Herman Teirlinck, zijn lied van schijn en wezen

Herman Teirlinck biografie

In Ge zijt zoveel mensen geweest. Herman Teirlinck 1879-1967 schetst Stefan van den Bossche het portret van een multitalent dat al vroeg wist wat hij wilde worden: schrijver. Vader Isidoor was met zijn zwager Reimond Stijns onder andere de auteur van de antiklerikale roman Arm Vlaanderen (1884) en introduceerde zoonlief, op dat moment nauwelijks zeventien, in het prestigieuze literaire genootschap De distel. Daar maakte Teirlinck kennis met nestors als Leonard Buyst, maar hij ontmoette er ook August Vermeylen (1872-1945), die uit onvrede met de behoudzucht van de oudere garde Van nu en straks oprichtte, het tijdschrift dat de Vlaamse letteren voorgoed zou veranderen. Deze lijvige biografie (wat heet, inclusief het notenapparaat 800 bladzijden!) is een must voor wie vindt dat de Nederlandse literatuur niet ophoudt bij de grenspaal van Baarle-Nassau.

Brussel 1900 Gare du Nord
Brussel 1900: Gare du Nord

Herman Teirlinck en zijn writers’ goldmine

Herman Teirlinck wordt op 24 februari 1879 geboren in het zwaar geïndustrialiseerde Sint-Jans-Molenbeek, toen een “voorgeborchte van de hoofdstad”, tegenwoordig een broeinest van het internationale terrorisme. Een groot deel van zijn jeugd brengt hij vanwege zijn zwakke gezondheid door in Zegelsem, in het hart van de Vlaamse Ardennen. Die tweespalt tussen stad en platteland is een constante in zijn werk. Teirlinck debuteert met rustieke novellen, gebundeld in Landelijke historiën (1901) en De wondere wereld (1902). Het ivoren aapje (1909) en Johan Doxa (1917) zijn de grote-stadsromans over Brussel tijdens het fin-de siècle. In zijn latere ‘vitalistische’ werk – Maria Speermalie (1940), Rolande met de bles (1944) – keert hij terug naar de landelijkheid van Oost-Vlaanderen en het Zoniënwoud, al heeft het pastorale dan allang plaatsgemaakt voor de ‘amorele natuurmens’ die niet wars is van een perfide Blut-und-Bodenmystiek, een heikel thema in de heersende tijdsgeest. Teirlincks’ jeugd is een writers’ goldmine: “Na alles wat ik heb kunnen schrijven, alles haast, heb ik geput aan beeldingen en associaties, die ik in die kinderjaren heb vergaard.”

August Vermeylen

Vernieuwer

Herman Teirlinck is achttien wanneer hij toetreedt tot de redactie van Van nu en straks en onder zijn hoede wordt genomen door August Vermeylen. Het avant-garde tijdschrift wil over de landsgrenzen heen kijken, en een brug slaan naar het Franse symbolisme en de Tachtigers in Nederland (Lodewijk van Deyssel is een graag geziene gast in Brussel). Ook die vernieuwingsdrang is een constante in het oeuvre van Teirlinck. Wanneer hij in 1905 met zijn vrouw Mathilde naar Linkebeek verhuist, komt hij in de kunstenaarskolonie van de Brabantse fauvisten terecht. In Zon. Een bundel beschrijvingen (1906) zien we de weerslag van zijn nieuwe horizon van “streepjes en rondekens”. Teirlinck stort zich in Linkebeek op het amateurtoneel, als decor- en kostuumontwerper, auteur en acteur. In zijn toneelwerk verlaat hij de platgetreden paden van het realisme en de anekdotiek. Toneel moet caleidoscopisch zijn: één gezichtspunt is uit den boze. Hij omarmt het expressionisme, want dat wijst hem de weg naar een meerdimensionale werkelijkheid.

