Louis Lehmann. Een leven en werk in vrijheid en ruimte

Door de literaire wereld werd Louis Lehmann betiteld als een homo universalis. Behalve dichter was hij immers ook danser, beeldend kunstenaar, surrealist, jurist, vertaler, recensent en componist.  Dichter wilde hij zelf nadrukkelijk niet zijn. En de baan die hij op een gegeven moment had, beschouwde hij als een ‘non-baan’. Dichten was geen vak. Maar dichter bleef hij, tegen wil en dank. Jaap van der Bent bracht dit caleidoscopisch leven van een ‘multitalent’ – en tegelijk ‘een zeer complex figuur’ – nauwgezet in kaart. In de ‘Proloog’ van zijn biografie belooft hij ‘de lezer vrijwel niets [te onthouden] van wat geweten kan worden’.

Vrij en associatief

Als Rotterdams kind groeide Louis Theodorus Lehmann (1920-2012) op tussen een bezitterige moeder en een zeevarende, uithuizige vader. De jazz kwam al vroeg op zijn pad en na het behalen van zijn HBS-diploma besloot hij per fiets de wereld te verkennen. Dat bracht hem in 1938 in Amsterdam, waar hij een tentoonstelling bezocht over het surrealisme. Als er iets was dat zijn karakter al vroeg kenmerkte was het dat fantasierijke, vrije en associatieve. Het was een ontdekking die hem nooit meer zou loslaten.

Als achttienjarige greep Louis de pen en een schrijfblok. Een roman wilde hij schrijven, maar ook poëzie. Al snel zocht hij zijn weg richting de vooroorlogse literaire tijdschriften. Met succes, zijn werk maakte direct grote indruk. Toen hij een jaar later publiceerde in Groot Nederland werd de opzienbarende jonge dichter zelfs vergeleken met Rimbaud. Zijn contacten met literaire grootheden als Jan Greshoff, Adriaan van der Veen en Ed. Hoornik hielpen hem verder op weg. De laatste werd zijn redacteur, waardoor zijn eerste bundel Dag- en nachtlawaai (1940) zou verschijnen in de Helikon-reeks van uitgever A.A.M. Stols. Het was echter net iets eerder dat hij officieel debuteerde in De Vrije Bladen met de bundel Subjectieve reportage (1940).Speels en sierlijk stuurde hij in het openingsgedicht  ‘Signature Tune’ zijn fiets de Nederlandse poëzie binnen: Rijdt u maar aangenaam door mijn geschriften, / mijn fiets is de getuige van mijn driften. Lehmanns werk kende een goede ontvangst. ‘[Het] zou van slecht-horendheid getuigen, wanneer men niet in vele van deze gedichten getroffen werd door een stem die weliswaar vaak kolder praat, maar niettemin een stem is, een dichterlijk geluid,’ schreef de Nieuwe Rotterdamse Courant toen al een jaar later de bundel Schrijlings op den horizon (1941) verscheen.

Surrealistische ontmoetingen

In de oorlogsjaren die kort daarop volgden leefde Lehmann zich uit in surrealistische ontmoetingen, waaronder de vriendschap met de fotograaf en filmer Emiel van Moerkerken. In Utrecht raakte hij bevriend met Gertrude Pape en Theo van Baaren, en werd hij medewerker van De Schone Zakdoek, het roemruchte tijdschrift in één exemplaar. Diverse verhuizingen voerden hem ondertussen van Utrecht naar Amsterdam en Leiden, waar hij naast literaire vrienden als de excentrieke Gerard Goudriaan ook nieuwe vriendinnen op zijn pad vond. Na een bezoek aan Dordrecht raakte hij ook bevriend met de dichter Kees Buddingh’. Door geregeld bij anderen aan tafel te schuiven – of te feesten – en af en toe te publiceren kon hij enigszins voorzien in zijn levensonderhoud. Een korte baan bij Uitgeverij Sijthoff gaf hem echter geen voldoening en ook in de vriendschappen kwam herhaaldelijk de klad.

Na de oorlog wilde Louis Lehmann zich verder ‘inburgeren bij de studenten’ in Leiden. Aanvankelijk koos hij voor de rechtenstudie, maar achteraf had hij liever voor archeologie gekozen. Zijn Leidse studententijd zou later de voedingsbodem blijken voor zijn roman Tussen Medemblik en Hippolythushoef (1964). Van schrijven kwam het nauwelijks, al doken er wel gedichten op in Libertinage. Daarnaast verschenen zijn vertalingen van enkele Franse romans en publiceerde Stols in 1947 zijn Verzamelde gedichten.  Een opmerkelijke titel voor een zeventwintigjarige dichter die vol in het leven stond.

Pestwerk

Na zijn afstuderen bleek voor Lehmann als jurist geen toekomst weggelegd. Zijn zoektocht naar werk deed hem enige tijd bij het Rotterdamse reclamebureau Lintas belanden. Maar alleen het opdoen van nieuwe contacten, zoals in 1953 in Parijs, maakte voor hem het leven de moeite waard. Er moest echter wel brood op de plank komen. In de periode dat hij werkte aan zijn roman De pauwenhoedster (1954), schreef hij ook talloze recensies over buitenlandse literatuur voor Litterair Paspoort. Hij beschouwde het als ‘pestwerk’ dat hij zuiver deed om het geld.

