Grondlegger van het deltaplan Johan van Veen, meester van de zee

Johan van Veen bij zijn aanstelling als secretaris van de Deltacommissie op 21 februari 1953 © Anefo / Daan Noske (cc0)

De biografie van Johan van Veen is een heruitgave van Willem van der Hams biografie van Johan van Veen uit 2003. Die biografie met de titel Meester van de zee, Johan van Veen, waterstaatsingenieur 1893-1959 kwam uit ter gelegenheid van de vijftigste ‘verjaardag’ van de Watersnoodramp en trok destijds buiten de wereld van de waterstaat veel minder aandacht dan zij verdiende. Van der Ham is een erkend en productief waterstaatshistoricus. Hij schreef onder andere de biografie van Cornelis Lely met de titel Verover mij dat land en promoveerde in 1999 op Heersen en beheersen. Rijkswaterstaat in de twintigste eeuw. Tijdens het schrijven van die geschiedenis werd hij gegrepen door de persoon en het werk van Johan van Veen.

Johan van Veen (1893-1959) was een civiel ingenieur bij Rijkswaterstaat en hoofd van de studiedienst aldaar. Van Veen waarschuwde al ver voor de Tweede Wereldoorlog voor de slechte toestand van de dijken in het Deltagebied. Tijdens en na de oorlog ontwikkelde hij een compleet plan om deze levensgevaarlijke situatie aan te pakken. Dat plan bestond niet uit het ophogen van de dijken, maar uit het dichten van zeegaten en het bouwen van stormvloedkeringen. Op 29 januari 1953 leverde Van Veen zijn plan in bij de minister. Twee dagen later braken de dijken op 150 plaatsen door. 1835 mensen kwamen om het leven. Van Veen kreeg het gelijk dat hij nooit had willen krijgen.

Strijd tegen de elementen en de bureaucratie

De biografie uit 2003 droeg bij aan de bekendheid van Johan van Veen in waterstaatskringen, maar voor het grote publiek bleef hij onbekend. En toen kwam Rutger Bregman. Bregman schreef het aan het Nederlandse volk gerichte pamflet Het water komt en kwam daar in januari 2020 over praten in De Wereld Draait Door. Hij hield een krachtig pleidooi om de klimaatverandering serieus te nemen. Bregman noemde Johan van Veen, die meer dan twintig jaar voor de Watersnoodramp tevergeefs wees op de gevaren van de zeespiegelstijging, en bracht Van Veen hiermee onder de aandacht van het televisiekijkende publiek. Uitgeverij Boom besloot het momentum te benutten en de biografie van Willem van der Ham in bewerkte vorm opnieuw uit te geven. Die verscheen in september 2020 onder de titel Johan van Veen, meester van de zee. Grondlegger van het Deltaplan. Bregman noemt het in zijn voorwoord een meeslepend verhaal over een briljante maar grillige ingenieur, een rusteloze wetenschapper die streed tegen de elementen en tegen de bureaucratie. Zijn naam zou volgens Bregman niet misstaan tussen illustere vaderlanders als Willem van Oranje, Michiel de Ruyter, Aletta Jacobs en Annie M.G. Schmidt. De verwachtingen kunnen nauwelijks hoger gespannen zijn als je aan het boek begint.

Het eerste dat opvalt is dat het boek prachtig is uitgegeven. Bevatte de biografie uit 2003 het gebruikelijke plichtmatige zwart-wit fotokatern in het midden van het boek, de nieuwe uitgave is schitterend geïllustreerd met foto’s en kaarten in kleur, die geplaatst zijn op de plaatsen waar ze horen, waardoor ze zonder uitzondering de tekst ondersteunen. De tekst is opnieuw geredigeerd maar op hoofdlijnen onveranderd gebleven. Van der Ham heeft aan het boek een epiloog toegevoegd, waarin hij, vergezeld door familieleden van Johan van Veen of deskundigen, de belangrijke plaatsen uit diens leven opnieuw bezoekt. Aan de hand van die wandelingen en ontmoetingen bespreekt hij de nieuwe ontwikkelingen rond klimaatverandering en zeespiegelstijging.

