‘Onvoltooid om steeds hooger te rijzen’. Over Nescio – Leven en werk van J.H.F. Grönloh

Nescio in 1917

Nescio was heel lang misschien wel de meest bekende onbekende schrijver in de Nederlandse literatuur. Zijn naam gaf het al aan: ‘Ik weet het niet’, verwijzend naar Nomen nescio, Latijn voor ‘de onbekende’. Het was pas na 1945 dat zijn faam in een stijgende lijn kwam. De schrijver was toen al ruim de zestig gepasseerd. Maar in de jaren zeventig van de vorige eeuw kon niemand meer om hem heen; Nescio was zonder overdrijving uitgegroeid tot een cultschrijver. Toch was er nog altijd maar weinig over hem bekend. J.H.F. (Frits) Grönloh (1882-1961) had zich zo lang schuil gehouden dat het publiek nauwelijks iets over zijn biografische achtergronden wist. Nescio/Grönloh kon nog het best getypeerd worden als een oester, ondanks dat hij in de loop der jaren iets toeschietelijker was geworden en zich minder afsloot van het literaire leven. Veel bekender waren echter zowel de eerste als de laatste zin van het verhaal waarmee hij het meest werd geassocieerd: ‘De uitvreter.’

En nu ligt er dan de lijvige biografie van Lieneke Frerichs, die zich al decennia lang heeft beziggehouden met Nescio. Dat had wellicht eerder gekund, maar heel lang was het werk tegengehouden door zijn familie. Ofschoon zijn vier dochters hun vader lief vonden, beschouwden ze hem ook als een strenge, moeilijke man. Het waren pas zijn kleinkinderen die wèl wilden meewerken, ondanks dat ze zich zelf niet erg positief hebben geuit over hun opa. Typerend is bijvoorbeeld de herinnering van kleinzoon Pip Tenger. Als de familie in Eindhoven gezamenlijk uit wandelen ging, was het zijn opa die in z’n eentje aan de overkant van de straat bleef lopen.

Choquerende verhalen

De bibliografische geschiedenis van Nescio is in grote lijn bekend. Nadat zijn eerste verhaal ‘De uitvreter’ in 1911 in het literaire tijdschrift De Gids was verschenen, duurde het tot 1918 eer het samen met de verhalen ‘Dichtertje’ en ‘Titaantjes’ in boekvorm kon verschijnen, onder de titel Dichtertje – De uitvreter – Titaantjes. Hoewel de bundel veel waardering oogstte, werd er in het weekblad Wereldkroniek gewaarschuwd tegen wat men zag als ‘choquerende verhalen’. Lange tijd leek dit Nescio’s hele oeuvre te zijn. Bij elkaar amper honderdvijftig bladzijden. Later bleek dat werk echter veel meer te bevatten. Frerichs zou het als bezorger allemaal een plaats geven in Verzameld proza & nagelaten werk (2019). Voor het merendeel waren het schetsen die dezelfde, onvervreemdbare toon en sfeer bezitten als het eerste deel van zijn werk.

De vraag die veel mensen van mijn generatie bezighoudt luidt: hoe komt het toch dat die verhalen van Nescio, die we vaak voor het eerst lazen voor onze schoollijst, in de loop der jaren bij herlezing alleen maar aan kracht lijken te hebben gewonnen? Op zijn minst zijn ze ‘fris’ gebleven. Ondanks de bijzondere spreektaal – met ‘datti, ‘toen-i’ en ‘had-i – voelt het geen moment gedateerd, al was het indertijd diezelfde spreektaal die sommige lezers tegenstond. Onopgesmukt zijn we het gaan noemen, alsof de schrijver bij je aan tafel zit. Samen met zijn onvolprezen zelfspot, maakte hem door voor veel – ook jonge – lezers tot een van de beste prozaïsten in het Nederlandse taalgebied.