In de jaren vijftig begon Lehmann aan de studie Klassieke Talen als voorbereiding op Prehistorische Archeologie. Maar met ‘het échte werk’ kwam hij pas in aanraking toen hij ook opgravingen kon gaan doen, een bezigheid die vanaf dat moment ook voorkwam in zijn gedichten – allereerst in de bundel Een steen voor Hermes (1962) – zoals in het gedicht ‘Lucaans graf in Paestum’:

Door houweel en schop zijn landschap en tijd
horizontaal verdeeld; boven
zijn de schrale weiden, de koeien
etend van tomatenafval,
de mannen met motorfietsen,
de autoweg en spoorbaan.

Vondsten

Na de eerste opgravingen in Nederland zou Lehmann op talloze plaatsen in de wereld – en vooral in Engeland – in het veldwerk actief blijven. Zo nam hij drie zomers achtereen deel aan opgravingen in Avebury. Naast de archeologische vondsten waren het daar ook de vrouwen die hem trokken. Lehmanns erkenning als archeoloog liet echter nog lang op zich wachten. Als doctorandus in de Culturele Prehistorie lukte het hem, ondanks diverse wetenschappelijke publicaties, in de jaren daarna niet een bevredigende betrekking te vinden. Ofschoon hij lang werkte voor de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), was het geen baan die hij ambieerde. Wat huisvesting betreft stelde hij zich met weinig tevreden. Op sommige adressen in Amsterdam bleef zijn kamer zelfs verstoken van elektrisch licht en stromend water. Financieel was het dan ook bepaald geen vetpot. Door tien jaar lang in psychoanalyse te gaan had hij de ijdele hoop als mens beter te kunnen functioneren en geaccepteerd te worden. De situatie waarin hij verkeerde had hij jaren eerder al eens opgetekend in het gedicht ‘interieur’:

Dat ’t bestaan leeg is geloof ik graag,
ik kijk om mij heen, ’t hok waar ik woon
is leeg inderdaad, geen van de naden
waar de wind doorjaagt, heb ik gedicht,
genoeg meubels tot zitten, ik lig
in een bed, maar stofferen, ho maar,
geen schilderijen, geen kleed, geen vrouw.

Die vrouw was ondertussen wel in zijn leven gekomen in de persoon van Alida Beekhuis, met wie hij heel lang een relatie op enige afstand onderhield, totdat ze uiteindelijk in 2000 met elkaar trouwden.

Geen dichter meer

Achteraf gezien heeft Louis Lehmann zijn bekendheid als dichter vooral te danken gehad aan het feit dat hij vanaf begin jaren zestig besloot geen poëzie meer te publiceren. Who’s who in Whatland (1962), waarvoor hij in 1964 de Jan Campert Prijs ontving, zou lang zijn laatste bundel blijven. Toch verschenen nadien nog zo’n dertig gedichten in de tijdschriften Barbarber en Avenue. Maar opname van zijn poëzie in bloemlezingen blokkeerde hij hartgrondig, dat gold ook voor de omvangrijke anthologie van Gerrit Komrij. ‘Gij zult niet bloemlezen’, luidde Lehmanns credo. Wel maakte hij kennis met internationale dichters tijdens diverse poëziefestivals. De vriendschap met de even veelzijdige Libby Houston die daaruit voortvloeide, leidde ertoe dat Lehmann haar in 1973 introduceerde op het Rotterdamse Poetry International. Dat poetry – vooral naast jazz – goed op een podium paste, bleek ook tijdens Lehmanns optreden tijdens ‘Poëzie in Carré’, in februari 1966, waarbij behalve de voordracht ook zijn harmonicaspel nadrukkelijk opviel.

Uitreiking van de Jan Campertprijs 1964. Van links naar rechts Abel J. Herzberg, burgermeester Kolfschoten, Gertie Evenhuis, C.J.E Dinaux en Louis Lehmann

Scheepsarcheoloog

Het feit dat Lehmann in zijn professionele, wetenschappelijke loopbaan zichzelf als niet geslaagd beschouwde, vormde er de aanleiding toe dat hij vriendschappen verbrak, zoals lange tijd het geval was met het gearriveerde echtpaar Theo van Baaren en Gertrude Pape. Toch maakte hij halverwege de jaren zeventig internationaal naam binnen de archeologische wereld dankzij zijn betrokkenheid bij opgravingen van een Romeinse platbodem in het Gelderse Druten. Het leidde onder andere tot de publicatie Galleys in the Netherlands (1984). Zijn reputatie als scheepsarcheoloog groeide verder uit toen hij in 1995, op vijfenzeventigjarige leeftijd, alsnog promoveerde. Vanaf dat moment besloot hij zich ook weer te melden bij uitgeverij De Bezige Bij met het door hem zelf samengestelde manuscript van Vluchtige steden (en zo). Veel eerder al hadden C. Buddingh’ en uitgever Laurens van Krevelen hem weten te verleiden tot medewerking aan de bloemlezing De Schone Zakdoek 1941-1944 (1981). Door zijn vriendschap met Wim Noordhoek was Lehmann vanaf de jaren tachtig ook een graag geziene en gehoorde gast geworden op de VPRO-radio, zoals in het programma Music-Hall. Ook klom hij af en toe weer op een poëziepodium. In Amsterdam was hij als eminent dichter zijdelings betrokken geraakt bij de kraakbeweging, waaruit ook de vriendschap met Diana Ozon ontstond. Door de publicatie van een Lehmann-gedicht in de door haar samengestelde Zebrakrant was de dichter weer geruisloos opgestaan, zonder dat iemand er erg in had.

