‘Nobele wilden’: zussenbiografie zet vrouwen in de schijnwerper

De gezusters Olivier in 1900

‘Als je in de biografie van een ander verschijnt, word je zelf min of meer op een zijspoor gezet.’ Noel Olivier, die als muze van de dichter Rupert Brooke vaak een figurantenrol speelt, krijgt juist een hoofdrol in Nobele wilden. Biografe Sarah Watling laat zien dat Noel en haar drie zussen zich niet door hun gender op een zijspoor lieten zetten.

Sidney Olivier (1859-1943) was een van de grondleggers van de Fabian Society, een Britse groep gematigde intellectuelen die zich inzetten voor verbetering van de arbeiders. Hij en zijn vrouw Margaret Cox hadden interessante en invloedrijke vrienden, van ontwerper William Morris en toneelschrijver Bernard Shaw tot de invloedrijke economen Sidney en Beatrice Webb. Hun vier dochters Margery, Brynhild, Daphne en Noel Oliver waren zeer actieve kinderen: robuust, avontuurlijk en gezegend met ouders die zelden ingrepen. Ze bouwden hutten in de bossen rondom hun huis in Limpsfield. Daar werden ze bewonderend gadeslagen door de jonge David ‘Bunny’ Garnett, die later een spilfunctie in de Bloomsbury Group zou vervullen. Omdat Sidney Olivier lang gestationeerd was op Jamaica, brachten zijn dochters ook een deel van hun kinder- en meisjestijd door op het Caraïbische eiland. Ze konden skiën, bergbeklimmen en paardrijden. Hun grootste zegen, aldus Watling, was het ontbreken van een broer. Want meisjes met broers werden verondersteld alvast ‘te oefenen op te toewijding aan mannen, ter voorbereiding op hun toekomst als ‘huisengel’. De meisjes Olivier […] leerden alleen zichzelf te behagen.’

Belofte maakt schuld?

‘Succes wordt vaak afgemeten aan eerdere veelbelovendheid,’ schrijft Watling. Wat hebben de veelbelovende zusjes Olivier bereikt? Margery (1886–1974), een getalenteerd studente aan Newnham, voorvechtster van vrouwenkiesrecht, vergaarster van vrienden en vriendinnen, liep vast in het echte leven. Ze leed aan schizofrenie en verbleef vanaf haar dertigste, vaak onhandelbaar, in psychiatrische inrichtingen. Uiteindelijk overleefde ze al haar zussen.

Brynhild (1887–1935), de mooiste van de vier, was heel creatief. Zij trad jarenlang op als gastvrouw voor haar vaders gasten in Jamaica, waardoor ze aan studeren niet toekwam. Zij trouwde in 1912 met de kunsthistoricus Hugh Popham met wie ze drie kinderen kreeg. Een vierde kind kreeg ze van haar minnaar Raymond Sherrard met wie ze later nog twee kinderen kreeg. Ze had eeuwig geldgebrek, maar behield altijd de regie over haar eigen leven en haar boerderij. Daar ploeterde ze dapper voort tot ze overleed aan lymfklierkanker, slechts 47 jaar oud.

Daphne (1889-1950) was zeer muzikaal en studeerde aan Newnham Medieval and Modern Languages. Ook zij maakt een mentaal instabiele periode door, maar herpakte zich en begon zich te verdiepen in het werk van de antroposoof Rudolf Steiner. Zij richtte, samen met haar man Cecil Harwood, de eerste Vrije School in Engeland op, de nog steeds bestaande Michael Hall. Naast het lesgeven, vertaalde ze veel werk van Steiner. Zij kreeg vijf kinderen en zorgde, met name in de oorlogsjaren, voor het welzijn van tientallen andere kinderen van hun schoolgemeenschap. Ook Daphne stierf, relatief jong, aan kanker.

Margery (1886-1974), Brynhild (1887-1935), Daphne (1889-1950) en Noel (1893-1969) Olivier

Noel (1893–1969) krijgt de meeste pagina’s van Watling. Vooral haar relatie met de dichter Rupert Brooke (1887-1915) komt uitvoerig aan de orde. Brooke was buitengewoon verliefd op de piepjonge Noel, die daar niet goed raad mee wist. De biografe lijkt Noel in deze passages in bescherming te nemen tegen de onstuimige claims van Brooke en de bemoeizuchtige vriendenkring om hen heen. Noel studeerde geneeskunde en specialiseerde zich als kinderarts. Zij stak veel energie in de medische zorg voor haar familie, die met ernstige gezondheidsproblemen te kampen had. Hoewel ze de jongste zus was, had Noel daardoor een leidinggevende rol in de familie Olivier.

