Christiaan Snouck Hurgronje, pelgrim en pionier met een eigen agenda

Christiaan Snouck Hurgronje

Het leest bijna als een avonturenverhaal, wat ook wel een beetje door de titel en subtitel van het boek gepromoot wordt. PELGRIM(in hoofdletters natuurlijk) en daar onder Leven en reizen van Christiaan Snouck Hurgronje, Wetenschapper, Spion, Avonturier. Spannend, meeslepend en met humor geschreven door onderzoeksjournalist Philip Dröge. Een biograaf die werkelijke inzicht toont in het leven van een complexe en dubbelzinnige man die zich indertijd heel veel roem maar evenveel problemen op de hals haalde en intussen bijna vergeten is.

Het boek trok mijn aandacht omdat het gaat over de Islam en over het Koloniaal Bestuur in Oost-Indië aan het eind van de 19de en begin van de 20ste eeuw. Onderwerpen die 150 jaar later pertinent nog een rol in de sociale politiek van Nederland spelen. Zelf had ik, vanwege mijn buitenlandse achtergrond, nooit eerder van de heer Snouck Hurgronje gehoord. Bij navraag anderen om me heen ook niet, vooral geen jongeren. Maar een emeritus hoogleraar uit Leiden wist het onmiddellijk. Een groot figuur, ‘de stralende zon van het Leidse heelal’ was hij en zo’n anderhalf eeuw geleden ‘een der goden van de Universiteit’. Islamoloog, historicus, kenner en spreker van 15 talen, vooral Semitische en Oost-Indische talen, waaronder Atjees, Maleis en Javaans. Drager van vele academische titels, ridderorden en ontvanger van wetenschappelijke toekenningen.

Mekka

Christiaan (zo noemt de schrijver hem doorgaans in het boek) komt uit een tijd dat sociale wetenschappen, zoals culturele antropologie en theologie, nog voornamelijk vanachter een schrijftafel beoefend werden. Op 23-jarige leeftijd rondde hij zijn studie aan de Universiteit Leiden cum laude af met zijn proefschrift Het Mekkaansche feest – gebaseerd op islamitische teksten in het Arabisch, dat hij inmiddels volledig onder die knie had. Hij stipte daarin aan dat kennis van het islamitisch recht voor het begrijpen van de islam en moslimsamenleving van het grootste belang was, vooral ook voor het Koloniale bestuur in ‘de Oost’, en waarschuwde tezelfdertijd voor het gevaar van de hadji (de pelgrimstocht naar Mekka);”waar in Nederlands-Oost Indië de hadjis een nadelige invloed uitoefenen op de bevolking, daar behoort men zo gestreng mogelijk de bepalingen toe te passen, ook met het doel het aantal Mekkagangers te doen verminderen.”

Souck Hurgronje 1878
Christiaan Snouck Hurgronje en zijn medestudenten in 1878. Bron: Bijzondere Collecties Universiteitsbibliotheek Leiden ((CC BY-SA 2.5) )

Na dit schrijftafelsucces wilde de jonge Christiaan zijn verdere studies anders aanpakken. Hij wilde alles zelf mee maken, met eigen ogen zien, bestuderen, verwerken en beschrijven. Om dat te kunnen doen moest hij reizen. Reizen was duur en daarom smeedde Christiaan in de komende jaren meerdere, deels geheime, plannetjes met verschillende ministeries, overheden, besturen en instanties met wie hij zijn informatie zou delen. Hij ontving daarvoor in ruil stevige bedragen.

Vijf jaar later in Jeddah, op weg naar Mekka, bekeert hij zich tot het moslimgeloof en het boek Pelgrim opent dan ook met de besnijdenis van de zoon van een protestantse dominee, want dat was Christiaan. Hij legt in Jeddah de gebruikelijk geloofsbelijdenis voor de aangewezen getuigen af en neemt de Arabische naam Abd al-Ghaffar al Laydini (‘Dienaar van de Alles Vergevende uit Leiden’) aan. Hierbij wordt hij feitelijk Moslim – ‘iemand die zich onderwerpt’. Hij draagt de passende kleding, neemt deel aan de religieuze rituelen en wetspraktijken van ‘Mekkagangers’ en pelgrims in voorbereiding op zijn eigen tocht.
En daarmee begint het werkelijk bijzondere, avontuurlijke, dikwijls spannend en gevaarlijke, soms zeer geslaagde, en voor velen nogal dubieuze dubbelleven van Christiaan Snouck Hurgronje.

