Slijk en sterren. Het verscheurde leven van pianiste en schrijfster Ida Simons

Ida Simons is wellicht het best bekend door haar spectaculaire comeback. Ruim vijftig jaar na haar dood werd haar debuutroman Een dwaze maagd ineens weer een bestseller. Een wonder? ‘Misschien is het nog verwonderlijker dat dit boek uit de belangstelling kon verdwijnen,’ vond Mieke Tillema. In haar mooie biografie Ida Simons. Pianiste, schrijfster, overlevende probeert Tillema dit raadsel te verklaren.

Zelden heb ik een Nederlandstalige biografie zo snel uitgelezen en dan niet alleen vanwege de meeslepende inhoud. Het boek is mooi vormgegeven met veel illustraties en Tillema heeft een prettige, toegankelijke schrijfstijl. In korte paragrafen met treffende titels beschrijft ze de hoge pieken en diepe dalen in het leven van Ida Simons-Rosenheimer (1911-1960). Ida groeit als enig kind op in Antwerpen en Den Haag in een kleurrijk Joods gezin. Met haar moeder spreekt ze Engels, met haar vader Duits en op straat Nederlands en Jiddisch. Net als Gittel, haar alter ego in haar roman Een dwaze maagd, is ze dol op pianospelen. Haar intensieve muziekstudie gaat ten koste van haar schoolopleiding en ze zal haar hele leven opkijken tegen mensen die wél ‘geleerd’ zijn. Net als Gittel is Ida gewend aan een leven waarin mislukkingen de boventoon voeren: ‘Op een nee-dag ging alles mis en ja-dagen kwamen maar uiterst zelden voor.’

Ida’s carrière als concertpianiste verloopt in eerste instantie glansrijk vanaf haar debuut in 1930 in Antwerpen. Ze treedt overal op, in Nederland en daarbuiten en ook voor de radio. In 1933 trouwt ze met de jurist David Simons, eveneens afkomstig uit een gelovige joodse familie. Dan schrijft een Haagse krant ‘Onder grote belangstelling is hedenochtend het huwelijk voltrokken tussen onze stadgenote de jonge talentvolle pianiste Ida Rosenheimer en Mr. David Simons.’ Het is duidelijk wie hier gezien wordt als de belangrijkste persoon. In de laatste jaren voor de Tweede Wereldoorlog treedt ze minder vaak op, vooral na de geboorte van zoon Jan in 1937.

Het leven, eigenlijk leven is het niet

Jan is drie jaar in 1940, net zo oud als Ida toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak en ze van Antwerpen naar Nederland vluchtte. Het gezin Simons vlucht nu niet, maar kan aanvankelijk de vervolging toch ontlopen. David Simons helpt namelijk in 1942 mee aan het samenstellen van de ‘lijst Frederiks’ met namen van ‘belangrijke’ Joodse leidinggevenden en kunstenaars in Nederland. Ze komen zelf al heel vroeg op deze waardevolle lijst en zijn lange tijd veilig voor transport naar de vernietigingskampen. Toch komt ook het gezin Simons, met moeder Rosenheimer, in Kasteel de Schaffelaar in Barneveld terecht. Vandaar worden ze in 1943 weggevoerd naar doorgangskamp Westerbork. Daar, levend ‘als Job op de mesthoop’, speelt Ida piano en treedt op met anderen van de ‘Gruppe Musik’. Ondanks alles speelde ze ‘nog nooit zo goed als hier’. Ze komt ook weer in contact met Lien Brilleslijper, de Joodse zangeres die bekend is geworden door ‘t Hooge Nest van Roxane van Iperen. Op 4 september 1944 worden Ida en haar gezin alsnog getransporteerd naar Theresienstadt. En daar gebeurt ‘het groote wonder’. Himmler, die inziet dat de rol van Hitler lijkt uitgespeeld en die de oorlog tegen de Russen wil voortzetten in samenwerking met de Amerikanen en Engelsen, is bereid grote groepen joden uit de kampen vrij te laten. Zijn plan wordt snel ingeperkt, maar op 6 februari 1945 vertrekt nog één trein met 1200 joden uit Theresienstadt naar Zwitserland, onder wie het gezin Simons.

Kasteel de Schaffelaar in Barneveld

Wrange oogst

In juni 1945 keert Ida Simons weer terug in Den Haag. Ze heeft het overleefd, met man, kind en moeder, maar de oorlog zal altijd aanwezig blijven in haar leven. ‘Een kamp, ook het beste, blijft nog altijd een kamp’, zal ze schrijven. Zowel fysiek als psychisch is ze aangetast. Ze probeert haar oude geestkracht en vitaliteit te hervinden, maar kan de sombere buien niet altijd de baas. Dat optredens op de grote concertpodia haar steeds minder vaak worden aangeboden en dat een comeback uitblijft, speelt een grote rol. ‘Het is niet moeilijk te gissen dat het voor haar zoveel is geweest als het afsterven van wat de diepste kern van haar persoonlijkheid was,’ schrijft Pierre Dubois. Halverwege de jaren vijftig neemt ze de beslissing niet meer op te treden. 

