Philip Roth (1933-2018): Nobel of Niet?

© Gregory Di Folco (CC BY-ND 2.0) (atr. 39)

Net nadat ik deze recensie geschreven had, kwamen beschuldigingen van seksueel misbruik door Blake Bailey naar buiten. Zie bijvoorbeeld dit bericht in The New York Times. Dat de aanklachten overtuigend lijken, betekent niet dat Bailey’s biografie opeens bestempeld moet  worden als  broddelwerk, maar het stelt zijn identificatie met Roths houding tegenover vrouwen wel in een scherper, kouder  licht.

Succes, seks, en zelf

‘And the winner is?’ Niet Philip Roth, want in 2016 ging de door hem zo felbegeerde Nobelprijs voor de literatuur naar Bob Dylan. De Nobel is ongeveer de enige literaire prijs die niet is toegekend aan Roth voor zijn 31 boeken, waaronder The Anatomy Lesson, The Breast, The Deception, The Ghost Writer, My Life as a Man, en, niet te vergeten, zijn komische bestseller Portnoy’s Complaint. Roth grapte: ‘It’s okay, but next year I hope [de folkzangers, mj] Peter, Paul and Mary get it.’ Het was natuurlijk niet okay. Als jongste schrijver ooit had hij in 1960 de National Book Award ontvangen voor zijn allereerste boek, Goodbye Columbus. In 1995 kreeg hij deze prijs nogmaals, voor Sabbath’s Theater. In 1997 won Roth de Pulitzer voor American Pastoral, het eerste deel van zijn  fabuleuze trilogie over de Verenigde Staten. Naast meer dan dertig (inter-)nationale prijzen, werd hem zelfs de National Jewish Book Award voor The Counterlife (1988) toegekend. Dat was bijna twintig jaar nadat de bekende Israëlische filosoof Gerhom Sholem had gesuggereerd dat Roths pornografische Portnoy’s Complaint een soort tweede Holocaust zou kunnen veroorzaken. (In Portnoy’s Complaint beschrijft de jonge Joodse hoofdpersoon hoe hij zijn lusten botviert. Hij woont nog thuis en masturbeert erop los—onder andere met een stuk lever, dat zijn moeder later opdient: ‘I fucked my own family’s dinner.’)

De titels van bovengenoemde boeken geven Roths hoofdthema’s al aan: seks, zichzelf, bedrog, en Amerika. In zijn werk duiken verschillende alter ego’s van Roth op, van de schrijver Zuckerman, tot professor Kepesh, en zelfs ‘Philip.’ Zijn fictie is (auto-)biografisch: hij speelt met maskers, versluieringen, het vinden en verbergen van verschillende ‘zelven.’ Daarnaast verschijnt ongeveer iedereen die Roth ooit heeft gekend in de een of andere vorm: mede gebaseerd op stiekem opgenomen tapes geeft Roth hun uitspraken soms zelfs letterlijk weer.

Virtuoos maar venijnig

Philip Roth: The Biography leest alsof een groep vrienden–en een paar frenemies—samen op een avond over hem praten. Bailey heeft zich dan ook gebaseerd op ongeveer 200 interviews—en vele uren samen met Roth. Het lijkt erop alsof hij door middel van osmose wat van Roths stilistische virtuositeit heeft meegekregen. De biografie is als een goed geschreven 19-eeuwse roman, waarin karakters en crises elkaar afwisselen, en je je geen moment verveelt. De Amerikaanse schrijver Cynthia Ozick begon haar recente Bailey recensie in The New York Times dan ook met: ‘The 19th-century novel lives on. Its name today is Biography; its nature is that of Dostoyevskian magnitude.’ Vuistdikke biografieën zijn inderdaad een trend in Amerika; als ik de biografieën optel, die ik het afgelopen jaar voor biografieportaal heb gerecenseerd, kom ik op zo’n 700 pagina’s per boek. En dan heb ik het nog niet eens over het heilige der heiligen, de door onze demissionair Minister President zo geliefde biograaf Robert Caro, wiens te verschijnen vijfde deel over Lyndon B. Johnson misschien wel de (totaal) 5000 pagina’s gaat overschrijden.

