Erasmus. Klap uw handen stuk! Leef zonder juk, drink u een ongeluk!

Erasmus door Holbein
Erasmus. Portret van Hans Holbein de Jongere

In 1559 werd Erasmus officieel een auctor damnatus, een verboden schrijver. Zijn boeken kwamen op de index te staan, de lijst van titels die je als rechtgeaard katholiek niet mocht lezen van de paus. Volgens de inquisitie was Erasmus de wegbereider van het grote schisma binnen de moederkerk, dat door Maarten Luther voltrokken werd. Die verwijten kreeg Erasmus al in de herfst van zijn leven te horen. Vooral de Parijse theologen rond Noël Beda moesten niets weten van zijn tekstkritiek, want die bracht beminde gelovigen maar op gekke ideeën. Dat de Drievuldigheid pas in de vierde eeuw na Christus het Nieuwe Testament was binnengeslopen bijvoorbeeld, of dat je de erfzonde niet al te letterlijk moest nemen, in ieder geval niet naar de letter van de Vulgaat. In Lof der zotheid stelde Erasmus de graaicultuur van de geestelijken en de aflaatpraktijken aan de kaak, net als Luther in zijn 95 stellingen op de kerkdeur van Wittenberg. Zonder Erasmus geen Luther.

Erasmus en Luther

Erasmus, die in Bazel min of meer een veilig heenkomen had gezocht, ver weg van de intolerante theologen in Parijs en Leuven, begreep niets van de aantijgingen. Luther representeerde in zijn ogen alles wat hij verafschuwde: het absolute geloof de waarheid in pacht te hebben, gebaseerd op een anti-intellectualisme dat geen ruimte liet voor twijfel, resulterend in een overtuiging dat het bestaan in dit aardse tranendal geen lolletje was. Lof der zuurpruimerij, dat was Luther. De Augustijner monnik uit Wittenberg vond op zijn beurt Erasmus een slapjanus en een windhaan. ‘Ik lees Erasmus, en mijn zin in hem verschrompelt met de dag,’ schreef Luther in maart 1517 aan een bevriende theoloog in Erfurt. ‘Het menselijke weegt bij hem zwaarder dan het goddelijke.’

Daar zat hem de kneep. Erasmus was van de blijde boodschap. Er mocht gelachen worden. Bij Luther was het glas altijd half leeg. Volgens Erasmus ging Luther veel te ver in zijn leerstelligheid. ‘Ik zou niet willen sterven voor dingen waar ik met mijn verstand niet bij kan,’ schreef hij aan Zwingli. Hij had sowieso geen talent voor het martelaarschap.

Erasmiaanse leugentjes

Sandra Langereis schreef een vuistdikke biografie van Desiderius Erasmus. Om maar meteen met de deur in huis te vallen: ik heb intens genoten van haar boek. Langereis plaatst leven en werk van Erasmus in de context van zijn tijd, zoals het een goed biograaf betaamt. En ze is een meeslepend verteller, met een mooie pen. Bovenal is Erasmus. Dwarsdenker een erudiet boek, waarin over enkele heikele kwesties in het Erasmusonderzoek duidelijk stelling wordt genomen. Over zijn geboortejaar bijvoorbeeld. Erasmus verklaarde geboren te zijn op Sint Simon en Judasdag, 28 oktober dus, maar een jaartal vergat hij erbij te vermelden. 1466? 1467? Langereis weet heel aannemelijk te maken dat we het op 28 oktober 1469 moeten houden.

Ook is ze goed in het debunken van een aantal Erasmiaanse leugentjes om bestwil. Hij was een onecht kind, van een priester nota bene, maar dat vader Gerard niet wist dat hij moeder Margareta bezwangerd had voordat hij met een gebroken hart naar Rome was afgereisd om er priester te worden (hij kreeg geen ouderlijke toestemming om met Margareta te trouwen) is gewoon niet waar. Erasmus had zelfs een oudere broer. Hij zat behoorlijk in zijn maag met deze defectus natalis. Een priesterkind was verwekt in doodzonde en zou in doodzonde sterven, een kerkelijke carrière was voor een dergelijke verdoemde nagenoeg uitgesloten. Leo X bracht in 1517 verlichting met een bul. Erasmus hoefde niet langer mededelingen te doen over zijn geboorte en zag zich ontheven van alle kerkelijke maatregelen daaromtrent. Die pauselijke dispensatie had hem een aardige cent gekost, en het nodige geschmier aan het adres van paus Leo. En passant kreeg Erasmus de pauselijke absolutie voor zijn verbroken kloostergelofte: als zeventienjarige werd hij door zijn voogd min of meer gedwongen tot het Augustijnerklooster van Stein bij Gouda toe te treden. Dat was tenminste zijn verweer. Een jaar of zes later zou hij er gillend weglopen. Het vastenregime in het klooster was een aanslag op zijn tere gezondheid. Erasmus was al zo’n matige eter. En de slaafse navolging van de kloosterregels was in zijn beleving een vlucht voor een werkelijk godsvruchtig bestaan van studie en contemplatie. Wanneer de prior hem sommeert terug te keren naar het klooster geeft Erasmus hem op superieure wijze nul op het rekest. De wereld is zijn klooster, laat hij de prior weten, en alle mensen zijn ‘medekannuniken en medebroeders’. Hij wil reizen, net als de apostelen. 

