Een gedreven buitenstaander. J.H. van ’t Hoff, de eerste Nobelprijswinnaar voor Scheikunde

Het standbeeld van Jacobus van 't Hoff aan de 's-Gravendijkwal

In mijn jeugd heb ik menigmaal met vrienden een balletje getrapt in de schaduw van het monumentale standbeeld van de eerste Nobelprijswinnaar Scheikunde J.H. van ’t Hoff in Rotterdam. Hij zit daar op een scheef geplaatste zetel, geflankeerd door twee damesfiguren. De ene verbeeldt de verbeeldingskracht bij het beoefenen van de wetenschap, de ander de rede: twee factoren die een belangrijke rol speelden zijn werk. Het monument met de grasperkjes ernaast vormt een rustpunt aan de drukke ’s-Gravendijkwal (de straat waarin ik geboren ben) en het staat heel symbolisch tegenover de eerste hbs van de stad. Ik was toentertijd te jong om te weten wie deze persoon was die zo’n enorm standbeeld verdiende. Nu is er, meer dan honderd jaar na de onthulling van het monument, een vuistdikke en prachtig uitgegeven biografie Een gedreven buitenstaander van de hand van Rob van den Berg. Van ’t Hoff verdient zeker zo’n uitvoerige biografie, want hij was niet alleen een van Nederlands grootste wetenschappers, maar ook een heel bijzondere figuur.

Rotterdam

Jacobus Henricus van ’t Hoff (roepnaam Henry of, zoals zijn moeder wilde, Henri) werd in 1852 in Rotterdam geboren als zoon van de arts Jacobus Henricus van ’t Hoff (zelf zoon van een burgemeester) en Alida Jacoba Kolff (dochter van een wijnhandelaar op een van de Zuid-Hollandse eilanden). Zij woonden als vooraanstaande burgers in een vrij welgesteld deel van Rotterdam, een stad die juist toen een stormachtige ontwikkeling doormaakte. Van ’t Hoff had een oudere zus en broer, die allebei vrij jong zijn overleden, waardoor hij de oudste werd. Na hem volgden namelijk nog een zus en drie broers, aan wie hij het ‘goede voorbeeld’ moest geven, vooral volgens zijn moeder. Al gauw onderscheidde hij zich van de grauwe middelmaat en gaf hij blijk van een enorme ambitie, die gelijk opging met een zeer romantische inborst. Hij zou volgens zijn eigen woorden ‘geslonken zijn tot een droog wetenschappelijk conglomeraat’, als hij niet het werk van de Engelse dichter Lord Byron had ontdekt en zelf ook aan het dichten was geslagen.

Jacobus van ’t Hoff in 1904. Foto: Nicola Perscheid

Nobelprijs voor de Chemie

Als student verraste hij al de, tot dan toe erg praktisch ingestelde, chemische wereld met zijn ideeën over de ruimtelijke structuur van moleculen en de consequenties van die structuur voor de optische activiteit van verbindingen. Daarmee werd hij de grondlegger van de stereochemie. Al op 26e leeftijd werd hij hoogleraar in Amsterdam en werkte hij aan een theorie van het chemisch evenwicht door bevindingen uit de thermodynamica toe te passen binnen de scheikunde. Hij wist zich met deze theorieën en andere bevindingen uit zijn laboratoriumonderzoek zodanig internationaal te onderscheiden, dat dit hem uiteindelijk in 1901 de eerste Nobelprijs voor Chemie opleverde. Na Amsterdam vertrok hij in 1896 naar Berlijn, waar hij de mogelijkheid kreeg zich helemaal aan het onderzoek te wijden. In Steglitz, onder de rook van Berlijn, overleed hij in 1911 aan tuberculose.

Rijke biografie

Rob van den Berg is er met deze biografie (waarop hij onlangs promoveerde) in geslaagd een aantal interessante vragen te beantwoorden, die de bijzondere persoonlijkheid, het excellente werk en de grillige loopbaan van Van ’t Hoff oproepen. Wat bracht bijvoorbeeld de nog jonge student ertoe om een gewaagde veronderstelling te doen over ruimtelijke structuur van moleculen die de gevestigde wetenschap op zijn fundamenten deed schudden? Waarom hield hij als pasbenoemde hoogleraar een oratie over de rol van verbeeldingskracht in de wetenschap tegenover collega’s die wetenschappelijke deugden als degelijkheid, voorzichtigheid en vooral objectiviteit hoog in het vaandel voerden? Welke invloed hebben zijn opvattingen gehad, ondanks het feit dat hij in de Nederlandse wetenschap een tamelijk geïsoleerde positie innam? Daarnaast gaat Van den Berg zowel dieper in op Van ’t Hoff’s persoonlijkheid, als besteedt hij ook aandacht aan ‘grotere’ wetenschapshistorische kwesties. Hoe kwam disciplinevorming in die tijd tot stand, hoe ging het benoemingsbeleid aan de universiteit in zijn werk en hoe verliep de internationalisering van de wetenschap in de negentiende en begin twintigste eeuw? Dat alles bij elkaar maakt het boek een zeer geslaagde en rijke biografie.

