De Canadese wortels van Jack Kerouac

Jack Kerouac
Jack Kerouac, 1943. Naval Reserve Enlistment.

Joyce Johnson was 21 toen ze Jack Kerouac leerde kennen. Allen Ginsburg had een blind date voor zijn vrienden geregeld. Kennelijk had hij er talent voor. De twee kregen een relatie, die tot 1958 zou duren. Johnson schreef over die gepassioneerde periode in haar leven in Minor Characters. Ze is nu 77 en  heeft de nodige distantie ontwikkeld om een biografie van Kerouac te kunnen schrijven. ‘I felt I had an obligation to set the record straight. I’m just sick of the way he’s been portrayed,’ zegt ze in een interview met Lauren de Graff voor The Daily Beast.

Jean Louis Kerouac groeide op in Lowel, Masachusettes, een Frans-Canadese enclave. Hij sprak joual, het Quebecaanse Frans, dat vooral met de working class wordt geassocieerd, ‘a wild and rich anarchic soup’, aldus Johnson. Hij bleef zijn leven lang onzeker over het Engels dat hij aan St. Louis de France had geleerd, de plaatselijke parochieschool in Lowell. ‘I cannot write my native language and have no native home any more.’ Maar volgens Johnson was het zijn grote kracht: ‘While Kerouac’s linguistic anxieties contributed to his rootlessness and a fear that the process of becoming American might never be completed, Johnson suggests his internal struggle to navigate his mixed ethnic identity gave his prose a hard-earned depth and directness,’ schrijft Lauren de Graff. In zijn tienerjaren spijbelde Kerouac, om urenlang in de bibliotheek door te brengen. Hij las Goethe, Balzac, Proust en Joyce. Thomas Wolfe deed hem verlangen de ‘essential and everlasting America’ in proza vast te leggen, maar het was vooral Reis naar het einde van de nacht van Louis-Ferdinand Céline dat hem op het idee bracht een verhaal te schrijven over ‘two guys hitchhiking to California in search of something they don’t really find, and losing themselves on the road, and coming all the way back, hopeful of something else.’ Johnson ontkracht de mythe dat On the Road in een roes van twintig dagen tot stand is gekomen – Kerouac rammend op zijn Underwood, op een rol telefaxpapier. Het deed Truman Capote verzuchten: ‘That’s not writing, that’s typing’. Kerouac begon al in 1946 na te denken over de structuur van zijn road novel en schreef verschillende kladversies voordat hij in het voorjaar van 1951 echt aan het  werk ging. Tegen die tijd was hij in het reine gekomen met zijn ‘linguistic insecurity’. Hij probeerde niet meer het geaffecteerde Engels na te apen van de schrijvers die hij bewonderde, maar omarmde de taal van zijn jeugd.

‘But then they danced down the streets like dingledodies, and I shambled after as I’ve been doing all my life after people who interest me, because the only people for me are the mad ones, the ones who are mad to live, mad to talk, mad to be saved, desirous of everything at the same time, the ones who never yawn or say a commonplace thing, but burn, burn, burn like fabulous yellow roman candles exploding like spiders across the stars and in the middle you see the blue centerlight pop and everybody goes : ’Awww!’  Jack Kerouac, On the Road.

The Voice Is All: The Lonely Victory of Jack Kerouac
Joyce Johnson
Uitgeverij Tantor Media
ISBN 9781452658209
Verschenen september 2012

Bestelinformatie

Bestel hier als hardcover bij bol.com (€ 28,99)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here