Max Blokzijl, foute journalist met een groot ego

Een interview met Kees Schaepman

De ondertitel van de biografie over journalist, radiomaker en NSB’er Max Blokzijl (1884-1946) is ‘opkomst en ondergang van een journalist’ door auteur Kees Schaepman (Den Haag 1946) niet voor niets gekozen. Het is het enige dat schrijver en onderwerp gemeen hebben: de liefde voor de journalistiek. ,,Dat gegeven maakte mij nieuwsgierig naar de persoon Max Blokzijl maar gaandeweg werd hij me steeds antipathieker, ’’ vertelt Schaepman. Toch is hij van mening dat het Bijzonder Gerechtshof zich er in 1946 wel heel gemakkelijk vanaf heeft gemaakt door Blokzijl op basis van flinterdun bewijs ter dood te veroordelen. ,,Met de uitspraak werd in ieder geval voldaan aan de wens en verwachting van het merendeel van de bevolking, ’’ zo schrijft hij in zijn boek. Voor één keer had het zondagskind domweg pech.

Zolang hij zich kan herinneren is Schaepman al geïnteresseerd in de Tweede Wereldoorlog. Voor zijn ouders was het een ijkpunt. Max Blokzijl, voor die generatie geen onbekende naam, heeft in de oorlog een opmerkelijke rol gespeeld. De connectie met zijn onderwerp was er ook. ,,Ik kom uit een Haags milieu. Mijn ouders kenden Fie Carelsen (actrice en de geliefde van Jean Louis Pisuisse) heel goed. Ik noemde haar tante Fie. Pisuisse heeft een aantal jaren samengewerkt met Blokzijl. Mijn broer, die overleden is, kreeg les van Tobi Goedewaagen, een volbloed antisemiet. In de Tweede Wereldoorlog was hij secretaris-generaal op het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten en de baas van Max Blokzijl. Na de oorlog leidde hij leerlingen op voor het staatsexamen gymnasium. Dat kwam allemaal bij me boven toen ik dit boek aan het schrijven was. Jammer genoeg heb ik mijn vader, die vroeg is overleden, nooit gevraagd hoe hij het vond dat mijn broer les kreeg van deze man.’’

Kees Schaepman © Eric Palmen (CC BY-SA 4.0)

Max Blokzijl vierde in eerste instantie triomfen als begeleider van Jean-Louis Pisuisse, de ‘Vader van het Nederlandse Cabaret’. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd hij frontverslaggever en correspondent in Berlijn voor het gezaghebbende Algemeen Handelsblad en volgde derhalve de ontwikkelingen van de Weimar Republiek in de woelige jaren van het interbellum op de voet. In de jaren dertig ontwikkelde hij zich tot een nationaalsocialist. Na de capitulatie van Nederland keerde hij terug en hield causerieën voor de radio over onderwerpen als de bezetting, de strijd tegen het communisme en de betekenis van Hitler.

Behoefte aan bewondering

,,Ik vond Blokzijl interessant omdat hij, net als ik, journalist was en boeiende dingen heeft meegemaakt.’’ De journalistiek ligt ook Schaepman na aan het hart. Hij was onder andere redacteur van Vrij Nederland, hoofdredacteur van het Engelstalige maandblad Transitions, waarvan de redactie in Praag was gevestigd. In 2001 werd hij eindredacteur van het radioprogramma De Ochtenden van de VPRO en was hoofdredacteur van de VPRO Radio.

Blokzijl stond aan het begin van de jaren dertig nog sceptisch tegenover het opkomende Nationaalsocialisme, maar hij raakte gaandeweg onder de indruk van Adolf Hitler en zijn beweging. ,,Blokzijl was een man die grote behoefte had aan iemand boven zich, die hij bewonderde. Tegen Hitler keek hij op, maar ook Pisuisse bewonderde hij. Blokzijl noemde hem onnavolgbaar ‘een mensch van groot formaat’.’’

