Gerard Reve en de familie Bobrownitzki

Ik moet een jaar of twaalf zijn geweest toen ik De ondergang van de familie Boslowits voor het eerst las. Het boek heeft me de literatuur ingetrokken. Het debuut van Gerard Reve – de novelle verscheen in 1946 in Criterium – beschouw ik nog steeds als een kleinood waarin de verstilling van het taalgebruik en de kracht van de verbeelding op een wonderlijke manier op hun plaats vallen. Hoe kun je, als begin-twintiger, zo overtuigend schrijven?
Dat Gerard Reve het tragische verhaal van de ondergang van een Joodse familie op een presenteerblaadje kreeg aangereikt, hielp ongetwijfeld mee. Igor Cornelissen ging op zoek naar de ‘echte’ familie Boslowits en doet verslag van zijn speurtocht in De parelduikerreeks van uitgeverij Bas Lubberhuizen,  een reeks biografische schrijversportretten die er toe doet. Eerder verschenen er monografieën van Louis Couperus en J.C. Bloem en een verzameling egodocumenten van F. Bordewijk. In Wie was Hans Boslowits? Gerard Reves debuut ontrafeld exploiteert Cornelissen zijn kennis en contacten van communistisch Amsterdam op een ongekend spannende en bij tijd en wijle hartverscheurende wijze.
In werkelijkheid heette Hans Boslowits Alphons Bobrownitzki. Hij werd geboren op 15 mei 1893 in Venlo. Zijn vader, een koopman in koloniale waren, stierf een jaar later aan TBC; de weduwe trok met twee zonen en een dochter naar Amsterdam. Daar ging Alphons naar de HBS, die van de Marnixstaat om precies te zijn, en vertrok na zijn afstuderen naar de Oost. In 1913 keerde hij terug naar Amsterdam en betrok hij een woning in de Huidenstraat. Alphons begon zijn loopbaan als kantoorklerk. En hij was communist.

Het geloof der kameraden

Alphons Bobrownitzki was er al vroeg bij. In 1909 scheidde de SDP van David Wijnkoop zich af van de SDAP van Pieter Jelle Troelstra. Volgens Wijnkoop verkwanselde de grote broer de beginselen van Marx, Troelsta had vooral moeite met de militante toon die in De Tribune werd aangeslagen, het lijfblad van de marxisten binnen de partij. Op het partijcongres in Deventer kwam het tot een breuk tussen de sociaaldemocraten en de Tribunisten, die onlangs nog meeslepend is beschreven door Herman de Liagre Böhl in zijn biografie van Floor Wibaut. Lieden als Herman Gorter en Willem van Ravesteyn verlieten de partij. De SDP telde in den beginne rond de vijfhonderd leden, vooral gesitueerd in Amsterdam.
Bobrownitzki publiceerde in 1918 onder het pseudoniem A. Neuhaus, de familienaam is die van zijn grootmoeder van vaders kant, artikelen in De Tribune, waarin hij de kersverse revolutie van de Bolsjewisten in Rusland prees om haar “ijzeren vuist, een ijzeren wil en ijzeren zenuwen.” Hij was kind aan huis bij David Wijnkoop en een prominent lid dat gulhartig bijdroeg aan de partijkas. In de redactie van De Tribune zat ook Gerard Reve sr., communist van het eerste uur, die tijdens en na de Eerste Wereldoorlog met etser-schilder Johannes Proost (1882-1942) opruiend materiaal naar Duitsland smokkelde, om de arbeidersklasse aldaar een hart onder de riem te steken. Het huis van de Reves aan de Jozef Israëlkade was waarlijk “een gevechtspost in de strijd van het internationale proletariaat”, zoals zijn jongste zoon jaren later met enig dedain zou opmerken.

