Ferdinand en Johanna Bordewijk, een kunstenaarshuwelijk

“De lezer van deze tijd stelt belang in de lijfelijke schrijver,” constateert Ferdinand Bordewijk met enig dedain in het nawoord van Rood paleis. De lezer moet vooral niet denken dat zijn levendige beschrijving van het bordeel aan de Passeerdergracht (in de roman van Bordewijk ontbreekt de tussen-s) gebaseerd is op ervaringsdeskundigheid. De “feitenkennis” waarover een auteur dient te beschikken, is ontleend aan het satirisch tijdschrift l’Assiette au Beurre, zo vermeldt Bordewijk bij wijze van verantwoording. Voor het paleis zelve putte hij inspiratie uit de Atlas van Amsterdam van Jan Christiaan Loman. De rest is “verdichtsel”.

Niet buigen, maar klimmen

Bordewijk had een broertje dood aan de nieuwsgierigheid naar het persoonlijke wel en wee van de auteur. In interviews had hij het over “de schrijver Bordewijk”, alsof dat een vreemde meneer was die hij alleen van horen zeggen kende.  Voor een biograaf is dat een ontmoedigend uitgangspunt. Toch kreeg Elly Kamp van de erven meer medewerking voor haar dubbelbiografie van Ferdinand en Johanna Bordewijk dan Reinold Vugs – een eerdere biograaf – ooit had durven dromen. Zo lezen we over de getroebleerde verhouding van dochter Nick met haar ouders. Die waren altijd aan het werk.  “Nick sprak aan het eind van haar leven tegenover een paar goede vrienden over een ellendige jeugd, met een zeer strenge vader.” Bordewijk was niet vies van tuchtiging. Tot ver in haar tienerjaren kreeg ze billenkoek, met de badborstel. Van kindvriendelijk onderwijs, zoals dat van Maria Montessori, moest Bordewijk weinig hebben. De oudere moet niet buigen, het kind moet klimmen. “Een spartaans systeem is waar het de School betreft volkomen op zijn plaats,” zei hij naar aanleiding van het verschijnen van Bint, de roman waarmee hij in 1934 eindelijk genade vond bij de literaire kritiek.

Hij was de miskende schrijver, zij de miskende componiste. Toen Bordewijk in 1919 debuteerde met zijn Fantastische vertellingen waren de reacties gemengd. Een lezerspubliek wist hij niet aan zich te binden. Uitgever Brusse kon de vertellingen aan de straatstenen niet kwijt. Bordewijk financierde van lieverlede de tweede en derde bundel zelf. A.M. de Jong deed die af als een “stumperig poginkje om een uitheems genre in onze literatuur in te voeren” en pater Hendrichs, gezaghebbend recensent van De tijd, adviseerde de verhalen “aan tafel in een gekkenhuis” voor te lezen. Johanna Roepman, de vrouw met wie Bordewijk op 1 augustus 1914 trouwde (de huwelijksreis werd door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog een faliekante mislukking) kreeg als autodidact eveneens de wind van voren. Mevrouw componeerde, aldus Willem Pijper, “vormeloze, onexpressieve melopeeën.” De ambitie en werklust werden er niet minder om. Kritiek schiep een band voor het leven. Kritiek was de vijand buiten de deur.

Bint

Stond Bint symbool voor een “nieuw Nederlandsch nazi-systeem”, zoals Dirk Coster zich liet ontvallen in een recensie in De stem? Was het een uiting van “fascistisch sadisme”, een verwijt van zijn eeuwige criticaster A.M. de Jong? Bordewijk schaarde zich in het decembernummer van De gemeenschap doodleuk achter Coster en De Jong en deelde hun antipathie voor zijn romanpersonage. Zij begingen evenwel de vergissing om de auteur gelijk te stellen met zijn creatie. Politiek en literatuur horen niet bij elkaar. “Partij kiezen, standpunten innemen: Bordewijk doet het niet. Hij wil absoluut geen propaganda ergens voor of tegen maken en met politiek bemoeit hij zich niet,” aldus Elly Kamp. Menno ter Braak, enthousiast pleitbezorger van Bint, neemt hem dat gebrek aan kleur bekennen uiteindelijk kwalijk. Hij schaart Bordewijk tot de “idealisten zonder ideeën”. Bordewijk had geen boodschap aan die oproep tot “tendensliteratuur”. Kunst was er omwille van de kunst. “Tendenties passen in de politiek, de godsdienst, de moraal, maar niet in de kunst,” zegt hij in een interview met Piet Calis (1962).