Als begeleider van Pisuisse, Blokzijl was zeer muzikaal, had hij veel succes. De twee trokken negen dagen door het land en publiceerden een boek over die periode ‘Avonturen van een straatmuzikant’, waarin zij beurtelings een hoofdstuk schreven. Ze werden een nationale sensatie. In september van 1908 maakte het duo een lange tournee door Nederlands-Indië. In zijn memoires heeft Blokzijl niets dan lof voor Pisuisse, die op zijn beurt aan zijn geliefde Fie Carelsen schrijft: ,,Max is heelemaal zoo’n onwààr mensch, zelfs tegenover zichzelf! – dat zijn ware motieven nooit na te speuren zijn.’’

Die ‘ware motieven’ waren ook voor Schaepman niet altijd even helder. De figuur van Blokzijl blijft, ondanks alle onderzoek, voor een deel ongrijpbaar. ,,Toen ik me eenmaal had voorgenomen het boek te schrijven heb ik daar een half jaar aan gewerkt. Dat kan ik heel geconcentreerd. Zo geconcentreerd dat er geen ander onderwerp was, waar ik die periode over sprak, waardoor mijn geliefde een grondige hekel kreeg aan Blokzijl.’’ Niet alle raadsels heeft hij kunnen oplossen. Daar heeft Schaepman geen enkele moeite mee. ,,Ik heb geprobeerd me in Blokzijl te verplaatsen, in zijn hoofd te kruipen, om op die manier zo dicht mogelijk bij de waarheid te komen. De vragen die ik zelf had, heb ik voor een groot deel beantwoord. Iedere biografie die verschijnt, zou weer aanleiding moeten geven tot nieuwe vragen.’’

Zondagskind

Dat Blokzijl zichzelf altijd voordeed als een succesvol zondagskind, vond Schaepman een intrigerend gegeven. Een imago dat hij, deels zelf, had gecreëerd. ,,Hij riep geregeld: wat heb ik toch geboft. En dat terwijl hij een problematische jeugd heeft gehad: het mislukte huwelijk van zijn ouders, zijn vader die vroeg overleed en zijn moeder die geestelijk niet in orde was. Wat de reden was om er met geen woord over te spreken? Ik weet het niet. Misschien was het totale verdringing, maar ik ben geen psycholoog. Hij schepte er over op dat hij zo’n geluk had gehad, terwijl hij ook had kunnen zeggen dat hij ondanks alle moeilijkheden, tegen de verdrukking in, heel veel bereikt had.’’

De auteur zelf, zag de avontuurlijke, ambitieuze jongeling voor zijn ogen veranderen in een verongelijkt burgermannetje, die tot zijn dood loyaal bleef aan zijn vriend de NSB-voorman Anton Mussert. ,,Als jongeman was hij nog wel leuk: onbevangen en avontuurlijk. Een opschepper was hij ook, maar hij kon wèl wat. In Berlijn veranderde dat. Ik begon hem steeds antipathieker te vinden en vond hem op het laatst een verwerpelijke antisemiet.’’

Over de journalistieke kwaliteiten van Blokzijl is Schaepman kritisch. ,,Ik denk dat hij zijn werk als een roeping zag en dat hij wel een goede correspondent geweest is, ook omdat hij in Berlijn over een breed netwerk beschikte. Over zijn reportages ben ik minder enthousiast.’’ Als voorbeeld noemt Schaepman het verslag dat Blokzijl deed van zijn bezoek in september 1939 aan het Poolse Bromberg. Hij was hij daar op uitnodiging van de Duitse overheid, die wilde laten zien welke gruweldaden Poolse soldaten en burgers zouden hebben gepleegd op Duitsers. ,,Ik kon die situatie goed vergelijken omdat ik iets vergelijkbaars heb meegemaakt. In 1988 was ik als verslaggever in de Koerdische stad Halabja, die in opdracht van Sadam Hoessein was bestookt met gifgas. Kort na dat bombardement ben ik daar naar toe gevlogen door de Iraanse luchtmacht. Mijn gevoel was er één van voortdurend wantrouwen. Zie ik wel wat ik zie? Je probeert voortdurend alles te checken. Ik ben zelfs in auto’s geklommen waarin chauffeurs vergast waren, om te kijken of het contactsleuteltje er in zat. De hele tijd dacht ik, word ik niet misbruikt voor propaganda?

