Timothy McVeigh. De wortels van rechts geweld in Amerika

Wat maakt het leven van Timothy McVeigh het waard om opgetekend te worden? Wel, het opblazen van een gebouw van de Amerikaanse overheid in Oklahoma City, op 19 april 1995, met 167 slachtoffers, onder wie 19 kinderen, zou voldoende moeten zijn. Wat is dit voor persoon? Wie was dit monster? Hoe kon een keurig ogende jongeman zonder enige emotie de verantwoordelijkheid op zich nemen voor die massamoord?

De journalist Jeffrey Toobin, specialist in juridische zaken voor het weekblad The Newyorker, dook opnieuw in het leven van de man wiens proces hij in 1997 had verslagen toen hij in 2020 de berichten zag over militia’s in Michigan die de gouverneur van die staat wilden ontvoeren. ‘Ik ken die lui,’ dacht Toobin. Had hij in 1997 McVeigh gezien als een lone wolf, maar ruim twee decennia later, in het tijdperk van Donald Trump en de verdwaalde Republikeinen, leek hij veeleer een verkenner voor de radicaal rechtse standpunten en geweld rechtvaardigende Amerikanen die de staatsgreeppleger onverdroten blijven steunen.

McVeigh was een loser uit het Midden Westen, getekend door een moeizame opvoeding in Michigan, een staat waar de economie na de jaren zeventig zijn energie verloor en de blanke lage middenklasse hun goedbetaalde industriebanen zag verdwijnen. Een staat ook waar radicale standpunten over en wapens tegen de federale overheid deel waren van de dagelijkse conversatie. Enthousiasme voor wapens, in alle vormen en soorten, was standaard, en niet om te jagen maar om jezelf te beveiligen – tegen wat dan ook maar vooral tegen de mogelijkheid dat de overheid je bedreigde.

Broeiplaats van racisme

McVeigh vond houvast en een levensdoel in het leger, waar hij gedisciplineerd en plichtsgetrouw deed wat hij moest doen. Hij diende in de eerste Irak-oorlog en onderscheidde zich. Het leger bood ook een soort thuis, McVeigh haalde er zijn vrienden vandaan. Maar het was ook een broeiplaats van racisme en white supremacy denken. McVeigh kreeg het gevoel dat zijn ambities als scherpschutter en zijn wens om lid te worden van de Green Berets gefrustreerd waren door zwarten die enkel vanwege hun ras werden voorgetrokken.

Eenmaal vertrokken uit het leger, dwaalde McVeigh door het land, enorme afstanden afleggend, soms een tijdje werkend maar nooit voor heel lang. Niet omdat hij niet functioneerde maar omdat hij geen rust kon vinden, geen vrouw, geen familieleven, geen anker. Amerika heeft altijd individuen en groepen gehad die zoveel mogelijk buiten de samenleving probeerden te leven en daardoor vaak in conflict kwamen met de autoriteiten. In Michigan waren ze altijd al extreem geweest.

McVeigh luisterde naar rechtse talkradio, onder meer de toen aan populariteit winnende Rush Limbaugh, die haat tegen de overheid stimuleerde. Hij zoog de Turner Diaries op, een boek uit 1978 door een neonazi dat fantaseert over een rassenoorlog en een soort bijbel is geworden voor rechtse terroristen.

Twee gebeurtenissen in de jaren negentig motiveerden haat tegen met name de FBI (dat de Republikeinse radicalen zich ook vandaag tegen de FBI richten, heeft een lange voorgeschiedenis – linkse groepen waren altijd al huiverig voor J. Edgar Hoovers organisatie). In Ruby Ridge schoten FBI-agente in 1992 een vrouw en haar kind dood bij een belegering over het gebruik van federale grond, in Waco, Texas, kwamen op 19 april 1993 vier agenten en 86 burgers om het leven toen een geloofssekte door de FBI werd belegerd en op nogal incompetente manier werd aangevallen. In maart 2023 voerde Donald Trump campagne met referenties aan Waco en de volgens hem partijdige FBI.