Ze legt zich toe op andere kunstvormen als aquarelleren, componeren (zoals cabaretliedjes) en vooral schrijven. Ze legt haar oorlogservaringen in poëzie en publiceert in 1946 een bundel met gedichten als ‘De Leege huizen’ (Wrange oogst 1940-1945), die echter nauwelijks wordt opgemerkt. De onverstoorbare David daarentegen heeft een glanzende carrière. Hij is een advocatenkantoor begonnen en wordt in 1948 tot hoogleraar bestuurswetenschappen benoemd. Zoals Ida heeft voorspeld wordt hij uiteindelijk een ‘Dutch grand old men’, onder andere als eerste voorzitter van het Cidi en lid van talloze regeringscommissies. Hun huwelijk is echter geen groot succes. In haar werk laat Ida nogal eens zien dat ze onbetrouwbare mannen amusanter vindt dan de saaie serieuze.

Parel der Nederlanden

Voor ze definitief stopt met optreden, maakt Ida nog een bijzondere muziekreis van november 1950 tot maart 1951 door Amerika, als een soort Holland Promotion Tour, gesponsord door de Nederlandse overheid. Ida vertelt over het muzikale culturele leven in Holland en geeft concerten met onder andere Nederlandse muziek. Het is een inspannende reis in oncomfortabele treinen met optredens voor kleine gezelschappen, maar Ida krijgt veel lof. Belangrijker: ze ontmoet in New York iemand die belangrijk voor haar zal worden, de Vlaamse schrijver Marnix Gijsen, pseudoniem van Jan-Albert Goris. Tussen maart 1951 en juni 1960 ontvangt Ida, ‘Parel der Nederlanden’, bijna honderd brieven van Gijsen die wijzen op meer dan oppervlakkige gevoelens van beide kanten. Helaas is er maar één brief van Ida aan Gijsen bewaard gebleven. De brieven onthullen toch veel over het belang van deze vriendschap voor Ida. Ze ontmoeten elkaar slechts enkele keren en dat zijn niet altijd succesvolle ontmoetingen. Op papier lijkt hun relatie beter.

Bij Gijsens uitgever Stols verschijnt in 1956 Ida’s prozadebuut, Slijk en sterren, onder het pseudoniem C.S. van Berchem. Het bevat twee verhalen, waarvan het eerste, het aangrijpende ‘In memoriam Mizzi’, zich afspeelt in Westerbork en Theresienstadt. De titel is gebaseerd op de dichtregel van Dale Carnegie: ‘Two men gazed through the prison bars, one saw the mud, the other saw the stars.’ Hier al valt op dat Simons een lichte toon weet te bewaren die de grauwheid van het kampbestaan des te scherper doet uitkomen. Recensent Greshoff noemt het boek echter streng ‘een teleurstellend doch niet onbelangrijk debuut’. Gijsen probeert de gekwetste Ida op te beuren en zelfs Greshoffs vrouw Aty schrijft haar een troostbrief.

Tot op de draad versleten toverfee

Ondanks haar zwaarmoedigheid en haar slechte gezondheid (ze noemt zichzelf ‘tot op de draad versleten’, heeft hartproblemen en houdt vaak een rustkuur) maakt Ida Simons op de meeste mensen een levendige indruk. Ze is een gulle gastvrouw en goede vriendin en heeft een groot talent voor bewondering. Ze uit haar genegenheid in bijzondere, persoonlijke cadeaus. Zo geeft ze Marnix Gijsen ‘zilveren boekjes’ bij het verschijnen van een nieuwe titel. Een anekdote vond ik heel treffend: tijdens een receptie komt een onbekende vrouw op Marga Minco af, die gehuldigd wordt voor Het bittere kruid. De vrouw vraagt of ze Minco iets mag geven. Zonder op een antwoord wachten schuift ze een ring van haar eigen hand, een gouden ring met een parel, om Minco’s vinger en verdwijnt. Als een toverfee. Niet veel later achterhaalt Minco haar identiteit: het is Ida Simons. Ze schrijft Minco in reactie op haar bedankbrief:

Toen ik naar je toe ging, zag ik in de gevierde schrijfster een verdrietig klein meisje, dat niet in haar droevige gedachten gevangen mocht blijven, en ik heb, gelukkig voor een keer, de afschuwelijke verlegenheid waarmee ik gestraft ben, kunnen overwinnen: de ring was niet anders dan een stuk speelgoed!’