Hij bereikt Mekka een paar maanden later en heeft bij zich een van de eerste fototoestellen van die tijd, waarmee hij de meest wonderbaarlijke en prachtige portret- en landschapfoto’s maakt. Vooral ook van de oude stad, waarvan thans behalve de bijna vierkante Kaäba niets meer over is. Foto’s die een waardevol onderdeel van zijn nalatenschap zullen worden.

Ook koopt hij binnen enkele weken, zoals het gebruik was, een Abbesijnse (Ethiopische) slavin voor zijn farasj – letterlijk matras en bedrijvigheden in bed. Met overheidsgeld uit Nederland, waar slavernij inmiddels al sedert 1863 afgeschaft is. Een aanschaf waarover zijn financiers diep zouden fronsen, als ze het hadden geweten…

Maar in juni dat jaar, vlak voordat het bedevaartseizoen aanbreekt, wordt Christiaan door de Turkse gouverneur het land uitgewezen. Officieel kunnen ze zijn veiligheid niet meer waarborgen, onofficieel gaat het over duistere zaken, vermeende betrokkenheid en rivaliteit achter de rug van Snouck. Hij vlucht inderhaast naar de haven van Jeddah en vandaar naar Nederland. Zijn camera, de glasplaten, foto’s en aantekeningboeken blijven achter. Gelukkig voor hem (en Nederland) worden die later toch nagestuurd. Terug in Nederland en in Leiden schrijf hij zijn reisverslag en dat wordt in 1888 in het Duits onder de titel Mekka uitgegeven. Vanaf dat moment is Christiaan een wereldnaam in academische en tezelfdertijd ook hooggeacht in Islamitische kringen vanwege zijn kennis van hun geloof en de wet en zijn wijsheid daarover. De verslagen aan de ministeries krijgen zij natuurlijk niet te lezen.

Atjeh

Na gesprekken in Mekka met pelgrims uit Atjeh (en elders in ‘de Oost’) besloot Christiaan dat het Nederlands-Indisch bestuur in het algemeen fout bezig was en vooral in Atjeh faalde. Hij vond dat hij daar met zijn wetenschappelijke inzichten iets aan kon doen en voor hervorming kon zorgen. Aan grootse plannen ontbrak het hem nooit. En zo begon het tweede deel van zijn avontuur… en de kern van dit boek.

Hij krijgt het voor elkaar dat hij door het Ministerie van Koloniën, deels als spion en deels als adviseur, naar Oost-Indië gestuurd wordt. Maar hij komt Atjeh niet binnen en moet doorreizen naar Batavia. Officieel is hij aangesteld als taalambtenaar en onderzoeker van het islamitisch onderwijs in Buitenzorg (nu Bogor genoemd) maar in werkelijkheid bezoekt hij andere gebieden zoals Banten (nu Bantam) en stuurt regelmatig geheime rapporten naar Nederland.
De plaatselijke bevolking vertrouwt deze vrome geloofsgenoot volledig. In 1890 trouwt hij met de 16-jarige dochter van een voorname Hoofd-panghoeloe. Dat huwelijk veroorzaakt opschudding in Nederland maar hij verweert zich met het argument dat het allemaal schijn is en deel is van zijn wetenschappelijke onderzoek naar islamitische huwelijksgebruiken en rituelen. Het onderzoek levert mettertijd wel vier kinderen op en als zijn eerste vrouw sterft, treedt hij weer in het huwelijk, deze keer met een 13-jarige. Ook bij haar verwekt hij een kind.

Het opstandige Atjeh in het noorden van Sumatra wordt ondertussen een enorm probleem. Niet alleen voor het koloniale bestuur, dat het maar in een heel klein puntje van het gebied voor het zeggen had, maar ook voor Christiaan Snouck Hurgronje, die nog steeds het binnenland wil verkennen.

In 1891 krijgt hij alsnog opdracht naar Atjeh te gaan. Van verkennen komt aanvankelijk weinig terecht. Hij moet zich tot het stukje rond Kota Raja (nu Banda Aceh) achter de ‘Geconcentreerde Linie’ beperken. Christiaan leert onmiddellijk de lokale taal. Hij schrijft een enorm verslag van meer dan 2000 geheime pagina’s en een tweedelig boekwerk dat onder de titel De Atjehers uitgebracht wordt. Aan de hand van gesprekken met beschrijvingen stelt hij een kaart van het, voor Nederlandse overheden totaal onbekende, binnenlands gebied op, die later verstommend accuraat zal blijken.