Ik ben een groot fan van 19e-eeuwse romans (hoe dikker hoe beter), die ik graag ‘binge read,’ maar deze biografie moest ik toch na iedere vijftig pagina’s opzij leggen. Dat komt door de hoofdfiguur, Philip Roth, die ik geregeld verwenste. De auteur heeft erg veel sympathie voor zijn hoofdpersoon en overtuigt de lezer er niet alleen van dat Roth een briljante schrijver is—dat vond ik overigens al—maar hij laat eveneens zien dat Roth sympathiek en genereus kon zijn. Roth was gul met loftuitingen aan zijn grote voorbeelden Bernard Malamud en Saul Bellow—die in 1976 wel de Nobelprijs had gekregen—met geld aan vrienden en vriendinnen, en zette zich in voor gecensureerde schrijvers in de Oostblok landen. Maar zijn houding tegenover vrouwen! Roth werd woest als men hem een misogynist noemde en in een recent interview ontplofte ook zijn biograaf toen de interviewer in zijn inleiding suggereerde dat Roth soms ‘vicious’ was tegenover vrouwen. Hoewel Bailey zeker ook Roths zwakke zijden benoemt, kijkt hij teveel door de bril van zijn gebiografeerde. Bailey’s herinnering aan zijn eerste week met Roth is dan ook  te intiem:

‘One lovely sun- dappled afternoon I sat on his studio couch, listening to our greatest living novelist empty his bladder, and reflected that this was about as good as it gets for an American literary biographer.’

Castrerende kenaus?

De bekende Britse schrijver Hermione Lee (biografieën over, onder andere, Edith Wharton en, recent, Tom Stoppard), die door Roth was gepolst als zijn biograaf, categoriseerde Roths vrouwen krachtig als ‘overprotective mothers,’ ‘consoling, tender, sensible girlfriends,’ ‘recklessly libidinous sexual objects,’ en ‘monstrously unmanning wives.’ Dat maakt hem nog (net) geen vrouwenhater, maar uit de eerste drie categorieën alleen al blijkt, dat alles om de man draait: vrouwen zijn er om mannelijke emotionele en seksuele behoeften te lenigen. De laatstgenoemde groep moet vooral gezien worden in het licht van zijn traumatische eerste huwelijk met Maggie, een sexy, gescheiden shiksa, met twee (verwaarloosde) kinderen. Hun knipperlicht verhouding werd getekend door seks en scenes. Maggie, die dolgraag met de veelbelovende schrijver wilde trouwen, verzon uiteindelijk een list, die in de biografie wordt aangeduid als ‘the urine-fraud.’ Om Roth te bewijzen dat ze in verwachting was, kocht ze voor een paar dollar de urine van een zwangere vrouw. De test was vanzelfsprekend positief en Roth beloofde Maggie te huwen op voorwaarde dat ze een abortus onderging. De nep-zwangere Maggie onderging een nep-abortus en de twee trouwden. Dat werd natuurlijk geen gelukkig huwelijk en bracht beiden aan de rand van (zelf-) moord, totdat ze uiteindelijk scheidden van tafel en bed. Daarna plukte Maggie hem nog jarenlang kaal. Het eind kwam toen Maggie stierf in een auto-ongeluk. Toen Roth haar doodskist zag, sprak hij: ‘You’re dead and I didn’t have to do it.’ Gezien hun geschiedenis, kan ik zijn woede begrijpen. Ze was zo destructief dat  haar eigen kinderen er zelfs van overtuigd zijn dat stiefvader Roth hun leven heeft gered.

Claire Bloom in  Il maestro di Vigevano (1963)

Kwalijk vind ik echter zijn rancune jegens zijn tweede vrouw, de bloedmooie, talentvolle Britse actrice Claire Bloom. Wat had zij in Roths ogen misdaan? Welnu, ze hield te veel rekening met haar dochter Anna uit haar eerdere huwelijk met acteur Rod Steiger. Ze begreep Roth niet altijd en zijn wensen waren geen wet. Haar grootste fout was echter dat ze na hun scheiding Leaving A Doll’s House’. A Memoir (1996) had gepubliceerd, waarin ze Roth beschreef als een egocentrische mysogynist. Roth had haar weliswaar gedurende hun bijna twintigjarige relatie constant bedrogen met ‘Inga’ (een pseudoniem) maar, zo pleitte hij zich vrij, zij ‘became an adjunct to my domestic life, without which I couldn’t have continued my domestic life.’ Deze minnares (hij had er meer) behandelde hij ook vaak als een object. Als hij met Claire in London was, belde hij Inga in de USA en verwachtte dat zij luisterde, terwijl hij masturbeerde. Inga vertelde Bailey: ‘I have patients and the doctors around and he wants me to listen. And then as soon as he has come, ejaculated, he bangs the receiver and that’s it.’ (Ik begrijp die Inga niet). Roth mat met twee maten, want waar hij Claire haatte om haar exposé, had hij zelf al jaren eerder, in Deception, Bloom beschreven als een saaie vrouw van middelbare leeftijd. Roth rekende in zijn romans af met iedereen. Zijn portretten waren altijd herkenbaar, hoewel hij er wel voor zorgde dat hij de ‘kleine penis regel’ volgde. Door zijn romanfiguren een klein piemeltje (of een equivalent daarvan) te geven was het namelijk onwaarschijnlijk dat het echte model zou zeggen: ‘Die persoon met die mini penis, dat ben ik!’

