te stimuleren’. En dat terwijl de schrijver er naar eigen zeggen een geweldige studie van had gemaakt. Iedereen die Israël kende had hij gevraagd: ‘wat zijn de geluiden in de woestijn, hoe ziet daar de hemel eruit, wat is de kleur van het land?’

Van een rechtszaak en een landelijke rel kwam het niet, evenmin leidde het tot een spectaculaire verkoop van zijn werk. Zoals Keuning vaststelt: ‘Brakman is geen publiekfiguur, al kan hij grappig uit de hoek komen.’ Zijn volstrekt autonome wereld stond daarbij los van alle actualiteit, want de schrijver las zelf geen krant. Een contact dat wel goed werd onderhouden was met collega-arts/schrijver Simon Vestdijk, met wie tot diens dood in 1971 werd gecorrespondeerd. De brieven zouden in 2018 worden uitgegeven in Gaven, giften en vergiften.

Met de rug naar de werkelijkheid

Wat Brakman enorm van slag kon brengen waren de verkoopresultaten van zijn boeken. Hij had het volste vertrouwen in het beleid van zijn uitgever, maar de ‘dodelijke informatie’ over oplagen deed hem schade. Ondertussen waren die van 5000 exemplaren afgenomen tot 3500 of lager. De turbulente tijden en spanningen in de textielfabrieken eisten ook bij de bedrijfsarts hun tol. Brakman kreeg te kampen met zware depressies en was bevreesd zijn werk te verliezen. Toch bleef hij stug doorschrijven, zij het met de rug naar de werkelijkheid. Uiteindelijk kwam hij, gesteund door zijn omgeving, tot het inzicht dat de WAO voor hem de beste optie was. ‘Wim, dat moet je doen,’ schreef Tine van Buul. ‘Dan kun je schrijven.’

Postmodernist

Halverwege de jaren zeventig begon zich rond het fulltime schrijverschap van Brakman een kern van liefhebbers af te tekenen. De toekenning van de Bordewijk-prijs voor Zes subtiele verhalen (1978) bracht hem extra in de belangstelling en vrienden als Tom van Deel ontpopten zich als ‘apostel en propagandist’ van zijn werk. De Vlaamse hoogleraar Bart Vervaeck, die een proefschrift had geschreven over het postmodernisme, publiceerde als Brakman-kenner in uiteenlopende dagbladen en tijdschriften. Die aandacht nam verder toe toen zijn oeuvre in 1981 bovendien nog eens bekroond werd met de P.C. Hooft-prijs. Brakman zelf moest niets hebben van het etiket ‘postmodernist’. Hij had daar, vond hij, niets mee te maken en beschouwde het als ‘gevaarlijk’ voor zijn werk. Zelf zag hij zich veel meer als een ‘negentiende-eeuwer’, of zoals hij het uitlegde aan de neerlandicus Marcel Verreck: ‘Ik zou nooit iets willen schrijven dat niet op een of andere manier iets uitspreekt over de werkelijkheid. […] Ik beschouw mijzelf eerder als een bewoner uit een achterliggende periode. Ik ben een afscheidnemer…’ Desondanks werd hij als schrijver door weinigen begrepen, dit in tegenstelling tot een collega-auteur als Bernlef van wie rond die tijd de bestseller Hersenschimmen (1984) verscheen.

Misdadig

Wat ook stak was dat het Letterkundig Museum, na de Brakman-tentoonstelling in 1992, hem niet meer had opgenomen in de ‘permanente expositie’. En dat terwijl hij met 468 recensies op de derde plaats stond van de LiteRom-cd, direct na W.F. Hermans en Gerard Reve. Brakman vond het ‘misdadig’. ‘Het is maar een tentoonstelling,’ verzachtte Piet Calis. ‘Het is niet de canon.’ Zes jaar later zou hij echter weer een vitrine delen met Hella Haasse en stond zijn roman Ante Diluvium (1998) op de longlist van de Generale Bank Literatuur Prijs, waardoor hij weer volop in beeld was. Ook met zijn schilderwerk begon hij steeds meer aandacht te trekken en kreeg hij in 2001 een eigen tentoonstelling in het Rijksmuseum Twenthe. Vanaf dat moment gold Brakman als een dubbeltalent. Naar de zee, om het strand te zien (2006) zou zijn laatste roman worden. Het overlijden van de oud-Querido-uitgever Kuipers had de schrijver aan het denken gezet. Hij miste zijn oude vriend Nol Gregoor. Somber staarde hij in het duister en dacht: ‘hoeveel vrienden heb ik eigenlijk nog’. In zijn geest afdalend in de graftombe van koningin Astrid, nam hij klopsignalen waar, waar hij een schilderij van maakte. Zo schreef hij aan Van Deel: ‘Ik sta in de tombe, kijk naar boven […] en zag nog een stukje heldere lucht en de punt van een huis. Het is een heel mooi schilderij.’ Ondanks zijn productiviteit als schilder, voelde hij zich ‘uitgeschreven’. Het laatste jaar van zijn leven werd een treurige periode waarin hij het overzicht op zijn schrijfwerk kwijt was. In de laatste maanden, liggend op bed, wist zijn vrouw Moof het bezoek van zijn biograaf Kleinrensink af te houden. Ze wilde niet dat hij de aftakeling van haar man zou zien. ‘Het moest Wim blijven.’

Meer toegankelijk

Willem Brakman liet een oeuvre van 55 boeken na, de boeken over zijn schilderijen niet meegerekend. Daartoe behoren 38 romans. Hij schreef voor ‘de ideale lezer’, schrijft Nico Keuning in de Proloog van zijn biografie. Ondanks dat hij vanaf zijn debuut onmiddellijk de literaire erkenning had gekregen, werd hij ‘door de gemiddelde lezer afgewezen’. Dat betekent dat er nog een wereld te winnen is, al moet het werk van Brakman tegenwoordig wel in antiquariaten en bibliotheken gezocht worden. Met zijn biografie heeft Keuning een prachtige, nieuwsgierig makende introductie op dat werk geschreven. Door het continu verkennen van de scheidslijn tussen feit en fictie weet de biograaf ook de lezers die er onbekend mee zijn ongehinderd in het werk van Brakman te trekken. Alleen al de categorisering in ‘Haagse boeken’, ‘Enschedese romans’, ‘overspelromans’, ‘historische romans’ en ‘detectives’ zou moeten helpen de romans voor bepaalde typen lezers meer toegankelijk te maken. Voor mij heeft hij in elk geval de deur weten open te zetten naar dat ‘unieke oeuvre’. Daarbij ben ik geboeid geraakt door Brakmans interesse in het werk van de Engelse schrijver John Cowper Powys, ook een auteur die door lezers wordt aanbeden of verguisd en die bijna net zo onvertaald is gebleven. Evenals bij Powys is de ‘vruchtbare afstand’ tot zijn geboortegrond voor het schrijverschap van Willem Brakman ‘een onuitputtelijke bron’ gebleken.

Een ongeneeslijk heimwee. Leven en werk van Willem Brakman
Nico Keuning
Querido
ISBN 9789021419343
Verschenen in februari 2020

Bestel als harcover bij bol.com (€ 34,99)
Bestel als ebook bij bol.com (€ 15,99)

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 34,99)
Bestel als ebook bij Athenaeum Boekhandel (€ 15,99)

Bestelinformatie

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here