Leven en werk

Was Bint dan een sublimatie van persoonlijke demonen, de puberende kinderen die zich geleidelijk aan het ouderlijk gezag onttrokken, zoals Elly Kamp ons wil doen geloven? “Is het te veel gezegd om de inhoud van Bint ook op te vatten als de beschrijving van een hard gevecht met de emotionele wankelheid die Bordewijk in zichzelf wist te bestrijden, maar waarmee hij zijn geliefde vrouw Johanna zag worstelen?” Bordewijk zou die suggestie zonder meer van de hand hebben gewezen, maar dat zegt nog niets over de overtuiging waarmee de biograaf uiteindelijk leven en werk bij elkaar weet te brengen. Die overtuiging ontbreekt in deze biografie. Op zich is het een mooie observatie dat de namen van de hoofdpersonages uit Noorderlicht, die van de antisemitische zakenman Hugo en zijn verloofde Adeline, overeenkomen met die van zijn jong gestorven broer en zijn tweede vrouw (Adèle Roepman, de oudste zus van Johanna). Als lezer wil je dan wel ergens naar toe worden geleid en neem je geen genoegen met de zoveelste suggestieve vraag waarop de auteur het antwoord schuldig blijft. “Heeft de dood van Hugo in 1939 Ferdinand behalve verdriet ook een gevoel van bevrijding gegeven, waardoor hij nu vrijelijk diens naam durft te gebruiken?” Wie zal het zeggen. In ieder geval overstijgt de kwaadaardigheid van die naamgeving het kennelijke “gevoel van bevrijding” dat de dood van Hugo Bordewijk bij Ferdinand opriep, zeker omdat we diezelfde Hugo tweehonderd pagina’s eerder leerden kennen als een uitgesproken tegenstander van het naziregime, die begaan was met het lot van de Joodse vluchtelingen die over de landsgrenzen kwamen.

Wat niet wegneemt dat Elly Kamp fascinerende feiten voor het voetlicht weet te brengen in deze dubbelbiografie. Vanwege hun principiële stellingname tijdens de bezetting – beiden weigerden deel te nemen aan de Kultuurkamer – kregen Ferdinand en Johanna Bordewijk een rol toebedeeld in de zuiveringscommissies die na de bevrijding werden aangesteld. Johanna schreef haar gebrek aan artistiek succes in de herfst van haar leven toe aan de kinnesinne van foute collega-componisten. Zij werd daarin volledig bevestigd door haar lieftallige echtgenoot, wiens deelname aan de Ereraad voor letterkundigen kennelijk op meer clementie mocht rekenen. Echt interessant wordt het wanneer de twee levens samenkomen, in het naoorlogse Nederland van de woningnood, waarin Johanna een pathologische achterdocht ontwikkelt voor haar buurtgenoten. Die slagen erin met een elektrisch toestel haar bed te bewegen en pompen met een stofzuiger koude lucht in haar kamer. Vooral de “enge homo’s” van het belendend perceel hebben het op haar gemoedsrust voorzien. Ze verzoekt het bestuur de mannen vanwege hun “abnormale geaardheid” het huis uit te zetten. Bordewijk steunt zijn vrouw door dik en dun in haar waanideeën, “maar hij moet soms het gevoel hebben gehad dat hij op zijn oude dag in een van zijn eigen fantastische vertellingen terecht was gekomen.”

Ferdinand en Johanna Bordewijk. Dubbelbiografie van de schrijver F. Bordewijk en componiste J. Bordewijk-Roepman
Elly Kamp
Uitgeverij Bas Lubberhuizen
ISBN 978 90 5937 433 1
Verschenen in september 2016

Bestelinformatie

Bestel hier als hardcover bij bol.com (€ 34,99)
Bestel hier als ebook bij bol.com (€ 20,99)

Koop bij bol.com

DELEN
Eric Palmen
Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here