Curie: een familie van dappere vrouwen

Oersterk waren ze, Marie Curie-Skłodowska en haar dochters. Marie sleepte een loden kist met een kostbaar gram radium van de VS naar Frankrijk. Irène sjouwde met röntgenapparatuur op de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog en Ève reisde met een loodzware typemachine door heel Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog. Claudine Monteil vertelt in ‘Marie Curie en haar dochters’ de bekende en de onbekendere verhalen over deze vrouwen.

De naam van Marie Curie-Skłodowska (1867-1934) is overbekend. ‘Madame Curie’ was in 1903 de eerste vrouw die een Nobelprijs won. Met haar Franse echtgenoot Pierre Curie en hun landgenoot Henri Becquerel werd ze geëerd voor haar werk op het gebied van de radioactiviteit. Acht jaar later kreeg ze de Nobelprijs voor scheikunde, vanwege de ontdekking, bestudering en isolatie van radium en de ontdekking van polonium, een element dat werd genoemd naar haar geboorteland Polen. Zij stond aan de wieg van het Institut du Radium, het huidige Institut Curie in Parijs. Zij gaf les aan de Hogere Normaalschool voor Meisjes in Sèvres, ‘de kweekvijver voor jonge wetenschapsters’ en was de eerste vrouwelijke hoogleraar aan de Sorbonne-universiteit in Parijs. Curie had heel veel internationale contacten en werkte in de Commissie voor Intellectuele Samenwerking onder andere samen met Albert Einstein.

Zij kreeg twee dochters: Irène (1897-1956) en Ève (1904-2007), die deels werden opgevoed door hun inwonende Franse grootvader. Na de dood van Pierre in 1906 door een verkeersongeval, werd grandpère nog belangrijker voor de dagelijkse zorg, maar Marie bepaalde de opvoedkaders: veel sport en buiten bewegen. Eindeloze fietstochten en bergwandelingen maakte ze met haar dochters. Zij hadden veel contacten met andere gezinnen van wetenschappers en de kinderen groeiden op met gelijkgestemde speelkameraadjes.

Irène gaf al heel jong blijk van wetenschappelijk inzicht en deed proeven op het laboratorium van haar moeder. Samen met haar moeder werkte ze tijdens de Eerste Wereldoorlog aan röntgenapparatuur voor oorlogsslachtoffers. Marie vroeg haar rijke vrienden om hun auto’s en bouwde ze om tot een ‘petite Curie’, een auto die via een dynamo de röntgenbuis aandreef. Met twintig mobiele röntgenlaboratoria bezochten Marie en de amper 18-jarige Irène het front in Frankrijk en België waar zij meer dan een miljoen gewonden radiologisch onderzochten, bijgestaan door ‘manipulatrices’, door Marie opgeleide vrouwen die de apparatuur bedienden.

Irène trouwde met de scheikundige Frédéric Joliot, een laboratorium-assistent van haar moeder. In 1935, een jaar na Maries dood, kreeg Irène samen met haar echtgenoot in Stockholm de Nobelprijs voor scheikunde voor het eerste kunstmatig geproduceerde radioactief element.

Ève had meer aanleg voor pianospelen dan voor natuurkunde, maar toen bleek dat haar talent ontoereikend was voor een carrière als concertpianiste, werd ze journaliste. De aanzet was haar biografie van haar moeder, getiteld Madame Curie (1937), die een bestseller werd. De hoofdstukken over haar werkzaamheden in de oorlog lezen als een spannend jongensboek. Daarna woonde en werkte ze in de VS, onder meer voor de UNRWA. Op latere leeftijd trouwde Ève met Henry Labouisse, directeur van UNICEF. Toen zijn organisatie in 1965 de Nobelprijs voor de Vrede kreeg, stond ook deze Curie-dochter op een Scandinavisch Nobelpodium, maar dan in Oslo.

Hoe sterk ze ook waren, Marie en Irène waren niet bestand tegen de langdurige blootstelling aan straling. Marie overleed op 66-jarige leeftijd aan pernicieuze anemie en Irène kuurde jarenlang in allerlei sanatoria voor leukemie en werd slechts zestig. Ève werd echter meer dan honderd en overleefde haar zuster bijna vijftig jaar.

Samenwerken en samenleven

Claudine Monteil beschrijft uitvoerig hoe het voor Marie van jongs af aan vanzelfsprekend was gelijkwaardig te zijn aan de mannen in haar leven. Haar vader had Marie (en haar werkende moeder) alle ruimte gegeven en ook Pierre Curie was voor haar in alle opzichten de ideale partner. Zij werkten echt gelijkwaardig samen en zijn vroege dood was dan ook in twee opzichten een grote ramp voor haar. Rouwend stortte ze zich enkele jaren later in een affaire met de getrouwde collega-fysicus Paul Langevin. Toen dat uitkwam, leverde het schandaal haar veel negatieve publiciteit op, maar Langevins reputatie was amper beschadigd. Irène had, net als haar moeder, een evenwichtige leven- en werk relatie met Frédéric Joliot, al kon hij ‘razend’ zijn als Irène een betere positie kreeg dan hij en hij haar om geld voor het laboratorium moest vragen. Bijzonder is dat hij (in 1929!) Curie aannam als tweede achternaam. Ève werd pas na veel verschillende relaties, onder meer met gehuwde mannen, gelukkig met Henry Labouisse. Toen kon ze het schrifteijke advies van haar moeder opvolgen: “Misschien ben ik niet de aangewezen persoon om je uit te leggen wat geluk is, maar het zit zeker niet in drama – dat is er al genoeg om ons heen, dat hoeven we niet op te zoeken.”