Ontwerp van Reijer Stolk (1896-1945) voor de eerste druk van Dichtertje – De uitvreter – Titaantjes

Identiteit

Toch bleef het vroege werk van Nescio lange tijd slechts bij een kleine kring van ingewijden bekend. Dat gold nog sterker voor de identiteit van de schrijver. Pas in 1929 ontdekte men dat achter het pseudoniem de directeur van de internationaal opererende Holland-Bombay Trading Company in Amsterdam schuilging. Maar niemand die al wist dat de schrijver in zijn autobiografische schetsen met milde ironie afscheid nam van de wereld bestormende, maar onpraktische idealen van zijn jeugd. Nescio’s personages – Japi, Koekebakker, Hoyer, Bavink, Kees Ploeger en Bekker – die soms meerdere kanten van hemzelf en zijn vroege vrienden laten zien, hadden stuk voor stuk grote verwachtingen. Grönloh zelf had die lange tijd ten aanzien van de kolonie-commune ‘Tames’ in Het Gooi, die hij, geïnspireerd door Walden van Frederik van Eeden, met vrienden probeerde op te richten, maar die ten onder zou gaan aan geldproblemen. Die ervaringen leidde in 1903 tot het verhaal ‘Heimwee’, waarin hij vertelde over het droombeeld van een nieuwe maatschappij, die hij met vrienden wilde opbouwen op een ‘brokkie land’. Het verlangen knaagde aan hem om weg te komen uit de tredmolen van het kantoorleven. Hij deed daarom in 1901 zelfs pogingen een overzeese betrekking te krijgen. Hoewel hij zo lang mogelijk aan zijn ideaalvoorstellingen probeerde vast te houden, bleef het echter bij dromen over een vrij leven. In werkelijkheid voelde Grönloh zich gedwongen een betrekking aan te nemen op een handelskantoor in Duitsland, waar hij zich op vrije zondagen, en zonder zijn geliefde Agathe, troostte met lange wandelingen. Met Agathe Tiket – ‘Ossi’ voor Frits – trad hij in 1906 in het huwelijk. Ze zou later de spil van het gezin vormen. Maar het huwelijksleven vormde voor hem geen beletsel er af en toe in zijn eentje op uit te trekken, simpelweg omdat hij het alleen-zijn nodig had.

Landschap

Het landschap heeft altijd een grote rol gespeeld in het leven van Grönloh. Hij wandelde veel en geregeld trok hij er met de bus of trein op uit. Het was voor hem vlucht voor het benauwende leven in de stad, zijn medemens, het werk en alles wat hem herinnerde aan een aangepast en fatsoenlijk bestaan. De vernieling van het landschap rond zijn stad Amsterdam zag hij met lede ogen aan. In die zin doet het sterk denken aan Maarten Koning in het werk van J.J. Voskuil. Dat doet het helemaal als de vrienden uit Mene Tekel op de Zeeburgerdijk van de stad af lopen:

‘Wij stapten hard, de zolen van Hoyer, die heel waren, klepperden op de keien. Bavink zwaaide z’n stok boven z’n hoofd en ik gaf Hoyer een duw. Wij waren blij en uitbundig om niets, om ’t mooie weer, om den zonneschijn, om de lucht om ons heen, die wij ademden en om de lucht boven ons, die wij zagen. Wij gingen uit om de wereld te veroveren…’

Even later lopen ze op de dijk naar Schellingwou:

‘Eenzaamheid kroop op uit ’t grasland buiten den dijk, tegen ’t oosten; aan ’t eind er van lag een poel met bruin riet aan de kanten, de verlatenheid zelf.’

Grönloh – Remonstrants opgevoed – had op jonge leeftijd al afstand gedaan van het geloof van zijn jeugd. Daarvoor in de plaats kwamen de religieuze ervaringen die hij opdeed in de natuur. Het was voortaan het Nederlandse landschap dat hij verheerlijkte en waardoor hij zijn personages zou laten zoeken naar een antwoord op de vraag: hoe moet de mens leven in een wereld zonder God.