‘Als succes kan worden afgemeten aan eerdere veelbelovendheid, dan kan het misschien ook worden afgemeten aan wat er eerder was beloofd,’ schrijft Watling terecht. Niet alle beloftes die aan de jonge Oliviers werden gedaan, hielden stand, zoals een baan voor vrouwen. Noel moest haar positie in het ziekenhuis telkens bevechten. In de Tweede Wereldoorlog, toen veel mannelijke artsen aan het front werkten, hielden de vrouwelijke artsen de gezondheidszorg overeind. Na 1945 werden zij echter geacht weer een stap terug te doen. Noel trouwde laat, met de arts Arthur Richards, en kreeg alsnog vijf kinderen, maar bleef ‘gewoon’ werken. Later kreeg ze een liefdesrelatie met James Strachey, met wie ze al sinds haar jeugd bevriend was.

Bloomsbury en Neo-Pagans

James Strachey was een van de leden van de beroemde Bloomsbury Group, een invloedrijke, vooral in Cambridge opgeleide, vriendengroep. Rond 1911 kwamen de zusjes Olivier in aanraking met James en diens broer, de beroemde biograaf Lytton Strachey, econoom Maynard Keynes, Virginia Woolf, haar broer Adrian Stephen, haar zus Vanessa Bell, Ka Cox, Gwen Darwin en Jacques Raverat. Hun jeugdvriend Bunny Garnett zou ook tot de inner crowd van Bloomsbury gaan behoren. Brynhild was aanvankelijk de verbindende schakel met de schrijvers en kunstenaars van Bloomsbury. Noel onderhield een levenslange vriendschap met de tien jaar oudere Virginia Woolf en vernoemde een van haar dochters naar de schrijfster. Over vrijwel alle kernleden en satellieten van Bloomsbury zijn inmiddels biografieën verschenen. Nobele wilden vormt dan ook een aardige aanvulling op deze omvangrijke literatuur. Helaas gaat Watling ervanuit dat haar lezers net zo goed zijn ingevoerd in de ingewikkelde liefdes- en familierelaties van de Bloomsbury’s als zij zelf. Een beetje meer achtergrond of juist een beetje minder name-dropping was prettig geweest.

De zussen Olivier maakten waarschijnlijk kennis met Virginia en anderen tijdens een van hun geliefde wekenlange kampeervakanties waar veel gewandeld en (naakt) gezwommen werd en gezongen rondom een kampvuur. Door deze uitstapjes in de natuur werden de Oliviers en hun vrienden de Neo-Pagans genoemd. De twee groepen, Neo-Pagans en Bloomsbury, overlapten elkaar deels. Rupert Brooke heeft de Neo-Pagans en hun cultus van ‘jeugdige zuiverheid’ en ‘onschuldigheid’ onsterfelijk gemaakt in zijn gedichten.

Vrouwengeschiedenis

Nobele wilden is vooral geslaagd als bijdrage aan de vrouwengeschiedenis. De zussen Olivier waren alle vier ongebruikelijk hoogopgeleid in een tijd waarin men nog dacht dat kennis schade toebracht aan de eierstokken. Drie van hen gingen studeren. De eerste vrouwelijke studenten in Cambridge kregen in Newnham College weliswaar meer kansen dan ooit, maar in vergelijking met hun mannelijke medestudenten waren hun mogelijkheden na de studie zeer beperkt. Watling besteedt veel aandacht aan het vrouwenkiesrecht en de obstakels in de levens van de zussen. Zij zet hun keuzes en hun ervaringen in een duidelijke context en neemt ook de carrières van hun vriendinnen onder de loep. In de slothoofdstukken kijkt ze met de blik van de liberale feministes van de jaren zestig en zeventig naar de levensloop van de zussen Olivier, vooral naar Noel. Watling noemt de ‘onopvallende Noel’, die werk en moederschap moeiteloos leek te combineren, dan ook een buitengewoon succes.

