Registreer u met uw email-adres en kies een wachtwoord
Ik ontvang graag de maandelijkse nieuwsbrief van Biografieportaal.nl

David Hume. Het ketterse denken van een vriendelijke filosoof

In de nieuwe biografie over David Hume, de vriendelijkste filosoof uit de Verlichting, werpt Ton Vink een nieuw licht op Hume als ‘man of letters’.

‘Al met al heb ik hem, bij leven en na zijn dood, altijd beschouwd als iemand die het ideaal van een volmaakt wijs en deugdzaam mens zo dicht benadert als de menselijke natuur met al haar zwakheden toelaat.’

Dat schreef de Schotse filosoof en econoom Adam Smith over zijn goede vriend David Hume, toen die laatste net was overleden.

‘Zijn karakter bezat een zo bijzondere mate van evenwicht, als ik verder nooit bij iemand heb ontmoet. (…) Zijn opvallend grote vriendelijkheid kwam nooit in conflict met zijn kracht van geest en de standvastigheid van zijn overtuigingen.’

Hoewel David Hume door vrienden als Smith op handen gedragen werd, was hij bij andere tijdsgenoten berucht. Hume uitte zijn twijfels over het bestaan van de ziel en het bestaan van een hiernamaals. Hij was in het begin vrij optimistisch over de ontvangst van zijn ideeën, die voor zijn tijd heel ketters waren. Algauw ervoer hij dat zijn filosofische ideeën hem niet in dank werden afgenomen.

Een diepe afkeer voor alles, behalve filosofie

Hume kwam uit een goed gestelde familie, die een landgoed in het oosten van Schotland bezat, Ninewells geheten, en een appartement in Edinburgh. Ninewells en Edinburgh zouden de thuisbasis blijven gedurende Humes leven. Er is niet veel bekend over zijn jeugd. Hij viel vrij jong van zijn geloof, nadat hij John Locke en Samuel Clarke had gelezen. Zijn vader, een jurist, overleed toen hij twee jaar oud was, en al op zijn elfde ging hij studeren in Edinburgh, in de richting van recht en advocatuur. Het leek logisch dat Hume de rechten in zou gaan, maar naar eigen zeggen voelde hij ‘een diepe afkeer voor alles, behalve filosofie en algemene ontwikkeling.’

Hume begon daarom naast zijn studie aan zijn Treatise of Human Nature, waarin hij twee dingen onderzoekt: allereerst hoe we aan kennis komen en hoe we zeker kunnen weten dat die betrouwbaar is, en daarnaast wat de plaats is van het gevoel en de rede in ons denken, en hoe we oordelen over goed en kwaad.

Scepticisme

Humes radicale uitkomst is dat we op basis van onze ervaringen in het heden en het verleden geen onomstotelijke conclusies kunnen trekken over de toekomst. Als we zien dat een opgeraapte steen naar beneden valt wanneer we hem loslaten, betekent dat in principe niet dat dat in de toekomst ook gaat gebeuren. Het feit dat we verwachten dat stenen naar beneden vallen is een eigenschap van onze geest, een denkgewoonte, en niet een eigenschap van de natuur.

Of neem een ander gedachtenexperiment: neem je omgeving in je op, sluit dan je ogen, en open ze weer. Lijkt alles hetzelfde? Dat is heel natuurlijk, maar niet noodzakelijkerwijs gerechtvaardigd, zegt Hume.

‘Hier ontmoeten we dus een neiging te doen alsof alle zintuiglijke objecten ononderbroken bestaan; en aangezien deze neiging voortkomt uit levendige indrukken van het geheugen, verleent dat aan die fictie een zekere levendigheid en doet ons, met andere woorden, geloven in het ononderbroken bestaan van objecten.’

