Het plezier van de Andriessens

© Ddominykas

‘We hebben drie maanden lang vooral veel gepokerd, veel whiskey gedronken en hij heeft me ook leren sjekkies draaien’. Zo typeerde componist David Dramm in het radioprogramma Kunststof de lessen die hij in 1987 op Yale had van Louis Andriessen. Paradoxaal genoeg bracht Andriessen hem bij dat een componist alleen kan excelleren met discipline en structuur – componeer in de ochtend, houd je werkomgeving opgeruimd, onderschat nooit het belang van een goed gummetje.

Plezier en arbeidsethos; het is geheel in overeenstemming met het beeld dat overblijft van De Andriessens: Een kleurrijke familie van muzikanten en kunstenaars. De schrijver, Agnes van der Horst, is freelance muziekjournalist. Ze is onder meer programmamaker bij de NTR; zo maakte ze eind 2011 nog een lange radiodocumentaire over Simeon ten Holt.

Het was eigenlijk wel weer eens tijd voor iets over de Andriessens en een omvattend werk dat alle artistieke telgen van de familie in kaart bracht was er nog niet. Ook het moment van uitgave is goed gekozen; op 3 november gaat een nieuwe compositie van Louis Andriessen in première ter gelegenheid van het 125-jarig jubileum van het Amsterdamse Concertgebouw. De publicatie is tot stand gekomen met een subsidie van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Het idee kwam van Jan Oegema.

De verantwoording die Van der Horst vooraf schrijft is rechttoe rechtaan: ‘Er zijn vier bekende Andriessens: de componisten Hendrik, Jurriaan en Louis, en de beeldhouwer Mari. Maar zij zijn lang niet de enige kunstenaars in de familie. Verspreid over verschillende generaties Andriessen komen in de familie diverse componisten, beeldend kunstenaars, musici en schrijvers voor. Dat roept de vraag op, hoe zoiets kan. Om op die vraag een antwoord te krijgen, hebben we het beeld van de hele familie nodig. ‘

De Andriessens gaat niet uitgebreid in op de muziek. Wel worden alle belangrijke werken genoemd en geplaatst in hun context; de voetnoten zijn hier erg handig. Van der Horst begint met als uitgangspunt componist en pater familias Hendrik Andriessen (1892-1981). Dan blijkt dat de artistieke inslag al generaties aanwezig was. Hendrik is de zoon van organist en componist Nico Andriessen en schilder Gezina Vester op haar beurt dochter van schilder Willem Vester.

Het is aardig om te lezen dat Hendrik twijfelt of hij wel goed genoeg is om de muziek in te gaan, met een vader die een Haarlemse orgelgrootheid is en oudere broer Willem en zus Cilia die al worden opgeleid tot musici. Zijn vader vindt dat hij maar journalist moet worden. Dus begint hij bij de krant, maar na enkele jaren trekt de muziek steeds meer. Na het overlijden van zijn vader in 1913 volgt Hendrik hem op als organist van de Haarlemse St. Josephkerk en gaat alsnog naar het conservatorium.

Hendrik trouwt met pianiste Tine Anschütz. Hendrik is een serieuze katholiek; zij is een protestantse die omwille van het huwelijk van kerk verandert. Opmerkelijk is, dat Hendrik zijn oudste kinderen wat rigoureuzer lijkt te hebben gestuurd dan de jongere. Gesina (1920-2011) werd zangeres en komt in het boek verder amper aan bod: haar kinderen zeggen dat ze te nerveus was om les te geven. Heleen (1921-2000) wilde pianiste worden, ‘maar Hendrik vond dat er al genoeg pianisten waren en besliste dat ze maar fluit moest gaan spelen.’ Aldus geschiedde. Nico (1923-1996) wil graag musicus worden en speelt uitstekend piano, maar zijn vader ziet er niks in; Nico wordt architect.

Dan komt Jurriaan (1925-1996). Jurriaan mag van zijn vader wél pianist worden, maar hij wil méér; hij wil componeren. Hij moet een behoorlijke boef en charmeur zijn geweest en barstend van het talent. De indruk ontstaat dat Hendrik er weinig grip op heeft en daarom de teugels maar viert. Vervolgens komt Caecilia (1931), die na een kort avontuur op de toneelschool ook piano mag studeren op het conservatorium. Nakomer Louis (1939) lijkt te profiteren van een mildere vader en een sloot oudere broers en zussen aan wie hij zich optrekt.

Het is een vrolijke boel bij de Andriessens; de inspiratie komt van Charles Dickens, waar Hendrik zeer aan verknocht is. Soms krijgen de anekdotes karikaturale trekjes: de familie brengt de hongerwinter door avond aan avond bijelkaar gepakt in de woonkamer bij het licht van een stompje kaars voorlezend uit Dickens’ The Pickwick Papers. De Andriessens hebben het echter vanwege hun principiële houding niet makkelijk in de oorlog; Hendrik wordt net als zijn broer Willem zelfs een tijd geïnterneerd. Humor is even onontbeerlijk als een rechte rug; in zijn brieven klaagt Hendrik over het groepje volksliedliefhebbers dat ‘volkszang pleegt’.