De watersnoodramp van 1953

Drammer

Johan van Veen werd in 1893 als boerenzoon geboren in Uithuizermeeden op het Groningse Hogeland. Hij had oudere broers en kon de boerderij niet erven. Hij ging civiele techniek studeren in Delft. Zijn eerste baan kreeg hij bij de Provinciale Waterstaat in Drenthe, waar hij moest zorgen voor een betere afwatering. Dat deed hij goed, maar omdat zijn werk daar op den duur weinig perspectief en uitdaging bood, ging hij werken in de bauxietwinning in Suriname. In 1929 keerde hij terug naar Nederland omdat hij een baan kon krijgen bij de Directie Benedenrivieren van Rijkswaterstaat. In zijn eerste opdracht bestudeerde hij de stromingen in het Hellegat, de gevaarlijkste plek in het Deltagebied, waar ieder jaar opnieuw schepen in moeilijkheden kwamen. Zijn plan om de veiligheid daar te verbeteren maakte indruk en hij werd belast met de leiding van de studiedienst van Rijkswaterstaat. Hij kwam erachter hoe weinig er eigenlijk bekend was over de stromingen, de zandbewegingen en de verzilting in het Deltagebied en schreef hier tientallen baanbrekende rapporten over. Al snel maakte hij zich grote zorgen over de beveiliging tegen het water. Hij bedacht ook oplossingen: die zocht hij niet in het verhogen en versterken van de bestaande dijken, maar door het afsluiten van zeegaten en het bouwen van stormvloedkeringen, wat zou leiden tot een aanzienlijke verkorting van de kustlijn. Die plannen kwamen de regering in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog niet goed uit. Men was bezig met de wederopbouw. Er was weinig geld en de bescherming tegen het water had niet de hoogste prioriteit. Van Veen bleef hameren op de noodzaak van een betere kustbescherming en werd daardoor binnen de top van Rijkswaterstaat gezien als een drammer. Hij werd steeds meer naar de zijkant gemanoeuvreerd, maar kon met zijn studiedienst blijven werken aan een alomvattend plan voor het Deltagebied. Toen de door Van Veen voorspelde ramp in 1953 daadwerkelijk plaatsvond en de regering een Deltacommissie instelde, met de gerehabiliteerde Van Veen als secretaris, kon die in korte tijd dankzij het voorwerk van Van Veen een compleet plan overleggen. Daardoor kon snel met de uitvoering van de Deltawerken worden begonnen. Van Veen geldt als de grondlegger van Deltaplan, maar dat heeft tot voor kort niet geleid tot openlijke waardering en bekendheid, zoals die wel is weggelegd voor Cornelis Lely vanwege de Zuiderzeewerken. Rijkswaterstaat heeft altijd de collectieve prestatie van de Deltawerken benadrukt. Ingenieurs die boven het maaiveld uitstaken pasten niet in dat beeld. Van Veen werkte na zijn Deltaplan aan plannen voor de Maasvlakte en de Eemshaven en overleed enkele maanden na zijn pensionering in 1959 als gevolg van zijn vierde hartaanval.

Bouw van het Haringvliet © Anefo (cc0)

Onbegrepen genie?

Is Van Veen het onbegrepen genie dat Bregman schetst? Van der Ham nuanceert dat beeld in grote mate. Van Veen werd binnen Rijkswaterstaat wel degelijk gewaardeerd en zelfs bewonderd vanwege de kwaliteit van zijn werk, maar raakte geleidelijk op een zijspoor. Uit de biografie stijgt niet het beeld op van de briljante maar onbegrepen visionair. Van der Ham maakt een mens van vlees en bloed van hem. Een inderdaad briljante geest, maar lastig in de omgang, waardoor hij steeds weer in moeilijkheden kwam binnen de bureaucratische omgeving waarin hij moest werken. Een workaholic die thuis gevangen zat in een ijzig en liefdeloos huwelijk, dat veel te laat werd ontbonden. Bij het lezen dringt zich de vergelijking op met een Scandinavische misdaadroman. Daar zijn de hoofdpersonen geen briljante en alwetende speurders maar mannen en vrouwen met nukken en gebreken, met onmogelijke collega’s en ondeskundige chefs die politieke spelletjes spelen en vrijwel altijd ook met een problematisch privéleven.

