Jan Pieterszoon Coen, de Machiavellist

Jan Pietersz Coen

Een van de prettige bijkomstigheden van het handelskapitalisme is dat het de mensheid vredelievender heeft gemaakt. Ga maar na. De koopman heeft er alle belang bij zijn eerste impulsen in de onderhandelingen met zijn nabuur – xenofobie, veroveringsdrift, moordzucht – te onderdrukken. Hij moet over empatisch vermogen beschikken, wil hij in den vreemde handel kunnen drijven. Enig cultuurrelativisme is ook zijn plaats. “Leven en laten leven” is het devies van een goede en duurzame handelsrelatie. De koopman is bereid tot zoveel wederkerigheid door een algemeen menselijke drijfveer: eigenbelang. Dat is althans het betoog van de Amerikaans-Duitse filosoof Albert Hirschman in The Passions and the Interests. “Commerce acts, at one and the same time, as a preventive of war and as a moral equivalent for it!”

Passies en belangen

Ik moest vaak aan deze studie denken bij het lezen van Jan Pieterszoon Coen, 1587-1629. Koopman-koning in Azië van Jur van Goor. Dat komt niet zozeer door de diepgang van The Passion and the Interests (hoezeer ik Hirschman ook hoogacht), maar ligt op de eerste plaats aan mijn bewondering voor het boek van Jur van Goor. De eruditie en dynamiek van zijn biografie van Jan Pieterszoon Coen is duizelingwekkend. Van Goor betreedt met het grootste gemak het terrein van de cultuur- en ideeëngeschiedenis, als dat van de politieke en sociaaleconomische geschiedenis, zodat je na ruim 500 pagina’s (het vrij bescheiden notenapparaat en de literatuurlijst niet eens meegerekend) niet alleen het nodige weet over de eerste schreden van de jonge Republiek der Verenigde Nederlanden in Zuidoost-Azië, maar ook de beweegredenen, motivaties en zelfrechtvaardiging leert kennen van de man die de koloniale aanwezigheid van de VOC aldaar grotendeels heeft vormgegeven. We leren Jan Pieterszoon Coen kennen als een Machiavellist pur sang, een man voor wie eer en reputatie tot het hoogste goed van zijn bestaan behoorden en die in de voorspoed van de Republiek – op het thuisfront en in de Oost – de hand van God zag. God was voor Oranje, en tegen de Spanjaarden.

De uitbreiding van het handelsimperium van de VOC onder Jan Pieterszoon Coen ging met het nodige geweld gepaard. Van Goor beschrijft die geschiedenis minutieus. De VOC had immers niet alleen een handelsmissie, maar was ook een politiek lichaam dat geacht werd de Opstand tegen de Spanjaarden naar Azië te verplaatsen. Daarnaast waren er de schermutselingen met de “geveinste vrunden”, de Engelsen voorop, die het vermeende Nederlandse monopolie in Bantam aan hun laars lapten en in de winter van 1618 een aanval op Djakarta waagden. Last but not least, de strijd tegen de inheemse bevolking.

De kunst van het veinzen

Snijdt de beschouwing van Hirschman over de pacificerende werking van het handelskapitalisme dan helemaal geen hout? Dat is te kort door de bocht en zou voor mij ook geen reden zijn geweest hier zoveel aandacht te besteden aan zijn werk. Het interessante zijn de raakvlakken tussen de historicus en de filosoof, niet wie de meeste punten scoort op de schaal van het grote gelijk. Het uiteindelijke betoog van Hirschman houdt in dat de koopman geleerd heeft zijn primaire hartstochten te beheersen, vanwege hogere belangen. Ik denk dat Van Goor zich wel kan vinden in die stelling. Coen genoot zijn opleiding in Rome, voor een hervormde jongeling uit Hoorn de stad van de antichrist. Daar leerde hij niet alleen de dubbele, “Italiaanse” boekhouding kennen – revolutionair voor die tijd – maar ook de kunst van het veinzen, het doen alsof, niet zeggen wat je denkt maar bedenken wat in een bepaalde context gezegd moet worden, ten eigen faveure. Kortom, Coen genoot – onder de rook van het Vaticaan – de leerschool van Machiavelli.

Ik denk dat Van Goor meer moeite heeft met de aanname van Hirschman dat de vanzelfsprekende uitkomst van zoveel gesublimeerde hartstocht en veinzerij een vredelievender wereld zou zijn. Oorlog was voor een koopman-koning als Coen niet de uiting van een blinde hartstocht, maar een weloverwogen middel om het Nederlandse gezag in de Indische archipel te veroveren, handhaven of herstellen. “Uit ervaring behoort u, mijne heren, toch te weten dat in Azië de handel alleen gedreven en gehandhaafd kan worden onder de bescherming van uw eigen wapenen, en dat de wapenen betaald moeten worden uit de winsten die we met de handel moeten maken. Daarom is het niet mogelijk de handel zonder de oorlog, noch de oorlog zonder de handel vol te houden en voort te zetten,” aldus Coen in zijn brieven aan de Heren XVII (de cursivering is van mij). Hij gebruikte dat middel ter wille van de “eer en reputatie” van de Republiek – spierballenvertoon, om gezworen vijanden en geveinsde vrienden op hun plaats te zetten – of om het “natuurrecht” van de Republiek in den vreemde af te dwingen. Afspraken moesten nagekomen worden, kerstening en onderdrukking waren het vanzelfsprekende gevolg van “contractbreuk” door de lokale bevolking, zoals de Bandanezen in 1621 aan den lijve ondervonden. Coen bedacht ook dat de waarborg van het Nederlandse gezag, zijn duurzaamheid, in kolonisatie van het gebied gelegen was. Hij wilde, naar het Portugese voorbeeld van de Estadio da India, een Nederlands rijk stichten, door het bouwen van fortificaties, met eigen kerken en sociale voorzieningen, vooral rond de belangrijkste havensteden. Huurlingen ging het om hun soldij, vrije burgers streden voor hun directe voortbestaan en hadden werkelijk iets te verliezen, was de les van Machiavelli in Il Principe. Coens oog viel op Djakarta en het resultaat was Batavia.

Jur van Goor, emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht waar hij koloniale geschiedenis doceerde, moest na zijn afscheid in 2004 een bestemming vinden voor zijn herwonnen vrijheid. In ieder geval wilde hij een biografie schrijven, zoveel was duidelijk. Het resultaat mag er wezen. Van Goor schrijft kraakhelder proza en staat ver boven het bronnenmateriaal. Je moet als recensent zuinig zijn met deze classificatie, wil je jezelf niet onsterfelijk belachelijk maken, maar Jan Pieterszoon Coen, 1587-1629. Koopman-koning in Azië is er één: een meesterwerk.

Jan Pieterszoon Coen, 1587-1629. Koopman-koning in Azië
Jur van Goor
Uitgeverij Boom
ISBN
9789461050366
Verschenen in mei 2015

Bestelinformatie

Bestel hier als hardcover bij bol.com (€ 39,90)

Koop bij bol.com

Eric Palmen
Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus. Voor Vrij Nederland, Het Parool en Elsevier Weekblad schreef hij artikelen over de biografie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here