En ze blijft schrijven. Vrolijke, geïllustreerde brieven aan haar zoon vanaf haar vakantieadressen, maar ook literatuur, al wordt vrijwel niets gedrukt. Maar: in 1959 verschijnt Een dwaze maagd, dit keer onder haar eigen naam. En dat boek krijgt bij verschijnen wél verbluffend veel aandacht. In alle grote en vele regionale kranten komen lovende, verbaasd-verraste recensies over de kwaliteit van dit ‘debuut’. Ida is vooral blij met besprekingen waarin de mild-ironische toon opgemerkt wordt en met recensenten die zien dat het gaat om humor als noodsprong. Collega-romancière Clare Lennart schrijft dat het verhaal soms ‘onweerstaanbaar komisch aandoet’: ‘Het is toch een groot gevoel voor humor dat deze schrijfster om een aanzienlijk percentage kan lachen in plaats van er om te huilen. En zij wil zeer bewust niet huilen.’

Een dwaze maagd verkoopt goed, er komen in 1960 twee herdrukken, een tweede roman staat op stapel. Ida’s ster straalt weer. Ze durft zelfs weer op te treden, voorlezend, pratend over eigen werk én pianospelend. Daarom waren omstanders indertijd en lezers van de biografie nu zo overrompeld door haar plotselinge dood in juni 1960. Pas bij herlezing van de biografie vallen de aanwijzingen je op, bijvoorbeeld het wonderlijke motto van Een dwaze maagd uit De man van overmorgen van Marnix Gijsen, dat eindigt met de zelfmoord van de hoofdpersoon:

‘Iedereen is in staat een wanhopige te weerhouden op het laatste ogenblik. Men moet hem op het gepaste moment een kop koffie geven of een borrel of men moet hem zeggen dat hij er als lijk onappetijtelijk of dom zal uitzien. Hoofdzaak is dat men zich aan die kleine plicht niet onttrekke: men moet de koffie of de borrel omzeggins in zijn hart klaar hebben.’

Ik vond het van een ironie die past bij Ida Simons, om haar in de titel ‘overlevende’ te noemen. Want Ida overleefde weliswaar het slijk van de vervolging, maar het lukte haar uiteindelijk niet meer om de sterren te zien. Haar verhalenbundel Als water in de woestijn verscheen postuum, onaf.

Empathisch, niet sentimenteel

Ida Simons. Pianiste, schrijfster, overlevende geeft een indrukwekkend tijdsbeeld van het culturele leven in Antwerpen en Den Haag tussen 1910 en 1960 en de relatief onbekende kant van de Jodenvervolging: de ‘Barnevelders’. Mieke Tillema stond daarnaast voor de lastige taak om Ida Simons’ leven te beschrijven met een vrij beperkt aantal persoonlijke bronnen. Van Ida zijn vier brieven uit Westerbork bewaard en verder vooral openhartige brieven aan een verre achterneef, de kunsthistoricus Julius Held. De biografe kon enkele familieleden en vrienden interviewen en maakt gebruik van egodocumenten van andere Joodse vervolgden om een beeld van het leven in de kampen te schetsen. Met de nodige voorzichtigheid maakt Tillema ook gebruik van het verhaal van Gittel om inzicht te krijgen in het leven van de jonge Ida; niet zozeer voor wat beleeft, maar voor hoe ze het beleeft. Als ze foto’s, tekeningen of gedichten interpreteert, maakt ze heel helder dat het om een interpretatie gaat. Soms laat ze zich verleiden tot commentaar op haar bron, bijvoorbeeld op Davids beschrijving van hun aankomst in Barneveld: ‘Het klinkt een beetje sneu, David had een dankbaarder onthaal verwacht’. Zo is het Tillema gelukt om empathisch, maar zonder sentiment, een overtuigend portret te schrijven van een vrouw die de paradox van de overlevende belichaamt: haar humor en geestkracht houden haar in leven, maar dat kost haar uiteindelijk de energie die ze nodig heeft om in leven te blijven. Terecht besteedt ze ook de nodige pagina’s aan de ‘revival’ van Een dwaze maagd in 2014, dat een internationaal succes werd. Ik hoop dat de biografie eveneens vertaald zal worden zodat na haar geesteskind Gittel het fascinerende leven van Ida Simons zelf ‘wereldwijd’ zal gaan.

Ida Simons. Pianiste, schrijfster, overlevende
Mieke Tillema
Uitgeverij Cossee
ISBN 9789059369580
Verschenen in juli 2021

Op vrijdag 23 maart 2018 was er een ‘Biografiedag’ in de Oude Sterrewacht in Leiden onder de van Simons geleende titel: ‘Tussen slijk en sterren. De schrijversbiografie in de kijker’.

Bestelinformatie

Bestel als hardcover bij bol.com (€ 34,99)

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 34,99)
Petra Teunissen-Nijsse werkt als freelance redacteur, journalist en biografisch onderzoeker. Zij publiceerde over Louis Couperus, Carry van Bruggen en Clare Lennart. In juni 2017 promoveerde zij op het proefschrift Voor ’t gewone leven ongeschikt. Een biografie van Clare Lennart. Haar tekstbureau heet Leven in Woorden

1 REACTIE

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here