Joseph Lister en de kunst van het samenwerken

Joseph Lister in 1855

Misschien was het niet zo slim om midden in de Corona-crisis De kunst van het snijden. Hoe Joseph Lister de geneeskunde voorgoed veranderde te gaan lezen. Deze biografie van Joseph Lister, de Britse ontdekker van antiseptica, bevat namelijk ronduit schokkende details over de ellende die infectieziekten aanrichtten in de negentiende eeuw. Maar het werk van Lindsey Fitzharris laat ook haarscherp zien dat de medische wetenschap alleen vooruitkomt door samenwerking en wederzijds vertrouwen. Dat geeft hoop.

We kunnen ons in West-Europa niet meer goed voorstellen hoeveel pijn en fysiek leed er nog niet zo lang geleden was. Tot de toepassing van de ethernarcose rond 1845 bepaalde de snelheid van de chirurg hoe lang het lijden van een patiënt duurde. In dit ‘tijdperk van het creperen’ konden sommige chirurgen binnen een minuut een been afzetten. Maar dan begon de ellende vaak pas. Zo’n driekwart van de geopereerde patiënten stierf alsnog omdat de wond begon te ontsteken. Vier belangrijke infecties teisterden de ziekenzalen: wondroos (erysipelas), ziekenhuis gangreen, bloedvergiftiging (septikemie) en abcessen met pusvorming (pyemie). Niemand wist hoe die besmettelijke ziekten werden overgebracht. Er was een verlammend debat gaande tussen de contagionisten en anticontagionisten. Contagionisten dachten dat ziekten werden overgebracht van mens op mens, maar hoe dat werkte en wat het medium was, was onbekend. Anticontagionisten geloofden dat ziekte spontaan opkwam uit vuiligheid en materie in ontbinding, en verspreid werd door giftige dampen of ‘miasma’s’. De twee partijen bestreden elkaar vol vuur. Verreweg de meeste ziekenhuischirurgen verwezen naar de verontreinigde lucht in overbevolkte ziekenhuizen als oorzaak van de infecties. Daarom lieten veel rijke patiënten zich liever thuis of in de privépraktijk van een chirurg opereren, waar de lucht schoner was. Maar ook daar werd gebruikt instrumentarium zelden gereinigd en opereerden de chirurgen in schorten bevlekt met bloed en darmweefsel van eerdere patiënten.

Ziekenhuispolitiek

In dit debat mengde Joseph Lister (1827-1912) zich. De verlegen en stotterende jonge Quaker studeerde geneeskunde en chirurgie aan het University College in Londen. Hij viel daar op door zijn bescheiden houding en eenvoudige kleding tussen de luidruchtige, vaak dronken en uitbundig geklede chirurgen in opleiding. Bovendien had hij een betere microscoop dan wie dan ook, gekregen van zijn vader Joseph Jackson Lister, uitvinder van de samengestelde microscoop. Al vroeg publiceerde de jonge Lister over wat hij door zijn lenzen waarnam en illustreerde zijn artikelen met zelfgemaakte illustraties van hoge kwaliteit. Hij won allerlei onderscheidingen, medailles en een studiebeurs.

Zijn carrière bracht hem naar Schotland. In Edinburg leerde zijn docent, chirurg James Syme, hem onder andere hoe je een wond droog kunt verbinden. In 1854 kreeg hij promotie en werd hij ‘huischirurg’ bij Symes in het Royal Infirmary Hospital. Lister kwam graag in Symes gezin en trouwde met zijn dochter Agnes. Hij bleef in Schotland, waar hij in 1861 hoogleraar aan de universiteit van Glasgow werd. In 1869 volgde Lister zijn schoonvader Syme op voor de leerstoel klinisch chirurgie van Edinburg. In 1877 werd hij hoogleraar chirurgie aan King’s College in Londen. Zijn studenten droegen hem op handen omdat hij zo goed college kon geven en omdat hij – vanwege het stotteren – zo langzaam sprak dat ze de tijd hadden om aantekeningen te maken. Ook lukte het Lister vaak om de precaire samenwerking tussen het ziekenhuis en de academie in goede banen te leiden. Dat ging allemaal niet vanzelf. Fitzharris wijdt flink uit over venijnige ruzies tussen chirurgen, wetenschappers en ziekenhuisbestuurders. Haat en nijd verhinderden de noodzakelijke samenwerking. Treffend schrijft ze:

‘Dat hij [John Eric Erichsen] in 1850 op 32-jarige leeftijd werd benoemd tot hoogleraar chirurgie maakt zijn oudere collega Richard Quain zo razend dat hij vijftien jaar lang weigerde met Erichsen te praten. Zo tijdloos is de ziekenhuispolitiek.’

Fenol

Lister werd weliswaar opgeleid door de anticontagionist Erichsen, maar deed zelfstandig onderzoek met zijn microscoop naar de pus die hij uit ontstoken wonden had gehaald. Hij zag ‘lichamen van een min of meer uniforme grootte’ en beeldde zich in dat dit de zieke substanties zouden kunnen zijn, die volgens de contagionisten voor ontstekingen zorgde. Toch geloofde hij nog steeds in ‘miasma’s’. Vandaar zijn nadruk op reinheid, gestoeld op zijn overtuiging dat uitbraken van ziekenhuisinfecties door de giftige atmosfeer op de ziekenzalen werden veroorzaakt. Er waren weliswaar al artsen die dachten dat ziekte kon worden voorkomen door strenge hygiëneregels, maar zij hadden nog niet veel invloed. Fitzharris beschrijft het schrijnende geval van de Hongaar Ignaz Semmelweis, die in Wenen het raadsel van de kraamvrouwenkoorts oploste door artsen en vroedvrouwen hun handen te laten wassen met chloorhoudend water. Hij stierf, onbegrepen, in een psychiatrische inrichting.

