Jan Janssen wilde desnoods sterven om de beste te zijn

© Anefo (CC BY-SA 3.0 NL) (atr. 15) )

In Jan Janssen. Alleen het hoogste telde beschrijft Fred van Slogteren het wielerleven van Jan Janssen (19 mei 1940), de eerste Nederlander die de Tour de France op zijn naam schreef. Voor veel liefhebbers is Jan Janssen nog steeds een levende werkelijkheid, een grandioze sportheld wiens overwinning in de Tour van 1968 (mede door een fenomenale slottijdrit) vijftig jaar later nog niets aan glans heeft ingeboet.

Jan Janssen was, wat ze noemen, een complete renner. Hij kon verschrikkelijk hard rijden en was, als het erop aan kwam, bereid zijn leven te riskeren om het hoogste te te behalen. Hij was overtuigd van zijn fysieke en mentale kwaliteiten en liet dat ook onbeschroomd blijken, vermoedelijk mede om zijn concurrenten te intimideren en bij voorbaat op achterstand te zetten.

Tegenstander vernietigen

Als elke grote sportman kende hij maar één doel: de tegenstander vernietigen. Dat moest overigens niet persoonlijk worden opgevat: Jan Janssen was een gentleman in het peloton, een man ook die door zijn persoonlijkheid een brede verering ten deel viel, niet alleen in Nederland, maar ook in Frankrijk, waar de liefhebbers Jan Janssen beschouwden als een heel grote meneer.

In zijn boek gaat Fred van Slogteren dieper in op de vraag wat iemand tot een topsporter maakt. Hij citeert onder meer inspanningsfysioloog en oud-topschaatser Harm Kuipers. Die zegt dat het vermogen van een sporter voor driekwart genetisch is bepaald, en door training kan daar nog vijfentwintig procent aan worden toegevoegd. Maar doorslaggevend is uiteindelijk het karakter. “Het is in feite niets anders dan de onbedwingbare wil om te winnen.”

En zelfs dat is nog niet genoeg. Om het hoogste doel te halen zijn mentale stabiliteit en stressbestendigheid belangrijke voorwaarden. De topsporter moet zich door niets laten afleiden en in staat zijn zijn emoties te onderdrukken.

Jan Janssen kon dat. Hij was geschokt door de dood van zijn vriend, de Britse renner Tommy Simpson in de Tour, maar hij ging gewoon door waar hij mee bezig was. Ook het dodeljke auto-ongeluk in Frankrijk waar hij bij betrokken was, bracht hem als topsporter niet van zijn stuk, schrijft Van Slogteren.

Afzien en pijn

Afzien en pijn lijden lopen als een rode draad door de biografie. Volgens Harm Kuipers is pijn verdragen iets wat je kunt trainen. Daardoor kun je alle nog aanwezige reserves aanspreken. “Afzien is sterven, ” zegt Frans Aerenhouts, een van de renners met wie Jan Janssen graag trainde omdat ze elkaar tot het uiterste dreven. Wielrennen op het hoogste niveau lijkt zo, in zijn uiterste consequentie, bijna een welbewuste confrontatie met de dood.

Doping, ook toen al

Werden de topprestaties in het tijdperk van Jan Janssen eigenlijk geleverd zonder doping? Nee, zegt Fred van Slogteren. Het dopingvraagstuk was destijds nog lang niet zo ingewikkeld als tegenwoordig, maar dat betekende niet dat het er onschuldig aan toe ging. “Heel veel renners, misschien wel allemaal, gebruikten in mindere of meerdere mate doping.” Dat waren middelen met een opwekkende werking die de slaap onderdrukten, zoals amfetamine. Jan Janssen kreeg ze van zijn wielerarts, met de “dringende instructie” die alleen te nemen “als je slecht zit en nog een heel eind moet”.

Vermoedelijk, schrijft de biograaf, waren de nadelen groter dan de voordelen. Niet alleen de behoefte aan slaap werd onderdrukt, maar ook het vermogen om van fysieke inspanningen te herstellen. De meeste renners gebruikten dan ook geen amfetaminen om beter te presteren, maar om het langer vol te houden.

Eén van een tweeling

De biografie opent met een fraaie proloog, waarin de periode rond de geboorte van Jan Janssen, in de eerste oorlogsdagen van mei 1940, nauwkeurig wordt beschreven. Jan blijkt er één van een tweeling. Als broer Aad al is geboren zegt de dorpsdokter verbaasd: “Ik geloof dat er nog één komt.”

Het gezin in Nootdorp krijgt in enkele hoofdstukken kleur en vorm; de Janssens zijn katholieken die trouw naar de mis gaan en harde werkers. Het lijkt vanzelfsprekend dat ook Jan (als hij eenmaal kan rekenen en lezen) gaat werken in het aannemersbedrijf van zijn vader. Maar hij ontpopt zich als het hard fietsende buitenbeentje van de familie dat wielrenner wil worden en daar alles voor over heeft. Hij traint fanatiek en draait zijn hand niet om voor ritten van meer dan honderd kilometer, samen met een vriend, in een straf tempo met tussensprints.

Wie is die kanjer?

Op een dag gebeurt er iets merkwaardigs. De jongens horen “het opvallende piepgeluid van een aanlopend wiel” achter hen. Ze voeren het tempo op “om die piep te lossen, maar die volgde moeiteloos de ene tempoverhoging na de andere”. Tenslotte verdwijnt de piep, maar de jongens zijn nieuwsgierig welke kanjer hen op een gewone fiets zo lang heeft bijhouden. Ze stoppen om hem op te wachten. “Tot onze verbazing was het een jong meisje op een krakende oude damesfiets, die ons in het voorbijgaan vriendelijk toeknikte.”

Jan Janssen. Alleen het hoogste telde
Fred van Slogteren
Just Publishers
ISBN 9789089758521
Verschijnt op 22 juni 2018

Bestelinformatie

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als paperback bij Athenaeum Boekhandel (€ 20,00)

Koop bij bol.comBestel als paperback bij bol.com (€ 20,00)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here