Hume was dus een scepticus, en dit scepticisme is een van de meest controversiële elementen van zijn denken. Kunnen we nooit écht zeker weten dat een steen morgen ook naar de grond zal vallen? En dat objecten blijven bestaan als we onze ogen sluiten? Zulke vragen stellen klinkt behoorlijk extreem. Maar Hume was alleen sceptisch over de filosofische conclusie dat dezelfde oorzaken dezelfde gevolgen zullen blijven hebben in de toekomst. In praktijk was hij veel pragmatischer: ‘We kunnen ons zeker afvragen welke oorzaken ons ertoe brengen te geloven in het bestaan van materiële objecten. Maar het is zinloos om te vragen of er wel of geen materiële objecten bestaan. Dat is een punt waar we in al onze redeneringen van uit moeten gaan.’

Dat ketterse boek

Toch hadden zijn tijdgenoten niet zo veel aandacht voor die nuances, en zijn Treatise werd zeer negatief ontvangen; er werd gesproken over ‘afschuwelijke’ geschriften. Zijn principes zouden ‘tot atheïsme’ en ‘verderfelijke consequenties’ leiden. Men was het er dus niet alleen mee oneens, Humes werk werd zelfs gevaarlijk gevonden. Adam Smith schijnt in Oxford met zijn neus in de Treatise te hebben gezeten, toen leiders van zijn college hem ‘betrapten’ op het lezen van ‘dat ketterse boek’, en Smith kreeg een serieuze berisping.

Naast zijn filosofische werk onderneemt Hume ook enkele militaire en diplomatieke reizen, waaronder een mislukte inval op de kust van Frankrijk en een tocht door Vlaanderen en Nederland (Hume prees de schoonheid van Den Haag en Rotterdam, maar reizen door het winterse polderlandschap beviel hem minder: ‘Niets kan onaangenamer zijn dan de opeenhoping van aarde, modder, sloten en riet, die ze hier een land noemen…’).

En Hume ontpopte zich tot essayist. Hij deed uitspraken in het essay Of National Characters die, anders dan zijn scepticisme, vandaag de dag erg controversieel zijn. Hume vraagt zich daarin af hoe het kan dat verschillende volkeren een verschillende volksaard lijken te hebben. In een voetnoot schrijft hij: ‘Ik ben geneigd te veronderstellen dat negers van nature inferieur zijn aan blanken.’ Het was in 2020 de reden voor de Universiteit van Edinburgh om de ‘David Hume Tower’, onderdeel van de universiteit, na veel kritiek om te dopen tot ‘40 George Square’. In Humes tijd was er ook al verzet tegen slavernij en racisme, en omdat Hume in het overige vrij vooruitstrevend dacht, is dit niet anders te zien dan als een racistisch idee. Het is trouwens onbegrijpelijk dat biograaf Ton Vink, na dit geconstateerd te hebben, het n-woord blijft herhalen waar hij doelt op zwarte mensen of volkeren.

Essays, diplomatiek, en opgewekt de dood tegemoet

In Humes latere leven blijft hij essays schrijven, en hij werkt aan een historisch magnum opus, zijn History of England, in zes delen. Dat boek gaf hem in zijn tijd het meeste aanzien, en hij dankt zijn reputatie als ‘man of letters’ (auteur, geleerd man) aan dat werk.

Via zijn diplomatieke werk in Parijs ontmoet hij verschillende Franse intellectuelen, waaronder Jean-Jacques Rousseau. Die ontmoeting zou nog een vervelend staartje krijgen, want Rousseaus geschriften worden ook om religieuze en politieke redenen veroordeeld, en hij vlucht met hulp van Hume naar Engeland. Maar omdat Rousseau ontzettend paranoïde is (of wordt) verdenkt hij Hume van verraad, en ondanks pogingen van Hume om dat te ontkennen probeert Rousseau karaktermoord te plegen.

Hume blijft diplomatiek werk doen – hij is zelfs even staatssecretaris – maar sticht nooit een gezin. Waarom is niet helemaal duidelijk. Af en toe lijkt er wel iets te spelen, maar misschien heeft hij gewoon nooit de ware ontmoet.

Op vijfenzestigjarige leeftijd krijgt hij een levertumor, en hij krijgt te horen dat hij niet lang meer te leven heeft. Ook dát is weer voer voor controverse, want Humes tegenstanders willen graag weten of die atheïstische man, nu zijn einde nabij is, niet gewetenswroeging krijgt en tóch gelooft in het bestaan van de ziel en het hiernamaals? Niets van dat alles, Hume blijft goedgeluimd en gaat opgewekt de dood tegemoet. Hij is tevreden over wat hij heeft bereikt in het leven. ‘Het is moeilijk om meer onthecht te zijn van het leven dan ik dat op dit moment ben.’