Geen sycofant maar sympathisant

Na de publicatie van Leaving A Doll’s House stond Roths reputatie, die hij als een cerberus had bewaakt, op het spel. Hij had een biograaf nodig om zijn kant van het verhaal te vertellen. Dat werd zijn beste vriend, professor Ross Miller, neef van toneelschrijver Arthur Miller. Miller had hem ooit weerhouden van een hoog gebouw af te springen én hij begreep Roths werk. Roth vond hem weliswaar geen goed schrijver, zijn proza ‘no jeweled and nuanced thing,’ maar hoopte dat een door hem uitverkoren schrijver minder gunstig gezinde biografen zou afschrikken. In feite zag hij Miller als zijn ghost writer —pun intended—die zijn rekeningen zou vereffenen. Roth vertelde zijn biograaf wie hij moest interviewen en gaf hem zelfs vragen mee, die hem in een goed daglicht stelden. Miller, die, optimistisch, zichzelf ongeveer Roths gelijke achtte, was daarvan niet gediend en stelde interviews almaar uit. Als hij eens iemand interviewde, bleek uit zijn vragen dat hij niet honderd procent pro-Roth was. Tezamen met zijn slordige redactie van Roths romans voor de prestigieuze American Library editie, leidde dit tot een breuk. Miller verdween uit Roths leven–en wilde niet geïnterviewd worden door Bailey.

Roth moest op zoek naar een andere biograaf. Blake Bailey, die een biografie had geschreven over John Cheever (1912-1982), werd door Roth aan een derdegraadsverhoor onderworpen: Hoe kon deze goy uit Omaha over hem, een New Jersey Jood, schrijven? De heteroseksuele Bailey liet zich niet intimideren. Gezien zijn uitstekend ontvangen portret van de homoseksuele alcoholist John Cheever, antwoordde hij, zou hij zeker Roth kunnen portretteren. Roth gaf zich gewonnen. ‘You hafta defend me when I’m gone,’ zei Roth eens tegen Bailey, waarop deze reageerde: ‘ But you’re indefensible.’ Beiden barstten toen in lachen uit; ze blijken hetzelfde gevoel voor humor te hebben. Het is erg moeilijk in een biografie duidelijk te maken dat iemand grappig is, maar Bailey slaagt daar wonderwel in, door goed gekozen anekdotes, en door Roth vaak te citeren: ‘Roth once reflected that there was usually about a ten-year gap between his life and his writing (versus, he said, less than twenty- four hours for Updike).’ Het plezier dat Bailey heeft in Roth–en het schrijven over Roth–spat van dit boek af. Misschien omdat hij ooit begonnen is als romanschrijver, moet hij niets van literair-kritische theorieën hebben: hij wil een verhaal vertellen en dat doet hij meesterlijk.

Mijn probleem met Bailey is dus dat hij  te dichtbij Roth staat. Hij is een sympathisant, zeker geen sycofant of ghost writer. Beïnvloed door Roth, zijn de meeste vrouwen in dit boek echter almaar hysterisch, huilend, of  schreeuwend, en beschuldigen Roth constant—terecht—dat hij  het met anderen doet. (Adobe Acrobat heeft voor mij geteld dat de uitdrukkingen fuck, fucking, enzovoorts bijna 150 keer in deze biografie voorkomen.) Vrouwen hebben vooral niet door, dat ze Roth nooit moeten storen als hij aan het werk is. Van de andere kant, als Roth zelf gestrest, geschokt, of gek is, beschrijft Bailey dat meelevend en wordt het Roths vriendinnen, vrouwen, en vrienden aangerekend, dat ze hem niet met liefdevolle zorg omringen. Alles tezamen heeft Blake Bailey echter een uitstekend boek geschreven, zonder zich teveel te laten overheersen door zijn bazige onderwerp. Het resultaat is een sprekend portret van een zelfzuchtig schrijver, geobsedeerd door zijn werk, een vileine vijand, maar evenzeer, voor velen, een toegewijde vriend. Maar nobel? Nee.

Bestelinformatie

Bestel als hardcover bij bol.com (€ 49,99)
Bestel als ebook bij bol.com (€ 15,99)

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 49,99)
Bestel als ebook bij Athenaeum Boekhandel (€ 15,99)
Marian Janssen
Marian Janssen schrijft nu de biografie van dichter en Pulitzer Prize-winnaar (1985) Carolyn Kizer (1923-2014). Ze schreef eerder Not at All What One Is Used To: The Life and Times of Isabella Gardner (University of Missouri, 2010). Ze is als onderzoeker verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here