Mugshot van Timothy McVeigh na zijn arrestatie. Bron: United States Federal Government (public domain)

De tijd vóór internet

Voor McVeigh, die snel radicaliseerde, was het de lont in het kruitvat. Dat vat ontplofte toen de regering Clinton in 1994 automatische wapens aan banden legde. Het was een oorlogsverklaring en McVeigh besloot tot militaire actie. Zijn oude legervrienden bleken allemaal sukkelaars maar niemand wilde echt actie ondernemen, alleen Terry Nichols, een zwakke meeloper, was bereid met McVeigh de stappen te ondernemen die nodig waren. Dat betekende het stelen van wapens en geld van een bekende, van slaghoedjes, het kopen van kunstmest en kerosine om een bom te produceren (een van de potentiële verkopers vertrouwde het niet en waarschuwde de FBI, die niets deed).

Het was de tijd vóór internet, voor ‘social’ networks, communicatie per brief en telefoon, tijdschriften en pamfletten op de gunshows waar McVeigh rondhing. In zoverre als McVeigh de drijvende kracht was achter de massamoord, was het inderdaad de actie van één persoon zoals tijdens het proces werd betoogd, vooral door hemzelf. Maar Toobin plaats wat er gebeurde in de context van opkomend radicaal rechts en stelt dat de beweging totaal werd onderschat, ook door hemzelf overigens. Dat had te maken met de wens van de toenmalige leider van het team van aanklagers, Merrick Garland, nu minister van Justitie, om er geen politiek proces van te maken maar de misdaad voorop te stellen.

Garland wilde voorkomen dat het een showproces werd dat uit de hand liep, zoals het proces tegen O.J. Simpson een circus was geworden. Dat lukte, maar misschien was de prijs het onderschatten van de diepte van de beweging waarvan McVeigh deel uitmaakte. Nu de blanke nationalisten Trump in het Witte Huis hebben gebracht en mogelijk opnieuw de Republikeinse kandidaat maken, is beter zichtbaar wat McVeigh aan erfenis heeft nagelaten. Trump is, Toobin laat daar geen twijfel over bestaan, en ik ben het met hem eens, een directe nazaat van McVeigh.

Radicaliserende militairen

Toobin laat de link tussen het leger en extremisme niet zomaar passeren. En inderdaad, kijk naar de terroristen die op 6 januari het Capitool aanvielen, en je ziet een buitengewoon groot aantal veteranen. Terwijl Vietnam veteranen verloren liepen in drugs en zelfmedelijden, radicaliseerden militairen die in Afghanistan en Irak gediend hadden. Dit zijn niet loners maar haters, met een liefde voor wapens en een diep wantrouwen tegen alles wat met de federale overheid heeft te maken, inclusief het Pentagon.

Vandaar Toobins vraag: is het dat het leger mensen aantrekt die toch al een voorliefde hebben voor wapens, geweld en die extreme ideeën? Of maakt het leger van mensen die erin dienen extreem rechtse radicalen? De eenheden waarin McVeigh diende, blonken uit in racisme en trashtalk over politiek en radicale liberals die in hun koortsige visie de overheid hebben overgenomen (vandaag een belangrijk item in het Republikeinse repertoire).

Anders dan Garland, had president Clinton, zelf het object van intense haat en leugens van Republikeinen, aangevoerd door de kwade genius van deze tijd, Newt Gingrich, geen twijfel over wat er werkelijk gebeurde. Hij wist heel zeker dat hier sprake was van binnenlands terrorisme, al werd Oklahoma City in eerste instantie natuurlijk aan het Midden-Oosten gelinkt. ‘M’n hele leven heb ik tegen mensen gevochten,’ zei hij tegen zijn staf. Hij waarschuwde, hij kende de donkere krochten van Amerikaanse plattelanders. In de toespraak bij de inwijding van het monument in Oklahoma zei hij: ‘Het is onze opdracht om ons te bevrijden van de donkere krachten die dit kwaad hebben gebracht.’ Vergeefs, weten we nu. De blinde vlek bleef aanwezig en zou na 9/11 vervangen worden door een obsessie met islamitisch geweld. Wapengekte zou enkel groeien, geholpen door de idiote interpretatie van het Tweede Amendement dat het een recht is op ongelimiteerd privé wapenbezit door het Supreme Court.