Flamingant, Belg

De Distel maakte van Teirlinck niet alleen een poëet maar ook een Flamingant, verkondigde hij in 1963, terugblikkend op zijn leven. Toch was Teirlinck een uitgesproken tegenstander van het onafhankelijkheidsstreven in bepaalde kringen van de Vlaamse beweging. Hij zette zich zijn leven lang in voor de emancipatie van het Vlaams, maar die moest wel plaatsvinden in de staatkundige verbondenheid van de twee taalgemeenschappen, hoezeer die ook gekenmerkt werd door strijd. De eendracht van de Franstaligen en de Vlamingen is een lot, “het nationale fatum zelf”.

Zeker tijdens de twee wereldoorlogen werd de taalkwestie op de spits gedreven. Teirlinck moest, net als August Vermeylen, niets weten van enige vorm van samenwerking met de Duitse bezetter en zijn Flamenpolitik. De Vlaams-nationalisten namen hem die principiële houding in de jaren dertig kwalijk, maar dan is hij inmiddels uitgegroeid tot “de machtigste literaire persoon in Vlaanderen”, aldus Van den Bossche.

Voor de rest behoort een schrijver zich verre te houden van welke ideologie dan ook, want

“hij is van generlei waarde indien hij zich schuilhoudt onder de domper van een hogere mogendheid of achter het masker van opgedrongen parolen, indien hij de mens niet aanspreken mag van gelaat tot gelaat.”

Hoe mooi wil je het krijgen.

Oog voor talent

De machtigste man van de Vlaamse letteren had intussen een feilloos oog voor de talenten onder de nieuwe garde. Na de oorlog richtte Teirlinck het Nieuw Vlaams Tijdschrift op. Hij publiceerde niet alleen het romandebuut van Hugo Claus (De eendenjacht, uitgebracht als De Metsiers), maar wist hem in 1952 ook te strikken als redactielid. Claus is op dat moment 23 jaar. Wanneer Joachim van Babylon van Marnix Gijsen, voor het eerst verschenen in het NVT, vanwege zijn ‘onzedelijke’ karakter door de katholieken onder vuur werd genomen, richtte Teirlinck de Arkprijs van het Vrije Woord op. Die bestaat nog steeds.

In 1955 vond hij het tijd voor zijn ‘autoportret’, maar Teirlinck zou Teirlinck niet zijn als hij ook van zijn memoires niet een spel van schijn en wezen zou maken. In Zelfportret of het galgenmaal draait het bij zijn alter ego Henri eerder om de ‘motor dan […] de weg die hij heeft afgelegd”. Het is volgens Van den Bossche kenmerkend voor het oeuvre van Herman Teirlinck. “Foppen, voor de gek houden, een fictief relaas bijeensprokkelen: Teirlinck heeft er nooit zijn hand voor omgedraaid. Ironie, scepticisme, spotzucht, een mild sarcasme, tegenspraak, clowneskerie en maskerade zijn de wapens.”

Ge zijt zoveel mensen geweest. Herman Teirlinck 1879-1967 is alleen al vanwege zijn omvang een monumentale biografie. Van den Bossche verliest zich zo nu en dan in details; hij heeft moeite de kroonjuwelen van zijn grondige archiefonderzoek prijs te geven. Zo had hij, wat mij betreft, zijn uitgebreide verhandeling over de rapportjes van Teirlinck aan het stedelijk athenaeum afdoende kunnen samen met: Teirlinck deed het goed op school. Ook de historische intermezzi, waarin de belangrijkste staatkundige, culturele en politieke ontwikkelingen van een bepaalde periode uit het leven van Herman Teirlinck in vogelvlucht worden toegelicht, had hij beter in het algemene verhaal kunnen verwerken. Desalniettemin is Ge zijt zoveel mensen geweest een zinderend schrijversportret, een boek dat recht doet aan het bruisende culturele leven van België in de eerste helft van de twintigste eeuw en – last but not least – een literaire biografie die hongerig maakt naar het oeuvre van Herman Teirlinck.

Ge zijt zoveel mensen geweest. Herman Teirlinck 1879-1967
Stefan van den Bossche
Houtekiet
ISBN 9789089246141
Verschenen in december 2017

Bestelinformatie

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel hier als paperback bij Athenaeum Boekhandel (€ 39,99)

Koop bij bol.comBestel hier als hardcover bij bol.com (€ 39,99)

DELEN
Eric Palmen
Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here