Overzichtelijke brokjes

Ton Vink bespreekt zowel Humes werk als zijn tijdgenoten en de politieke omstandigheden; aan Humes persoonlijkheid waagt hij zich niet. Vink blijft dicht bij het bronmateriaal en de secundaire literatuur, geeft lange citaten en bespreekt andere biografieën van Hume. Daarmee heeft deze biografie eerder het karakter van een naslagwerk of studiemateriaal dan een literair werk.

Vink probeert het leven van Hume in overzichtelijke brokjes op te delen: een hoofdstuk over Rousseau, een over Adam Smith, twee hoofdstukken over zijn Treatise of Human Nature, een hoofdstuk over de intelligentsia in Edinburgh. Hoewel dat natuurlijk overzichtelijk is, werkt het niet helemaal. Het zorgt ervoor dat Vink verwarrende sprongen door de tijd moet maken, en lange uitweidingen over bijvoorbeeld het Britse koningshuis halen de vaart uit het verhaal. Daarnaast heeft Vink de neiging om erg volledig te zijn, wat natuurlijk ook een goede eigenschap is. Maar een opsomming van alle secties in Humes Enquiry concerning Human Understanding en wat er in welke sectie besproken wordt, of een opsomming van iedereen aan wie Hume een brief schrijft, is wat veel van het goede.

Het is niet gek dat Vink zijn eigen interesses in deze biografie heeft laten doorwerken, zoals het laatste hoofdstuk over euthanasie – Hume schreef een, ook al controversieel, essay over zelfdoding, en Vink is zelf pleitbezorger van zelfbeschikking over het levenseinde en werkte als consultant bij stichting De Einder. Toch knaagt er iets in dat hoofdstuk. Wil Vink daar niet al te graag parallellen tussen Hume en het heden zien? Het leidt tot anachronistische uitspraken, bijvoorbeeld wanneer hij schrijft dat Hume zeker ‘een vraagteken [zou] plaatsen achter de uitspraak (…) van de Advocaat-Generaal in de zaak-Brongersma (2002)’, waarin een huisarts hulp bij suïcide had verleend aan een patiënt die niet leed aan een lichamelijke of psychische aandoening. Maar de situatie waarin Hume over zelfdoding schreef is niet te vergelijken met die in 2002.

Een laatste punt dat stoort is de gebrekkige redactie. Veel (ook langere) citaten worden gewoon in het oorspronkelijke achttiende-eeuwse Engels weergegeven. Vink verklaart dat hij dit doet ‘omwille van de kleur en sfeer’, maar ik kan me voorstellen dat lezers daardoor kunnen worden afgeschrikt. Er staan enkele storende herhalingen in en uitweidingen die alleen maar afleiden van het verhaal (zoals een beschrijving van een affaire rondom vervalste Gaelic poëzie).

Een leven als ‘man of letters’ geeft ondanks deze onvolkomenheden een mooi beeld van Humes werk en leven, en het is te prijzen dat Vink een originele insteek heeft gekozen door Humes reputatie als ‘man of letters’ uit te lichten. Aan het eind begrijp je zeker waarom Adam Smith hem typeerde als een ‘volmaakt wijs en deugdzaam mens’.

Een leven als ‘man of letters’. Biografie van David Hume
Ton Vink
DAMON
ISBN 9789463403191
Verschenen april 2022

Bestelinformatie

Bestel als hardcover bij bol.com (€ 29,90))

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 29,90)
Laura Molenaar
Laura Molenaar
Laura Molenaar studeerde Logica aan de Universiteit van Amsterdam, daarvoor studeerde zij wiskunde en filosofie. Zij schreef onder andere voor dagblad Trouw en de filosofiewebsite van de Koninklijke Bibliotheek.

Fijn als je dit artikel met anderen deelt:

Lees ook...

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in