‘Alles wat ik ben en kan dank ik aan de letteren.’

Tekstjongleur

Langereis jongleert met de teksten van Erasmus. Haar hertaling van de afscheidsgroet van Dwaasheid in Lof der zotheid is amusant en vitaal.

‘ Vroeger zei men: de pest aan drinkers met een goed geheugen. Maar nu zeggen we: de pest aan toehoorders met een goed geheugen. En daarom, roemruchte ingewijden! Mannen van dwaasheid! Vaarwel allemaal! Klap uw handen stuk! Leef zonder juk, drink u een ongeluk!’

Vergelijk die met de vertaling van Johannes Benedictus Kan (1831-1902):

‘Ik zie, dat ge nog een slotrede verwacht, maar gij zijt al heel dwaas als gij tenminste meent, dat ik mij nu nog herinner wat ik gezegd heb, na zulk een stortvloed van woorden. Het oude spreekwoord luidt immers: Ik haat hem, die het onder den beker gesprokene niet vergeet, het nieuwe: Ik haat een hoorder met een goed geheugen. Daarom dan: Vaartwel, juicht mij toe, leeft en drinkt, roemruchtige priesters in het heiligdom der Zotheid.’

Erasmus’ beroemde brief van 8 juli 1514 aan Servaas Rogier, zijn prior in Stein, wordt iets te zwaar aangezet door Langereis. In haar biografie heet het:

‘Het huidige verderf van de christelijke vroomheid: dat was de schuld van de kloosters. Dat durfde Erasmus met de hand op het hart te beweren.’

Die categorische veroordeling van het kloosterleven is dan gebaseerd op de passage in de brief:

‘Ik zou durven stellen dat de ontaarding van de christelijke vroomheid is voortgekomen uit wat men noemt de kloosterordes, ook al zijn deze misschien ingevoerd uit vroom enthousiasme.’

Iets minder uitgesproken, toch?

Een ding moet me van het hart. Het is bijna onbegrijpelijk dat de proloog door dezelfde auteur is geschreven als de biografie. Een buitengewoon warrig betoog, zeker wanneer Langereis om de een of andere reden meent dat het om haar draait. ‘Het is per slot van rekening mijn verhaal – of niet soms?’ Nou, nee. Intussen laat ze Erasmus in het hiernamaals het zijne denken van ‘minkukel’ Constantijn Huygens en ‘temer’ Joost van den Vondel, die hem met hun poëmen vereren. ‘Ze kunnen me best missen, daar in Holland.’ Uiteindelijk komt alles goed. ‘Hoeveel lagen wil je een verhaal geven, Langereis! Blijf eens simpelweg bij de feiten, mijn feiten. End fiction; Try fact!’ Godzijdank is ze die innerlijke bevlieging vanaf hoofdstuk 1 van deze prachtige biografie trouw gebleven.

Erasmus. Dwarsdenker
Sandra Langereis
De Bezige Bij
ISBN 9789403120317
Verschenen in maart 2021

Bestelinformatie

Bestel als hardcover bij bol.com (€ 39,99)
Bestel als eboook bij bol.com (€ 13,99)

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 39,99)
Bestel als ebook bij Athenaeum Boekhandel (€ 13,99)
Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus. Voor Historisch Nieuwsblad, de Volkskrant,Vrij Nederland, Het Parool en Elsevier Weekblad schreef hij artikelen over de biografie.

2 REACTIES

  1. Dag Eric,
    Zeer, zeer bedankt voor je bevlogen bespreking van Erasmus: dwarsdenker.
    Eén dingetje:
    ‘Het is per slot van rekening mijn verhaal – of niet soms?’:
    dat zegt Erasmus, niet Langereis.
    Ik heb het uit betrouwbare bron!
    Hartelijke groet, Sandra Langereis

  2. De hertaling lijkt me inderdaad fantastisch. Ook bij vertalingen van boeken als die van Veblen merk je dat een vertaler goed ingevoerd moet zijn in, al was het maar, de betekenis van termen en woorden in die tijd, die vaak een nogal andere lading hebben dan tegenwoordig. Zelfs als je de indianen-en-cowboy boeken van Karl May nu vertaalt of over tweehonderd jaar 1984 van George Orwell, moet je die grote inspanning leveren. Ik vertaal niets van vóór 1914…

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here