De aanslag werd onmiddellijk neergezet als de meeste dodelijke daad van terrorisme in de geschiedenis van de VS. Dat was niet zo, merkt Toobin terecht op. Het was zelfs niet de meeste dodelijke moordpartij in Oklahoma. In 1921 waren bij racistische aanvallen op een zwarte wijk in Tulsa driehonderd mensen gedood. Toentertijd sprak een Republikein zich uit tegen dit racisme, president Warren Harding die zich nog bewust was van Republikeinse link met Abraham Lincoln.

Vreemd duo

McVeigh werd binnen twee uur gearresteerd voor het rijden in een auto zonder nummerbord en het dragen van een wapen zonder vergunning (Toobin merkt op dat anno 2023 je daarvoor niet meer aangehouden zou worden). Het zou nog een paar dagen duren voordat de verbanden werden gelegd en McVeigh uit de lokale gevangenis werd gehaald en door de FBI kon worden ondervraagd. Het verhaal van Toobin wordt dan een verhaal van het onderzoek en de advocaten van de terrorist. Daarbij verschuift de aandacht naar de mediageilheid van McVeighs advocaat, die zozeer zijn eigen plan trok dat hij zijn eigen gigantische team van zich vervreemdde en uiteindelijk ook McVeigh. Een fascinerende court story.

McVeighs maatje, de ietwat sullige Terry Nichols, ook zo’n eenzame ziel die zijn bruiden uit de Filippijnen haalde, werd niet veel later gearresteerd. Het was een vreemd duo. McVeigh was trots en zelfbewust, hij beschouwde zichzelf als een soldaat voor de goede zaak. Zijn retoriek klinkt nu bekend in de oren: een terroriserende federale overheid, een FBI die te ver gaat, burgers die zich bewapenen om, net als in 1775, hun vrijheden te verdedigen. Standaard repertoire tegenwoordig bij white supremacy groepen en zelfs bij menig Republikeins politicus. Nichols was de volger, die als angsthaas in de camera’s keek waar McVeigh arrogant en zonder emotie het beeld bepaalde. Vergelijk hem met de sullen die in het Capitool rondliepen om zichzelf te filmen, denkend dat ze het land kwamen redden.

McVeigh had een revolutie op gang willen brengen met zijn massamoord, een opstand van onderdrukte burgers. Hij meende dat er een leger rondliep van mensen die dachten zoals hij. Niet onterecht, maar het zou het internet en social media vergen om deze medestanders te mobiliseren. De link tussen Oklahoma City en 6 januari 2021 is minder direct dan McVeigh graag zou hebben gezien, maar is onmiskenbaar.

Volksheld

Toobins boek draagt de sporen van zijn journalistieke werk waarbij hij het proces coverde voor The Newyorker. Maar ook de procesgang en de manier waarop McVeigh zijn verdediging instrueerde, zijn deel van de biografie van deze man. Natuurlijk koos McVeigh ervoor om de doodstraf waartoe hij werd veroordeeld niet aan te vechten. Hij dacht, hij hoopte, een volksheld te worden, een martelaar.

Toobins stelling dat de moordpartij in Oklahoma City past in de ontwikkeling van radicaal rechts en de acceptatie van een gewelddadig narratief door een deel van de Republikeinse Partij, kan niet worden weerlegd. Toobin aarzelt niet om de verbanden te leggen. Dit is een boek over Timothy McVeigh maar evenzeer over de mensen die het klimaat schiepen waarin zeloten als McVeigh konden denken dat het patriottisch was om een gebouw op te blazen. Dat de Trump aanhang zich in 2021 liet opjutten om het Capitool te bestormen en de Republikeinen zich lieten verleiden om de verkiezingsuitslag niet te accepteren, is direct te herleiden tot Oklahoma – en volgens mij zelfs tot Richard Nixon en Ronald Reagans anti-overheidsretoriek. Wat we over de ontwikkeling sindsdien weten kan worden samengevat in de vaststelling dat de haatzaaiende Rush Limbaugh van Donald Trump de Medal of Freedom kreeg, Amerika’s hoogste onderscheiding.

Culminatie van een ontwikkeling

Wie geïnteresseerd is in de wortels van samenzweringsdenken en radicaal geweld kan ik verwijzen naar Matthew Dalleks boek over de John Birch Society, Birchers. How the John Birch Society Radicalized the American Right. We maken de culminatie mee van een ontwikkeling in Amerika die al decennia speelt, die misschien zelfs vast onderdeel is van de Amerikaanse geschiedenis.

