Willem Frederik Hermans en zijn Echo

Angst is het overheersende gevoel van zijn jeugd, “het vruchtwater waarin ik ondergedompeld ben,” de agressie om die te overwinnen het tweede. Hij ziet zijn vader met een mengeling van mededogen en ergernis ploeteren op zijn avondcursussen waarmee hij zich als schoolmeester ‘hogerop’ wil werken. Zijn moeder is vooral doodsbang: voor de straat, het uitgeven van geld, de autoriteit van de vader. Zij was een vrouw die nee zei, bij voorbaat verbood. “Bangelijk van aard, stond haar hele leven in het teken van de weigering.” Dan is er de oudere zus, die zich moeiteloos schijnt te conformeren aan deze burgerlijke hel. Op school wordt hij gepest, en niet zo’n klein beetje ook. Hij herkent zich in de jongetjes op de plaatjes van zijn verouderde schoolboeken: net zo houterig en onmodieus als hij. “Stijve Jezus” wordt hij genoemd. “Het verschil tussen mij en hen is volledig.”

Het eerste deel van De mislukkingskunstenaar, de biografie van Willem Frederik Hermans door Willem Otterspeer, bracht door het primeurtje van Max Pam de nodige reuring teweeg. Het boek heet De mislukkingskunstenaar omdat de onontkoombaarheid van het menselijk fiasco het grondthema is in het oeuvre van Hermans. Het is zo dik geworden doordat Otterspeer ellenlange citaten heeft opgenomen uit de brieven van Hermans. Daarvoor mogen we Otterspeer dankbaar zijn, want die brieven zijn prachtig en wij gewone stervelingen krijgen ze voorlopig nog niet te lezen. “Wees voorzichtig met je vader, Rudy. Voor je het weet of begrijpt, barst je in snikken uit, als het luik van de crematoriumkelder boven zijn kist dichtschuift. Meer zal ik hier maar niet over schrijven.” Wijze raad voor Rudy Kousbroek van een etterbak, die de compassie voor zijn verwekker eindelijk eens toelaat in plaats van die te overschreeuwen. Intussen bedient Willem Otterspeer zich van alle stijlmiddelen om de lezer bij de les te houden: hij exalteert (“de meest dierlijke schrijver van onze schrijvers”), herhaalt (“Lezen en schrijven, eigenlijk ging het leven van Willem Frederik Hermans daarover. Lezen en schrijven en een verlangen naar onmetelijke rijkdom en macht”) en kondigt aan (“De dag dat de zuster stierf werd de schrijver geboren”). Laat er geen misverstand over bestaan: De mislukkingskunstenaar is een meesterlijke biografie.

Het eerste deel eindigt in 1952, toen de naam van Hermans als enfant terrible van de Nederlandse literatuur met het gekrakeel rond Ik heb altijd gelijk voorgoed gevestigd was. De katholieken namen aanstoot aan de woedeaanval van hoofdpersoon Lodewijk Stegman, waarin zij zich zouden voortplanten als de konijnen, de literaire kritiek rond Hans Gomperts nam een ‘consequent cynisme met een fascistische inslag’ waar, oude vrienden als Adriaan Morriën zeiden vanwege zijn “godcomplex” de vriendschap op: “Jij haat vertrouwen, schijnt het, als een ziekte.” Stijve Jezus was inderdaad van zich gaan afbijten: als redacteur van Criterium en Podium fulmineerde hij tegen de erfenis van Forum en Menno ter Braak. De discussie over “vorm” en “vent” was oudbakken. Er was geen vent. Authenticiteit bestaat niet. “Hermans ontkende niet alleen de rationaliteit, hij ontkende ook de persoonlijkheid, dat wil zeggen, de samenhangende, zelfbewuste, rationele persoonlijkheid.” Door zijn enorme belezenheid kwam Hermans met andere literatuur in aanraking, die van de existentialisten onder andere. Hij herkende zich in de ervaring van het absurde die hij door Sartre en consorten beschreven zag. Hermans rekende af met een moraliserende kritiek die het begrip van goed en kwaad op de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog niet als een probleem aanvaardde. “In onze tijd, zo gaarne immoreel of amoreel genoemd, is men door niets zo gepreoccupeerd als door de moraal.” Zijn personages gingen – net als die van Moravia, een schrijver die hij bewonderde – wel degelijk onder een besef van goed en kwaad gebukt. “Het verschaft hen alleen geen kracht. Zij bereiken niets van wat zij hadden gewild.” De afschaffing van het kwade geweten, “het liquideren van het berouw”, had allerminst tot een bevrijding geleid.

Voor Hermans persoonlijk is Ik heb altijd gelijk vooral een treurzang op zijn zuster, zo beweert Willem Otterspeer. Zij was het brave en aangepaste meisje in huize Hermans, waar het licht vanwege de pathologische zuinigheid van de ouders zelden brandde. Zij haalde negens en tienen, terwijl Wim in de derde klas van het Barlaeus bleef zitten. Hermans verafschuwde haar gehoorzaamheid. Dat meisje kreeg op haar negentiende een verhouding met haar volle neef Pieter Blind, vader van vier kinderen en politiecommissaris. Na de inval van de Duitsers probeert Blind met zijn gezin naar Engeland te vluchten, zoals Alberegt in Herinneringen van een engelbewaarder. Toen hij daarin jammerlijk faalde, haalt hij in de avond van 14 mei 1940 Corry van haar ouderlijke woning op en rijdt met haar naar de Zuidelijke Wandelweg, aan de rand van begraafplaats Zorgvliet. Otterspeer stelt de lezing van de dubbele zelfmoord niet ter discussie, zoals Hermans dat ook nooit gedaan heeft. De dood van Corry groeit in de biografie uit tot mythische proporties, “Narcissus op zoek naar Echo.” Als we de biograaf mogen geloven, werd op die veertiende mei het motief van de dubbelganger in het werk van Hermans geboren. Ik kan niet wachten tot Otterspeer deze belofte waarmaakt, in de delen die – deo volente – zullen volgen.

De mislukkingskunstenaar. Willem Frederik Hermans. Biografie, deel 1 (1921-1952)
Willem Otterspeer
Uitgeverij De Bezige Bij
ISBN 9789023476610
Verschenen november 2013

Bestelinformatie

Bestel hier als hardcover bij bol.com (€ 39,90)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here