Lehmann-revival

De door Tom van Deel samengestelde verzamelbundel Gedichten 1939-1998 (2000) vormde de aanleiding voor een ware Lehmann-revival. Drie jaar later verscheen de bundel Toeschouw (2003), in de jaren daarna gevolgd door bundels met ‘teruggevonden’ werk als Bescheiden kunsten (2008), Laden ledigen (2008) en Schoon schip (2010). Daarnaast zouden in de loop der jaren nog diverse kleine publicaties verschijnen, deels in eigen beheer gepubliceerd door Alida Beekhuis onder het imprint Gouden Reaal. Ook Lehmanns stem – die in 1961 al samen met die van Buddingh’ was samengebracht op een 45-toeren EP-tje in de reeks ‘Stemmen van schrijvers’ – werd vastgelegd, onder andere op de CD Nevelglans (2005).

In de laatste jaren van zijn leven maakte Louis Lehmann nog diverse reizen en was hij nog geregeld aanwezig bij culturele manifestaties. Toen in 2010 zijn negentigste verjaardag werd gevierd kon hij daar echter zelf geen woord meer aan bijdragen. Zijn laatste gedicht had hij een jaar eerder al geschreven. Terwijl hem bij die gelegenheid vanwege ‘de kwaliteit en de eigenzinnigheid van zijn literaire oeuvre’ een jaarlijks eregeld werd toegekend, verzuchtte iemand: ‘Waarom nu pas?’ Remco Campert zat naast hem en legde een hand op die van Lehmann.

Inmiddels was de dichter zelf gaan lijden aan een vorm van dementie waardoor hij, eenmaal overgebracht naar een verpleeghuis, niet meer kon dan kijken. Volgens Alida Beekhuis keek hij echter zijn ogen uit. Ook toen een Alzheimerpatiënt hagelslag over hem uitstrooide. De dichter die het niet had willen zijn overleed op 23 december 2012.

Vrijheid en ruimte

‘Lehmann wilde dolgraag een normaal bestaan,’ schreef John Schoorl naar aanleiding van een gesprek met Alida Beekhuis in de Volkskrant. ‘Hij droeg niet voor niets altijd een stropdas – maar hij wist dat hij niet geschikt was voor het reguliere burgermansgedoe.’ Met een echte baan had hij tenslotte nooit zo vaak kunnen balletdansen of kunnen tekenen of componeren. Waar het hem in het leven om ging waren vrijheid en ruimte.’ Dezelfde vrijheid en ruimte werd Jaap van der Bent, voormalig docent Amerikaanse letterkunde en gespecialiseerd in de Beat Generation, gegeven om een boeiende biografie te schrijven over een veelzijdig mens. Ik geloof graag dat de biograaf ons weinig onthouden heeft. Aan Beekhuis had hij de ideale schrijversweduwe, die hem voorzag van een vracht aan materiaal en informatie, en hem tegelijk geen stap in de weg zette. Sterker nog, zo bekende ze Schoorl, ze was huiverig ‘om als lastige weduwe te worden beschouwd’.

De uitgevers van AFdH brachten tegelijk met deze uitstekend verzorgde biografie ook een keuze uit de poëzie van Lehmann, samengesteld door Erik Bindervoet en vanzelfsprekend getiteld Gij zult niet bloemlezen.

De dichter die het niet wilde zijn. Leven en werk van Louis Lehmann
Jaap van der Bent
AFdH
ISBN 9789493183070
Verschenen in oktober 2021

Gij zult niet bloemlezen. Een keuze uit de poëzie van Louis Lehmann
Erik Bindervoet (samenstelling)
Afdh
ISBN 9789493183254
Verschenen in december 2021

Bestelinformatie

Bestelinformatie

Bestel als hardcover bij bol.com (€ 45,00)

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 45,00)

Bestel als paperback bij bol.com (€ 25,00)

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als paperback bij Athenaeum Boekhandel (€ 25,00)
Wim Huijser is schrijver-publicist op het snijvlak van literatuur, geschiedenis en landschap. Hij schreef onder andere een biografie van C. Buddingh’, een monografie van Ton Schulten en tientallen boeken over literatuur en wandelen. Daarnaast stelde hij diverse bloemlezingen samen, waaronder een met wandelfragmenten van J.J. Voskuil.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here