Drie fasen

Van den Berg deelt het leven en werk van Van ’t Hoff in drie fasen in. De eerste fase (1852- 1877; Wanderjahre betiteld) omvat de vormingsjaren in Rotterdam, dat ook later zijn basis bleef, en vervolgens zijn studietijd in Delft, Leiden, Utrecht, Bonn en Parijs, soms voor enkele maanden, soms voor twee jaar. De tweede fase (1877-1895) beslaat zijn verblijf als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, die nog maar net een universitaire status had verkregen. Dat waren waarschijnlijk zijn meest vruchtbare jaren, maar ook een tijd waarin zijn onvrede groeide over zijn positie en gebrek aan controle over zijn leven. Die onvrede deed hem ook besluiten om uiteindelijk een aanbod vanuit Berlijn te accepteren, ondanks de druk die vanuit Amsterdam was uitgeoefend om te blijven. Hoewel hij in zijn Berlijnse tijd (1895-1911) zijn grote internationale erkenning kreeg als wetenschapper, waren dat volgens Van de Berg toch de jaren van neergang in wetenschappelijk en persoonlijk opzicht. In 1906 werd hij besmet door tbc waardoor hij zich niet meer volledig kon storten op zijn werk en op het persoonlijke vlak werd hij getroffen door verschillende drama’s in zijn gezin.

Leven en werk

Het schrijven van een wetenschappelijke biografie is geen gemakkelijke opgave, zeker als het een weinig algemeen toegankelijk wetenschapsgebied betreft. Vaak staan persoonlijk leven en wetenschappelijk werk los van elkaar, of wordt het private verwaarloosd. Dat is zeker niet het geval bij deze biografie. Van den Berg schetst de verwevenheid van leven en werk, en plaatst beiden in een bredere maatschappelijke en wetenschappelijke context. Hij had het voordeel dat hij beschikte over de correspondentie met collega’s en familie. Dat levert soms prachtige inkijkjes op in de drijfveren van Van ’t Hoff zelf en ook in die van zijn directe omgeving. Dat zijn geen op zichzelf staande anekdotes, maar geven goed de sfeer weer van het gezin waaruit hij kwam en het gezin dat hij stichtte. Het laat bijvoorbeeld zien welke rol zijn ouders hebben gespeeld (zijn vader die hem voortdurend met brieven en contacten ondersteunde; zijn moeder die haar uitsproken mening over zijn romantische neigingen niet onder stoelen of banken stak). Uiteraard komt de universitaire wereld van zijn tijd, zowel nationaal en internationaal, ruimschoots aan bod, waarin botsende karakters, rivaliteit en samenwerking het benoemingbeleid en toegang tot belangrijke gremia en tijdschriften bepaalden. Van den Berg schetst verder ook wat de hbs als nieuw schooltype heeft betekend voor de voorbereiding op exacte studies. Interessant is ook hoe hij duidelijk maakt op welke wijze bepaalde karaktertrekken van Van ’t Hoff (romanticus, verlegenheid, bescheidenheid en toch ook prestatiedrang) de loop en inhoud van zijn wetenschappelijk werk mede richting gaven. Sommige passages zijn ronduit komisch, zoals de verbintenis met zijn vrouw Jenny Mees (een telg uit een beroemd Rotterdams zakengeslacht), die na haar verloving aan een vriendin schrijft:

“ik zal heel wat moeite hebben hem netjes en kalm door de stad te leeren loopen; hij weet eigenlijk volstrekt niet hoe dingen hooren en heeft tot nog toe aan alle dames aller ongezelligste armen gegeven”.

Van den Berg schrijft in zijn inleiding dat hij maar al te goed beseft dat het vrij theoretische werk van Van ’t Hoff zich minder goed leent voor een populaire weergave. Dit zal misschien lezers met weinig kennis van de exacte wetenschappen wat afschrikken. Dat hoeft echter niet, want Van den Berg weet als wetenschapsjournalist veel technische kwesties goed uit te leggen voor mensen met basale middelbare schoolkennis. Buiten dat bevat de biografie heel veel andere interessante zaken over het leven en werk van deze beminnelijke en grote wetenschapper. Genoeg om na het lezen van deze goede biografie met nog meer ontzag voor en plezier om de persoon van Van ’t Hoff bij een wandeling in Rotterdam even stil te houden bij zijn standbeeld.

Een gedreven buitenstaander. J.H. van ’t Hoff, de eerste Nobelprijswinnaar voor Scheikunde
Rob van den Berg
Prometheus
ISBN 9789044649451
Verschenen in oktober 2021

Bestelinformatie

Bestel als hardcover bij bol.com (€ 50,00)
Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 50,00)

Sjoerd Karsten is emeritus-hoogleraar Onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn proefschrift, Op het breukvlak van opvoeding en politiek. Een studie naar socialistische volksonderwijzers rond de eeuwwisseling verscheen in 1996. Hij publiceerde een biografie over de 'rode bovenmeester' Adriaan Gerhard. Sjoerd is een fervent wandelaar, getuige zijn trektocht door Nederland vanaf het najaar van 2012.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here