Van der Ham kon beschikken over een groot aantal bronnen en weet deze op een creatieve en spannende manier met elkaar te verbinden. Hij gebruikt de plannen en rapporten van Van Veen en de verslagen van belangrijke commissies waar Van Veen als lid of secretaris bij betrokken was, zoals de Stormvloedcommissie en de Deltacommissie. Maar Van Veen hield ook dagboeken bij waarin hij op zijn leven en werk reflecteerde. Van der Ham voerde daarnaast gesprekken met de drie kinderen van Van Veen, die weer hun eigen visie gaven op de dagboeken van hun vader. Het speelse schakelen tussen de bronnen levert spannende lectuur op. In de vergaderverslagen staat wat er naar buiten mocht, in het dagboek wat er echt gebeurde in de Deltacommissie en wat Van Veen daarvan dacht.

Ingenieursbiografie voor een breed publiek

Een moeilijk probleem in een ingenieursbiografie is hoe je technische aangelegenheden voor een groot publiek op een boeiende manier kunt verduidelijken zonder oppervlakkig te worden waardoor de biografie voor vakspecialisten niet meer interessant is. Van der Ham weet in deze biografie een brug te slaan tussen de technologie van de waterstaat en het brede publiek. Hij beheerst zijn onderwerp volledig. Daardoor is het een spannend verhaal geworden dat je meesleept, ook al weet je niet exact wat een priel, een komberging of een veelhoeksnet is.

In de epiloog behandelt Van der Ham recente ontwikkelingen rond het watermanagement aan de hand van bezoeken aan de gebieden waar Van Veen heeft gewerkt. Voordat hij daar inhoudelijk op ingaat spreekt hij er terecht schande van dat een groot deel van het archief van Johan van Veen bij de zoveelste reorganisatie bij Rijkswaterstaat spoorloos is verdwenen. Een belangrijk deel van de documentatie over de totstandkoming van de Deltawerken is daardoor niet meer toegankelijk.
In zijn tocht door Drenthe gaat Van der Ham niet in op de huidige problematiek van de verdroging in het landschap. Dat had wel aangesloten bij de opvatting van Van Veen die stelde dat waterbeheer in het oosten en zuiden van Nederland net zo belangrijk is als in het noorden en westen. Alleen ging het in Van Veens tijd over waterafvoer en nu steeds vaker om het vasthouden van het water.
Naar mijn mening gaat Van der Ham te kort door de bocht als hij de situatie in Groningen bespreekt. Hij windt zich op omdat Freek de Jonge en anderen de aardbevingen in Groningen hebben vergeleken met de Watersnoodramp van 1953. Dat vindt hij ongepast en gezien zijn boek Ooggetuigen van de watersnood, waarvoor hij met veel slachtoffers en nabestaanden heeft gesproken, is dat begrijpelijk. Hij verklaart de verzakkingen en scheuren door bodemdaling, iets wat Van Veen ook al had aangegeven. Maar naar mijn mening gaat Van der Ham te ver in zijn relativering van de rol van de gaswinning. Hij ziet tijdens zijn bezoeken weinig zichtbare schade en vindt de publiciteit rond de aardbevingen opgeblazen. Dat doet geen recht aan het leed van de Groningers. En ook niet aan het werk van Johan van Veen, die nooit volstond met oppervlakkige observaties maar alles wilde meten en onderzoeken. Dat is echter maar een klein smetje op een verder fascinerende biografie, die het verdient gelezen te worden door een breed publiek. Het beeld van de strijd van de Nederlanders tegen het water wordt, zeker in het buitenland, bepaald door Hansje Brinkers, een fictieve figuur uit een kinderboek die zijn vinger in de dijk stak. Hoe de strijd tegen het water werkelijk in zijn werk ging en welke stammenoorlogen daarover binnen Rijkswaterstaat werden gevoerd beschrijft Van der Ham aan de hand van de briljante ingenieur Johan van Veen en de omgeving waarin hij werkte.

Johan van Veen, meester van de zee. Grondlegger van het Deltaplan
Willem van der Ham
Uitgeverij Boom
ISBN 9789024433919
Verschenen in oktober 2020

Bestelinformatie

Bestel als paperback bij bol.com (€ 29,90)

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als paperback bij Athenaeum Boekhandel (€ 29,90)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here