Van Heutsz bij de aanval op Batè Ilië op 3 februari 1901

Van Heutsz

In 1898 wordt hij adviseur van de dan net aangestelde (nogal door Christiaan aanbevolen) nieuwe gouverneur van Atjeh, generaal Van Heutsz. Hij is een geharde militair die vooral het binnenland met meer geweld wil bedwingen. Christiaans kaart, die hij zelf na veel twijfel in een militair tijdschrift publiceert, wordt voor de generaal bij dat voornemen een enorme hulp.

Tot zijn frustratie wil Van Heutsz weinig weten van Christiaans aanbevelingen over minder geweld en meer opbouw, laat staan over vormen van zelfbestuur. Al gauw botsen ze. In relatief korte tijd wordt de situatie voor Christiaan ondraaglijk en twee jaar later vertrekt hij ontgoochelt, zogenaamd met verlof, terug naar Nederland om nooit weer naar Atjeh terug te keren. Kinderen en een nieuwe vrouw laat hij achter, wel financieel goed verzorgd maar met een streng verbod dat ze onder geen beding naar Nederland of in contact mogen komen.

Terug in Leiden gaat hij op in zijn Alma Mater en stijgt hij in rang van hoogleraar tot rector magnificus. Hooggeëerd en geacht ontvangt hij tal van Koninklijke en wetenschappelijke onderscheidingen. Hij trouwt met een Nederlandse vrouw, ze krijgen een dochter. Hij blijft pleiten voor “krachtige hervorminningen van de staatsinrichting van Nederlands-Indië, waarbij in de kortst mogelijke tijd aan de inheemse bevolking de grootste mogelijke mate van autonomie wordt verleend.” En spreekt zich openlijk uit tegen het heersende en openlijke racisme tegen de koloniale onderdanen. Advies dat de Nederlandse en Koloniale overheden voorlopig negeren. Hij is zijn tijd veel te ver vooruit.

Kort voor zijn dood, op een vraag van toenmalige biograaf Cornelis van Vollenhoven of hij over iets in zijn leven spijt had, bestond het antwoord maar uit een woord:”Atjeh”.

Dood

In 1936 sterft Christiaan Snouck Hurgronje en wordt hij in het geheim binnen 24 uur naar islamitisch gebruik op begraafplaats Groenesteeg ter aarde gelegd. Zoals dat hoort, met zijn gezicht naar Mekka. Zijn kist wordt begeleid door maar één vriend, zijn arts Van Calcar, die alle vooraf gegeven instructies precies uitvoert. Zijn Nederlandse vrouw Ida en dochter Christien zijn niet aanwezig. Pas een dag daarna maakt zijn echtgenote het overlijden met een kort briefje aan de Minister van Koloniën bekend. Zijn woning op Rapenburg 61 wordt overgedragen aan het Leidse Universiteit Fonds.

Het is en blijft een heerlijk en inspirerend boek om te lezen. In een meevoerende stijl, maar met een neutraal oog, vertelt Philip Dröge in een bestek van een bladzij of 300 het verhaal van Christiaan Snouck Hurgronje. Hij is duidelijk in de huid van zijn onderwerp gekropen. Vooraf heeft hij, waar mogelijk was, in zijn voetsporen gereisd. En juist dat, dié nabije kennis, sleurt de lezer mee in bepaalde verbanden die Dröge legt. Zijn invalshoeken, zijn humor en steeds die onderliggende verwarring tussen goed en fout – en ja, misschien zelfs een behoorlijk laagje schaamte. Dachten ze toen zo? Denken we eigenlijk nog steeds zo soms?

Pelgrim zal menig lezer stimuleren om de oorspronkelijke boeken zoals Mekka, De Atjehers en Het Gajoland op te zoeken. Die zijn nog beschikbaar, ook op het internet, en opmerkelijk leesbaar geschreven. En, zoals de biograaf zelf zegt: Een ongemakkelijke erfenis omdat de vragen die Snouck Hurgronje zich in de 19de eeuw stelde, nog steeds actueel zijn. Aan de lastige keuzes en de ethische dilemma’s waarvoor hij zich gesteld zag, ontkomen ook hedendaagse islamonderzoekers niet. “Wat hij verder ook heeft gedaan, we kunnen hem dankbaar zijn dat hij een wereld heeft opgetekend die niet meer bestaat. ”

Pelgrim. Leven en reizen van Christiaan Snouck Hurgronje
Philip Dröge
Uitgeverij Spectrum
ISBN 9789000353088
Verschenen in november 2017

Bestelinformatie

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel hier als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 19,99)
Bestel hier als ebook bij Athenaeum Boekhandel (€ 11,99)

Koop bij bol.com

Bestel hier als hardcover bij bol.com (€ 19,99)
Bestel hier als ebook bij bol.com (€ 7,99)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here