Zussenbiografie

Een groepsbiografie is een hachelijk genre: hoe doe je alle individuele biografelingen recht en laat je hen tegelijk als groep zien? Daarvoor moet je een heldere structuur aanbrengen en dat heeft Watling dan ook gedaan. Ze koos voor zeven delen met fraaie titels waarin telkens een periode wordt beschreven, zoals ‘Geen meisjes maar duivels’ (de kindertijd) en ‘De armzalige overblijfselen’, dat begint als Brynhild haar huwelijk opbreekt. Het deel ‘Nadagen’ is vrijwel geheel aan Noel gewijd. In de meeste delen lopen de belevenissen van de zussen vloeiend in elkaar over. Ook wordt hun onderlinge dynamiek goed duidelijk, evenals hun relatie met hun ouders. Zo kun je bijna van een familiebiografie spreken. Watling heeft zich grondig verdiept in het fenomeen ‘zusterschap’ en schrijft bijvoorbeeld:

‘Voor een interessant leven, wat de Oliviers zonder twijfel hebben geleid, zijn medesamenzweersters – geestverwanten – onontbeerlijk. Toch zal elke zus getuigen dat het zowel een vloek als een zegen is om iemands zus te zijn. Voor vrouwen met zo’n sterke wil en zo’n onafhankelijk karakter moet het een beproeving zijn geweest dat hun identiteiten zodanig versmolten raakten dat ze meestal als een van ‘de Oliviers’ werden aangeduid.’

Margery, Brynhild, Daphne en Noel werden door de buitenwereld als groep beschouwd en bijvoorbeeld gezamenlijk aangeschreven of als groep uitgenodigd voor weekenden en feesten. Die gezamenlijke identiteit had ook een groot voordeel: omdat ze met hun vieren waren, een ‘magische kliek’, konden ze het zich veroorloven om buitenstaanders aan de kant te zetten, in de wetenschap dat ze nooit volledig alleen waren. Onderling kon het flink botsen, maar naar buiten toe waren ze een eenheid.

Recht op onkenbaarheid

Nobele wilden opent met de beschrijving van een ‘krachtmeting’ tussen Christopher Hassall, die een biografie over Rupert Brooke wil schrijven, en Noel Olivier, die (liefdes)brieven van Rupert in haar bezit heeft. Het is een wonderlijke manier om een biografie mee te beginnen en niet erg uitnodigend voor de argeloze lezer, maar de passage laat wel gelijk zien wat de angels en voetklemmen van het biografische metier zijn. Noel Oliver wint de krachtmeting: Hassall krijgt de brieven niet. Dat maakt Watling duidelijk dat ‘biografen niet alleen verantwoordelijkheid jegens hun onderwerpen voelen, maar ook de strijd met hen aangaan en hun iets afhandig maken.’ Met sympathie beschrijft ze de gekwetste reacties op de onthullende biografie van Lytton Strachey door Michael Holroyd. In de slotpagina’s komt Watling uitvoerig op het privacy-probleem terug:

‘Het was niet uit schaamte dat Noel weinig moest hebben van biografieën waarin niets werd verzwegen. Het was veeleer haar standpunt dat er rekening moest worden gehouden met de achterblijvers, in combinatie met het besef dat ze recht had op onkenbaarheid, en misschien ook de plicht om voor die van haar zussen op te komen, want zij was nu de enige die nog over hun verhaal kon waken. Zij was de hoedster van hun gezamenlijke verleden.’

Zich aldus verontschuldigend gaat Watling desondanks aan de slag met haar eigen biografie van de zussen. Ze gaat diep in op het privé- en liefdesleven van de Oliviers, citeert uit hun correspondentie en neemt nogal ongenuanceerde roddels over hun Bloomsbury-vrienden op. Ze weet dat ze haar boek zonder hun ‘denkbeeldige zegen’ heeft geschreven en hun recht op ‘onkenbaarheid’ schendt, maar ziet haar werk toch als ‘eerbetoon’ aan de zussen. Dat is de tweespalt die iedere biograaf zal herkennen. Ik heb Nobele wilden vooral gelezen als eerbetoon aan Noel, die kleine dappere vrouw, die eerst de over het paard getilde Brooke durfde te trotseren en later diens biograaf. Gelukkig heeft Watling nu het volle licht op háár laten schijnen.

Nobele wilden. De Oliviers: vier vrouwenlevens
Sarah Watling
Vert. Mariella Duindam
Athenaeum-Polak & Van Gennep
Verschenen in september 2020

Bestelinformatie

Bestel als paperback bij bol.com (€ 27,49)

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als paperback bij Athenaeum Boekhandel (€ 27,50)
Petra Teunissen-Nijsse
Petra Teunissen-Nijsse werkt als freelance redacteur, journalist en biografisch onderzoeker. Zij publiceerde over Louis Couperus, Carry van Bruggen en Clare Lennart. In juni 2017 promoveerde zij op het proefschrift Voor ’t gewone leven ongeschikt. Een biografie van Clare Lennart. Haar tekstbureau heet Leven in Woorden

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here