Schellingwoude tijdens de watersnoodramp van 1916

Ultieme vrijheid

Grönloh’s drang om te schrijven resulteerde in diverse pogingen een verhaal te maken over hetzelfde thema: het zich bevrijden van alles wat mensen beklemt en gevangen houdt. Pas in 1909 groeide uit eerdere aanzetten tot het personage Japi, de eerste versie van ‘De uitvreter’, het verhaal over het hartstochtelijk verlangen naar een leven in ultieme vrijheid. Japi en de schrijver vallen er in essentie in samen. Grönloh was een gevangene geworden van zijn kantoorwerk en van de verantwoordelijkheden voor zijn gezin. Het liefst wilde hij weg zijn, ‘nergens in het bijzonder’, maar in ‘het landschap zonder naam, waar de Uitvreter uit groeide’.

Ofschoon Japi daarin van de Waalbrug was gestapt, kon Nescio zich moeilijk van de figuur losmaken. Het leverde enkele schetsen op die ‘plotseling [eindigden], nergens, zooals alles.’

Daarvoor in de plaats ontstond rond 1912 in zijn verbeelding een nieuw vriendenkring die uiteindelijk ‘Titaantjes’ opleverde, dat in juni 1915 in Groot Nederland verscheen. In 1918 verschenen die twee verhalen samen met het verhaal ‘Dichtertje’ in boekvorm bij J.H. de Bois in Haarlem. In het werkelijke leven had Frits Grönloh zichzelf ondertussen meer discipline opgelegd: op tijd naar bed, vroeg op, lopen van en naar het werk en ’s zondags een grote wandeling. Met ‘fan’ Agnes Maas-van der Moer geraakte hij in een intensieve briefwisseling, waarbij hij geen blad voor de mond nam. ‘Commentaar leveren op mijn werk kan ik niet,’ schreef hij haar. ‘Wat ik gepubliceerd heb is het beste uit mij en hoe zou het mindere het meerdere kunnen toelichten?’

Verbeeldingskracht

Ondanks dat Nescio met meer werk voor de dag had willen komen, vloeide er in de daaropvolgende jaren nauwelijks meer iets uit zijn pen. Het duurde lang voor de geest opnieuw over hem waardig werd. Iets zomaar maken kon hij niet, daarvoor beschikte hij over te weinig verbeeldingskracht. Steeds kwam hij bij dezelfde thema’s uit. Desondanks beschouwde hij zijn literaire werk als ‘het grote geluk van zijn leven’.

In 1925-1926 bracht een zakenreis voor de Holland-Bombay Trading Company Grönloh voor vijf maanden in Brits-Indië. Een verslag uit de eerste hand hebben we dankzij de brieven aan zijn familie, waaruit Frerichs overvloedig citeert. Kort na terugkomst werd hij, net als zijn collega Muller, benoemd tot directeur van de handelsmaatschappij, met als gevolg dat hij in de jaren die volgden werd begraven in het kantoorwerk. Eind december liet Grönloh zich vervroegd pensioneren.

Tegelijkertijd begon in het literaire wereldje bekend te raken wie er achter het pseudoniem Nescio schuilging. Geleidelijk aan kwam hij bekend te staan als een echte ‘writer’s writer’. Dat neemt niet weg dat hij nog altijd buiten het literaire circuit probeerde te blijven. Over de interessante drukgeschiedenis van zijn beperkte aantal publicaties doet Frerichs in haar biografie uitgebreid verslag. Aan de bundeling van de eerste drie verhalen werd bij de vierde druk ook Mene Tekel toegevoegd, dat bestaat uit een aantal schetsen en korte verhaaltjes die in 1946 eerder los van de andere verhalen werden gepubliceerd. Daarna verscheen er tot kort voor zijn overlijden niets meer van Nescio in druk. Ondertussen was hij wel begonnen aan notities die uiteindelijk als Natuurdagboek (1996) zouden verschijnen. Het ging hem daarin om het landschap en om het kijken. Zelf beschouwde hij het als een vorm van autobiografie: een journal intime.