Monteil heeft ook voldoende aandacht voor de onderlinge relaties tussen de zussen Curie, die soms wat stroef waren, mede omdat ze in hun politieke ideologie niet altijd aan dezelfde kant stonden. Ook hun persoonlijkheden contrasteerden sterk. In een artikel over de wat stroeve Irène schrijft Ève: “Mijn zus is iemand die volkomen oprecht en zichzelf is, die met al haar verdiensten en gebreken er niet op uit is te behagen en zich niet mooier voor wil doen dan ze is.”

Marie Curie en haar dochters. Van links naar rechts: Irène, Marie en Ève.

Feministische agenda

Iedere biograaf schrijft het boek dat hij of zij zelf had willen lezen. Wie de achtergrond van Claudine Monteil kent, begrijpt waarom de lezer opvallend veel meer inzicht in het journalistieke werk van Ève krijgt dan in de natuurkundige en scheikundige experimenten van Marie en Irène. Monteil is namelijk geen natuurwetenschapper, maar diplomate en gespecialiseerd in vrouwenrechten. Haar moeder Josiane Serre was directeur van de genoemde De Hogere Normaalschool voor Meisjes in Sèvres. Monteil laat met dit boek een luid feministisch geluid horen. Ze benadrukt voortdurend hoe Marie en haar dochters als vrouwen in een mannenwereld altijd extra barrières moesten overwinnen. Soms stoort die feministische missie, bijvoorbeeld als ze ineens uitvoerig Simone Beauvoir opvoert, die geen persoonlijke relatie met de Curies had. Maar de biografe heeft wel een punt: zo lukte het pas in 1961 een studente van Curie om gekozen te worden als eerste vrouwelijke lid van de Franse Académie des Sciences.

Met name aan de hand van de levensloop van Irène kan Monteil ook verbanden leggen tussen politiek en wetenschap. Irène en haar man zetten zich in tegen de fascistische dictaturen in Duitsland, Italië, Spanje en Portugal. Hij zorgde ervoor dat de wereldvoorraad zwaar water veilig in Engeland kwam en ontwikkelde zelfs het chemische mengsel ‘cocktail Joliot-Curie’ dat een verwoestend effect had op Duitse tanks. De biografe heeft ook veel aandacht voor de grote verschillen tussen de goed geoutilleerde laboratoria waarin Amerikaanse wetenschappers werkten en de povere situatie in Frankrijk. Marie en Pierre werkten aanvankelijk in een oude, onverwarmde schuur.  In de VS werd Marie bovendien buitengewoon eervol gefêteerd, ook op het Witte Huis. De journaliste Missy Meloney zorgde er met een crowdfundingsactie avant la lettre voor dat Marie in 1920 een gram radium ter waarde van $100,000,mee naar Frankrijk mocht nemen. Eenmaal in Parijs was er niemand om haar met haar loodzware koffer te ontvangen.

Niet volmaakt

Marie Curie en haar dochters is een prettig leesbaar boek over een zeer boeiende dynastie van wetenschappers. Monteils aanpak van de groepsbiografie werkt: de informatie is goed geordend en ze legt ruim voldoende dwarsverbanden tussen de personages. De lezer krijgt genoeg achtergrondinformatie over de anderhalve eeuw die deze familiegeschiedenis bestrijkt. En zelfs meer: want het verhaal strekt zich ook uit tot Maries zuster, de arts Bronia Skłodowska, en tot de dochter van Irène, kernfysica Hélène Joliot-Curie. Zij trouwde met fysicus en verzetsstrijder Michel Langevin, een kleinzoon van Paul Langevin. Monteils schrijfstijl is echter nogal tuttig met veel vooruitverwijzingen als: “Zij weet dan nog niet dat zij zich door dit verblijf in Engeland later zal openstellen voor de Angelsaksische cultuur.” Monteil heeft bovendien, zoals veel Fransen, een groot talent voor bewondering. Af en toe druipt de adoratie voor de Curies van de pagina’s af en beschrijft ze Marie als een seculiere heilige. Soms is dat terecht, want het is bijna onvoorstelbaar hoe keihard deze mensen gewerkt hebben. Zo werkten Marie en Pierre met hun blote handen enorme hoeveelheden pekblende (het mineraal uraniniet) op om de straling te meten. En is het niet voorbeeldig dat de Curies het principe aanhingen dat hun onderzoeksresultaten wereldwijd beschikbaar moeten zijn en aan alle mensen ten goede moeten komen? Zij vroegen geen patenten aan op hun ontdekkingen en toepassingen.

Nee, dit is geen volmaakt boek over Marie Curie en haar dochters. Het is wel een heel leesbaar boek voor een groot publiek en het is terecht vertaald voor Nederlandse lezers die Ève Curie veel minder goed en Bronia Skłodowska waarschijnlijk helemaal niet kennen. Het spreekt lezers aan die zich graag verdiepen in de mensen achter de wetenschap en in persoonlijke ontwikkelingen in een turbulente tijd. En er kunnen nooit genoeg boeken geschreven worden over onverschrokken en zeer getalenteerde vrouwen.

Marie Curie en haar dochters
(Marie Curie et ses filles)
Querido Facto
Verschenen in november 2023

Petra Teunissen-Nijsse
Petra Teunissen-Nijsse
Petra Teunissen-Nijsse werkt als freelance redacteur, journalist en biografisch onderzoeker. Zij publiceerde over Louis Couperus, Carry van Bruggen en Clare Lennart. In juni 2017 promoveerde zij op het proefschrift Voor ’t gewone leven ongeschikt. Een biografie van Clare Lennart. Haar tekstbureau heet Leven in Woorden

Fijn als je dit artikel met anderen deelt:

Lees ook...

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in