Donald Trump is nu de aanvoerder van de Republikeinen, aangeklaagd voor een veelheid aan misdrijven en corrumpering van de grondwet. Merrick Garland is nu de minister van Justitie die zowel Trump als de 6 januari-terroristen vervolgt op een voorbeeldige rechtsstatelijk manier die zorgt dat het geen politieke processen worden. Er lopen meer Timothy McVeighs rond in Amerika dan je zou wensen en niemand moet raar opkijken als we in de komende jaren serieus geweld gaan meemaken. McVeigh is geen volksheld maar hij liet een serieuze erfenis na.

Homegrown: Timothy McVeigh and the Rise of Right-Wing Extremism
Jeffrey Toobin
Simon & Schuster
ISBN hardcover 9781668013571
ISBN e-book 9781668013595
Verschenen in mei 2023

Bestelinformatie

Bestel als hardcover bij bol.com (€ 22,99)
Bestel als e-book bij bol.com (€ 16,76)


Frans Verhagen
Frans Verhagenhttps://www.meiguo.nl/
Mr. Dr. Frans Verhagen MIA is journalist en publicist. Hij houdt zich vooral bezig met de Verenigde Staten en met de Nederlandse politiek/sociale ordening, met een nadruk op integratie. In november 2015 promoveerde hij op een biografie van de eerste katholieke minister-president, Charles Ruijs de Beerenbrouck.

Fijn als je dit artikel met anderen deelt:

Lees ook...

1 REACTIE

  1. “Terwijl Vietnam veteranen verloren liepen in drugs en zelfmedelijden, radicaliseerden militairen die in Afghanistan en Irak gediend hadden. Dit zijn niet loners maar haters, met een liefde voor wapens en een diep wantrouwen tegen alles wat met de federale overheid heeft te maken, inclusief het Pentagon.”
    Hoe zou dat nou toch komen, Frans? Ik kan alleen maar meedenken over Irak. Ik denk o.a. aan het feit dat ze vaak gedwongen meerdere keren op missie te gaan in Irak. Het waren een soort vrijwilligers met dienstplicht.
    Ze waren na enkele maanden zo onwelkom in Irak dat ze steeds meer tijd kwijt waren aan bescherming van zichzelf, terwijl het doel van de bezetting totaal vaag bleef. Ze zullen zich wel vaak hebben afgevraagd: wat doen we hier? De levensomstandigheden (eten, vaak zelfs onderdak met airco) waren prima, het salaris en latere benefits (betaling van hbo of univ. opleiding, een bonus voor elke ’tour’ in Irak) waren ook niet slecht, maar werden ze überhaupt gewaardeerd als soldaten? Ik kreeg de indruk dat inderdaad nogal veel soldaten afkomstig waren uit de Midwest, van die mannen die vóór hun uitzending naar Irak amper iets van de rest van Amerika gezien hadden, buiten hun eigen stadje.
    Misschien is het uiteindelijk tot ze doorgedrongen dat ze deels in Irak waren om een enorm corruptiecircus in leven te houden, van gepensioneerde CIA-agenten (30.000 $ p.m.), bedrijven als Halliburton, officieren en nog hogere militairen die grote ‘cuts’ eisten in elk wederopbouwproject (zoals de training van Iraakse militairen in Jordanië), etc. etc. Zulke dingen kwamen natuurlijk ook voor in het Amerikaanse leger vlak na WOII (zie de roman The Third Man van Graham Greene) maar mijn indruk is dat het vanaf 2003 in Irak (en Afghanistan) veel omvangrijker was, een miljardenaffaire (de VN waren er ook niet gerust op). Individuele Amerikanen nationaliseerden via Bremer winstmakende Iraakse bedrijven! Zie mijn boek ‘Alles is er niet’.
    De bureaucraten rond governor Bremer hadden geen respect voor Iraki’s op welk niveau ook, ook al was je minister of iemand zoals mijn man, hoofdredacteur van een succesvol onafh dagblad. ‘White supremacy’ ideeën zaten tot in de hoogste regionen.
    Het was ook voor mij een trieste tijd maar niet zo traumatisch qua ideeën over mijn eigen regering als de tijd die Amerikaanse militairen er moesten zoet brengen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in