Joseph Lister aan het werk met fenol

Dé oplossing kwam uiteindelijk niet van een arts, maar van de scheikundige Louis Pasteur. Lister werd gewezen op de publicaties van Pasteur over gistvorming en de ontbinding van organisch materiaal en begon, met behulp van zijn vrouw Agnes, de experimenten van de Franse wetenschapper in zijn huislaboratorium te herhalen. Hij raakte overtuigd van de theorie van de ‘ziektekiemen’. In 1865 begon hij te zoeken naar het beste middel om de microben te bestrijden en vond dat in fenol oftewel carbolzuur. In augustus van 1865 lukte het hem voor het eerst om de ‘vuile’ wond van een verbrijzeld onderbeen te reinigen met carbolzuur. Na zes weken wandelde de elfjarige James Greenlees genezen het ziekenhuis uit.

Een mes in de koningin

Na Listers eerste geslaagde ingreep duurde het nog vele jaren voordat de medische wereld unaniem de theorie van de ziektekiemen aanvaardde en antiseptisch ging werken. Duitsland en Frankrijk liepen daarin voorop. In Engeland werd het vertrouwen in Listers methoden versterkt nadat hij in 1871 koningin Victoria succesvol van een abces verloste. Lister bleef onderzoek doen naar wondinfecties en bloedstolling. Hij ontwikkelde onder andere een nieuwe antiseptische manier van hechten met catgut, hechtdraad uit schapendarm.

Wat mij trof is dat Fitzharris naast het medische en wetenschappelijke vernuft van Lister ook zijn bedside manners roemt. Niet alleen zijn rijke privé-patiënten benaderde hij met een indertijd ongebruikelijke empathie, maar ook de arme, vaak analfabete patiënten en vooral kinderen. Waar collega’s, afgestompt door de ellende bij patiënten, een zakelijke, technische houding aannamen, instrueerde Lister zijn studenten om niet van een ‘casus’ te spreken, maar noemde patiënten ‘deze arme man’ of ‘deze goede vrouw’. Hij liet het afschrikwekkende chirurgische instrumentarium afdekken met doeken. Zijn gouden regel: ‘Elke patiënt, zelfs de meest ontaarde, moet met dezelfde zorg en achting worden behandeld als ware hij de prins van Wales zelve.’ Hij stierf in 1912, geridderd en gelauwerd met vrijwel alle (internationale) medische onderscheidingen. Zijn naam leeft voort in Listerine, het antiseptische mondwater dat in bijna alle badkamers staat. 

Joseph Lister begroet Louis Pasteur tijdens de viering van diens 70ste verjaardag in 1892 aan de Sorbonne

Mentoren

De kunst van het snijden van medisch historicus Lindsey Fitzharris biedt een prachtig tijdsbeeld. Ze neemt de lezers mee naar de gruwelijke realiteit van de 19e-eeuwse snijzalen, anatomische theaters en ziekenhuizen en de gore leefomstandigheden van arme Londenaren tijdens een cholera-uitbraak. Ze schrijft ook enthousiast over de fraaie inrichting van Listers privé kabinet met preparaten en de wonderen der wetenschap die in het Crystal Palace op de Wereld Tentoonstelling in 1851 te zien waren.

Dankzij de gedetailleerde casusbesprekingen in Listers artikelen en vooral dankzij de vele brieven van Lister aan zijn vader (tegen zijn wens in bewaard door zijn neef) kon Fitzharris van Lister een man van vlees en bloed maken. Het past misschien in de negentiende-eeuwse biografische traditie dat zij eigenlijk niets negatiefs over zijn karakter schrijft. Als lezer kun je alleen maar meegaan in haar bewondering voor Listers nieuwsgierigheid, bescheidenheid, doorzettingsvermogen en vooral zijn onvoorstelbare moed. Hij durfde het bijvoorbeeld aan een borstamputatie uit te voeren op zijn geliefde zuster, op zijn eigen eettafel. Op de slotpagina’s schrijft zij:

‘Lister geloofde ten onrechte dat zijn eigen verhaal weinig te maken had met zijn wetenschappelijke en chirurgische prestaties. Ideeën komen nooit in een vacuüm tot stand, een waarheid die door Listers levensverhaal wordt onderschreven. Vanaf het moment dat hij door de lens van zijn microscoop van zijn vader keek, tot op de dag dat hij door koningin Victoria geridderd werd, werd zijn leven gevormd en beïnvloed door de omstandigheden en de mensen om hem heen.’

Het is een goede keuze geweest van Fitzharris om veel aandacht te besteden aan Listers mentoren. Microscoopmaker Joseph Jackson, universitair docent William Sharpey en chirurg James Syme uit Glasgow legden de basis voor zijn wetenschappelijke attitude. Het was vooral Louis Pasteur, de wetenschapper die ontdekte dat gist een levend organisme is, die Lister de sleutel aanreikte waarmee hij het raadsel van wondinfecties kon ontsluiten. De kunst van het snijden gaat uiteindelijk niet over virtuoze chirurgie, maar over de kunst van goed onderwijs en respectvolle samenwerking

De kunst van het snijden. Hoe Joseph Lister de geneeskunde voorgoed veranderde
Lindsey Fitzharris,
Uitgeverij Unieboek, Het Spectrum
ISBN 9789000350889
Verschenen in januari 2018

Bestelinformatie

Bestel als paperback bij bol.com (€ 24,95)
Bestel als ebook bij bol.com (€ 12,99)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here