De enige wrijving binnen de familie die langere tijd lijkt te bestaan, is een ‘muzikaal meningsverschil’ tussen Jurriaan en Louis. Jurriaan, nu veel minder bekend dan zijn jongere broer, is een bijzonder intrigerende persoonlijkheid, over wie je graag meer zou lezen. Hij lijkt in eerste instantie de meeste erkenning te krijgen; hij vertrekt met een beurs naar de Verenigde Staten en is met afstand de meest productieve componist van de familie. Jurriaan komt er tot bloei; hij ontmoet Igor Stravinsky en Leonard Bernstein en zijn werk krijgt lyrische kritieken. Hij kan echter geen nieuw visum krijgen in 1951 en daarmee is zijn Amerikaanse avontuur ten einde; hij keert terug naar Nederland. Het moet een hevige teleurstelling zijn geweest en het duurt een paar jaar voor hij weer is geacclimatiseerd. In 1954 wordt hij de vaste componist van de Haagse Comedie, hij trouwt en ontpopt zich tot een toegewijde vader. Op het eerste gezicht lijkt alles dus prima te gaan, maar onderweg moet er toch iets geknakt zijn. Van der Horst: ‘Van zwierige jongeman, een globetrotter die zich overal thuis voelde, wordt hij iemand die het liefst thuis zit.’

Tegen de tijd dat Louis, een slordige veertien jaar jonger dan Jurriaan, naar het Haagse Koninklijk Conservatorium gaat, hebben seriële en atonale muziek voet aan de grond gekregen. Hij ontmoet er Reinbert de Leeuw, Mischa Mengelberg, Jan van Vlijmen, Peter Schat. Een groep zeer getalenteerde jonge honden voor wie muzikaal iconoclasme en politieke scherpslijperij hand in hand gaan. Broers Louis en Jurriaan blijken zo halverwege de jaren zestig ineens tot verschillende kampen in de muzikale revolutie te horen. Over de uitwerking van deze ‘strijd’ op de familie is verrassend weinig terug te vinden in het boek, terwijl er toch meer dan eens wordt gehint op de grote impact die het heeft gehad, met name op Jurriaan.

Dit boek is een aardige kennismaking met de familie, maar graaft niet dieper. Dat is duidelijk ook niet de bedoeling. Toch zijn er veel familieleden over wie je meer zou willen lezen, terwijl de aandacht toch meestal gericht is op Hendrik of Louis. Jurriaans geval is het meest intrigerend, maar in tweede instantie valt op dat zijn moeder, Hendriks vrouw Tine, ook een cruciale rol heeft gespeeld. Tine is degene die als pianiste met een conservatoriumopleiding de kinderen de muzikale basis bijbrengt. Zij zorgt dat het huis een zoete inval is voor vrienden en musici, terwijl Hendrik zich professioneel kan ontwikkelen. Zij ziet begin jaren vijftig dat haar jongste dochter, Caecilia, op vrouwen valt en reageert daar zowel onbekommerd als adequaat op. Met Hendrik bespreekt ze dit soort zaken niet; net zoals ze later als hij ziek thuis moet blijven tegen hem zegt dat ze naar de kerk is geweest terwijl ze een fietstocht heeft gemaakt. Na haar overlijden raken de overige familieleden meer van elkaar verwijderd.

Van der Horst wilde achterhalen hoe al die talenten zo dicht op elkaar hebben kunnen floreren, en komt tot de conclusie dat het neerkomt op aanleg, discipline en een warm nest. Aan het einde van het laatste hoofdstuk van De Andriessens schrijft ze: ‘Louis Andriessen heeft wel eens gezegd dat als zijn vader een heel goede timmerman was geweest, hij vast ook een heel goede timmerman geworden zou zijn.’ Dat is vermoedelijk de spijker op zijn kop. Het is ook wat onbevredigend, want geluk is saai. Het is interessanter lezen over iemand wiens artistieke vonk uit een psychische aandoening of persoonlijk drama voortkomt. Natuurlijk, niets menselijks in de Andriessens vreemd – maar zij gaan luchtig om met ellende en spanningen, of negeren het. Meer dan eens is te lezen dat Hendrik conflicten in zijn gezin simpelweg niet verdraagt; ‘[er wordt] niet gepraat over persoonlijke gevoelens en problemen en al helemaal niet over conflicten.’

Dat gebrek aan drama in het boek heeft echter nog een oorzaak: de familie is al generaties gewend aan enige mate van publieke aandacht; daar hoort een goed ontwikkeld gevoel voor decorum bij. Het is geen toeval dat de schaduwzijdes van het bestaan als Andriessen-telg voornamelijk – doch zeer beschaafd – worden benoemd door neven en nichten die een alledaagser bestaan hebben. De meeste anekdotes, ongetwijfeld voor een belangrijk deel afkomstig van Louis en Caecilia, met wie Van der Horst uitgebreid contact heeft gehad, hebben een vrolijke ondertoon.

Het boek heeft een mooi dwarsomslag met een foto van Louis en Caecilia, zo te zien midden in de uitvoering van een tegendraads stuk. Caecilia zit achter de piano en tikt net een triangel aan, Louis staat erbij te zwaaien – misschien wel te dirigeren, met een grote grijns op zijn gezicht.

De stijl van Van der Horst is niet altijd even elegant maar helder en doelmatig. De persoonlijkheid van de schrijver spat niet van de pagina’s af en dat is een verdienste, omdat ze uit zo’n mooie verzameling anekdotes en hilarische citaten put. Achterin het boek is een beknopte (maar toch negen bladzijdes tellende) lijst van belangrijke composities opgenomen.

Een goede introductie, die de lezer doet hongeren naar een lijvige Andriessen Almanak.

De Andriessens. Een kleurrijke familie van muzikanten en kunstenaars
Agnes van der Horst
Uitgeverij Lias
ISBN 9789088030208
Verschenen februari 2013

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here