De ondergang van de familie Bobrownitzki

Om de hoek, in de Topaasstraat, woonde de familie Bobrownitzki. Kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was Alphons Bobrownitzki gedwongen zijn riante leven in Enschede op te geven, waar hij als onderdirecteur van de Twentsche Overzee Handel Maatschappij een aanzienlijke positie had opgebouwd. Hij verruilde de villa voor een bescheiden bovenwoning in de Diamantbuurt van Amsterdam-Zuid. Zoon Alphons, die vanwege zijn problematische gedrag uithuizig was geplaatst, kon het zijn vader maar moeilijk vergeven. “Toen werd nadat we een leuk jaar in Enschede hadden doorgebracht mijn vader ziek. Wat hij kreeg doet er hier op ’t ogenblik niet toe,” schreef hij in een therapeutisch opstel dat zijn woedeaanvallen moest verklaren. De verlammingsverschijnselen waaraan Alphons Bobrownitzki leed,  duiden op tertiaire syfilis. Kort na de Duitse inval, in juni 1940, dreigde arrestatie, wellicht vanwege het communistische verleden van Bobrownitzki. Zelfs de SD ging het te ver om een verlamde Jood te arresteren. Drie jaar later, na de ontruiming van het Apeldoornsche Bos, een instelling van Joodse geesteszieken, hield Alphons Bobrownitzki het voor gezien. Onder de gedeporteerden bevond zich zijn zwakbegaafde zoon Otto. Zijn echtgenote en recalcitrante eersteling waren al een jaar eerder naar Polen afgevoerd. Op zijn onderduikadres had Bobrownitzki genoeg barbituraten verzameld om een einde aan zijn leven te kunnen maken. Alex Wins, de goochelaar in de novelle van Gerard Reve, bericht over zijn dood in een brief aan Jan Romein. “Dat de stumper geen moed meer had en toen hij veronal in handen kon krijgen, maar een beetje veel heeft genomen, is begrijpelijk. Hij is kalm ingeslapen. Hij was omstreeks 50 jaar. De laatste jaren woonde hij slechts enkele huizen van mij verwijderd. Hij was een intelligente en sympathieke baas. Geestelijk was hij volkomen goed. Lichamelijk al jarenlang een wrak.”

De ondergang van de familie Boslowits

Adriaan Morriën, hoofdredacteur van Criterium, beschouwde De ondergang van de familie Boslowits als een “godsgeschenk”, Jaap Meijer prees de herdruk van 1950 door De Bezige Bij aan als: “Een voorrecht zo te kunnen schrijven. Een marteling, dit leed nog eens te doorleven.” Het talent van Gerard Reve werd onmiddellijk erkend. Alleen Ger Harmsen bespeurde als recensent voor De waarheid in het werkje “de minachting van de schrijver voor zijn medemensen in het cynisme, dat hij hanteert.” Reve debuteerde toen hij nog in het aanbreken van het morgenrood geloofde. Hij verdedigde de showprocessen die in de jaren dertig in de Sovjet-Unie hadden plaatsgevonden en prees het procommunistische Wereldvredescongres in Parijs van 1949. Ook fulmineerde hij als verslaggever van Het Parool tegen het antisemitisme dat na de bevrijding weer de kop opstak. “Er zijn dingen die een Nederlander niet verdraagt, uit verdraagzaamheid,” citeerde hij Jan Romein met instemming. In het najaar van 1949 keerde hij de “valse leer” van de “bultenaren, horrelvoeten, astma- en teringlijders, bezetenen en querulanten” echter de rug toe. Igor Cornelissen schetst in zijn boekje van nauwelijks 80 bladzijden de tragiek van die communistische broedermoord. Maar wat vooral beklijft van Wie was Hans Boslowits? Gerard Reves debuut ontrafeld is het plezier van het onderzoek, dat zich uitstrekt tot de burelen van de AIVD, en de vastberadenheid waarmee Cornelissen Alphons Bobrownitzki aan de vergetelheid heeft ontrukt. Wie was Hans Boslowits? Gerard Reves debuut ontrafeld is een pareltje in De parelduikerreeks.

Hans Boslowits? Gerard Reves debuut ontrafeld
Igor Cornelissen
Uitgeverij Bas Lubberhuizen
ISBN 9789059373822
Verschenen maart 2014

Bestelinformatie

Bestel hier als paperback bij bol.com (€ 14,95)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here