‘In eens nog een stuk of vijf koeien tegen het geheimzinnige langgerekt struikgewas met de eikenboomen nog altijd met bruin blad. De Goethe boomen, de zon op bemoste stammen met donkerte er om heen. Het rood flonkerende druppeltje op de Brink aan die tak. De vele takken.’

‘Al schrijvend noteerde hij heel precies maar soms tegelijk heel lyrisch wat hij zag en waar hij naar op zoek was,’ schrijft Ferichs.

Nescio in 1958. Foto Ben van Meerendonk / AHF, collectie IISG, Amsterdam (CC BY-SA 2.0)

Coming-out

Ten slotte beleefde de gepensioneerde Grönloh tijdens de tentoonstelling van de P.E.N.-club, die begon op 14 december 1946, zijn literaire ‘coming-out’, al moest hij de opening daarvan staande waarnemen. Hij had zich naar eigen zeggen nog niet op een van de weinige stoelen willen dringen. Dat nam niet weg dat hij al aardig in de literaire kennissen begon te raken, waaronder de geleerde Nico Donkersloot, Adriaan Morriën, Fred Batten en Belcampo. Wat bijdroeg aan zijn reputatie was in 1955 de bewondering van de jonge G.K. van het Reve. Desondanks duurde het nog een paar jaar voor hij breeduit werd erkend als groot schrijver. Dat was mede te danken aan uitgever Geert van Oorschot, die zich had ingespannen om een nieuwe bundeling van Nescio’s ongepubliceerde werk uit te brengen onder de titel Boven het dal. De inmiddels sterk verzwakte Grönloh kon het in mei 1961, liggend op bed thuis in Amsterdam, nog aan zijn vrouw overhandigen. Ook zette hij nog handtekeningen in de exemplaren voor zijn kinderen en kleinkinderen. Kort nadat hij twee maanden later naar sanatorium Zonnestraal in Hilversum was overgebracht, overleed hij op 25 juli 1961. Veel dichter bij huis, op begraafplaats de Nieuwe Ooster, vond hij zijn laatste rustplaats.

Cathedraal

Zoals gezegd, Nescio wordt nog steeds herlezen. Van de eerste drie verhalen plus Mene Tekel verscheen dit jaar de 46ste druk. ‘Nescio wist dat zijn werk “onvolmaakt” zou blijven in de letterlijke betekenis van het woord,’ besluit Lieneke Frerichs haar ‘Epiloog’. ‘Maar hij is blijven bouwen, en dat is het grote geluk van zijn leven geweest.’ Dankzij de onaflatende inspanningen van zijn bezorger en biograaf en de vele brieven waaruit zij kon citeren, ligt er nu een prachtige, uitmuntend verzorgde biografie, die het leven van Frits Grönloh voor het eerst nadrukkelijk kleur en Nescio’s ‘cathedraal’ nog meer glans hebben gegeven, ‘om steeds hooger te rijzen’. Bijzonder zijn vooral de hoofdstukken over Grönlohs zakenreis naar Brits-Indië en het (over)leven van de familie tijdens de oorlogsjaren. Maar waar het levenswerk in elk geval toe uitnodigt is simpelweg weer opnieuw eraan te beginnen: ‘Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.’

Nescio – Leven en werk van J.H.F. Grönlo
Lieneke Frerichs
Van Oorschot
ISBN
Verschenen in juni 2021

Bestelinformatie

Bestel als hardcover bij bol.com (€ 39,50)
Bestel als ebook bij bol.com (€ 17,50)

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 39,50)
Bestel als ebook bij Athenaeum Boekhandel (€ 17,50)
Wim Huijser is schrijver-publicist op het snijvlak van literatuur, geschiedenis en landschap. Hij schreef onder andere een biografie van C. Buddingh’, een monografie van Ton Schulten en tientallen boeken over literatuur en wandelen. Daarnaast stelde hij diverse bloemlezingen samen, waaronder een met wandelfragmenten van J.J. Voskuil.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here