Blokzijl deed geen onderzoek maar nam zonder meer aan dat die mensen ook inderdaad door de Polen vermoord waren. Dat vind ik hele gebrekkige journalistiek. Of dat opzettelijk gebeurd is omdat hij zich voor propagandadoeleinden liet gebruiken of dat het naïviteit was, dat zullen we nooit weten. Ik denk eigenlijk het laatste.’’

De grote reportage die hij begin 1919 schreef over een reis die hij maakte naar Lemberg was ook zo’n voorbeeld. ,,Hij had voor een journalist een ongewoon groot ego, wilde graag in de voetsporen treden van collega’s als Rie Brusse.. Dat niveau haalde hij bij lange na niet. In deze reportage meldt hij alleen hoe onaangenaam de treinreis voor hemzelf was. Dat jij als journalist wat moet afzien, is voor de lezer totaal niet interessant. Hij keek niet om zich heen, gaf geen beschrijving van zijn medepassagiers.’’

Max Blokzijl. Bron: NIOD

Voedingsbodem

Al in 1935 sloot Blokzijl zich in het geheim aan bij de NSB, bang als hij was dat hij ontslagen zou worden bij het Algemeen Handelsblad. Wat de voedingsbodem is geweest, voor de ommezwaai die Blokzijl maakte, blijft gissen. Dat oordeel laat Schaepman aan de lezer. Hij constateert wèl dat Blokzijl altijd iets verongelijkts had. ,,Alsof hij het gevoel had, dat hij niet het applaus kreeg dat hij eigenlijk verdiende. Die houding, dat verongelijkte, is ook voor andere NSB’ers vaak een voedingsbodem geweest.’’ Daarnaast was Blokzijl ook gecharmeerd van militair vertoon. Toen hij in 1905 in dienst moest, verheugde hij zich erop en vond hij het een eer Hare Majesteit te mogen dienen. ,,Hij heeft er ook geregeld over geschreven. Dat het Nederlandse volk helemaal niet antimilitaristisch was en over hoe militairen zich wel niet moesten voelen als ze uitgejouwd of niet respectvol werden bejegend. Ik denk dat die stukken eigenlijk over zijn vader gaan, die kapitein was van de infanterie.’’

Blokzijl ontwikkelde pas op middelbare leeftijd een rabiate Jodenhaat. ,,Dat antisemitisme van hem heeft me het meest verbaasd. In de jeugdboeken die hij rond 1917 schreef, een tijd waarin een milde vorm van antisemitisme voor zover die bestaat, gebruikelijk was, ben ik niet één opmerking in die richting tegengekomen. Hij had veel Joodse vrienden en toen Blokzijl samen met Pisuisse als straatmuzikant door Nederland trok, kozen ze ieder een Joodse naam. Ik vind antisemitisme sowieso moeilijk te begrijpen. Als je in een omgeving bent opgegroeid en je gevoed wordt met antisemitische ideeën, kan ik het me nog enigszins voorstellen. Maar dat je antisemiet wordt, als je dat in geen enkel opzicht bent, vind ik lastig te begrijpen. Misschien was het opportunisme. Ik probeer wel wat aanzetten tot een verklaring te geven, maar ik kom er niet echt uit.’’

Schaepman is van mening dat Blokzijl na de oorlog op basis van de aanklacht ten onrechte veroordeeld is. Transcripties van zijn radiopraatjes zijn als bewijslast gebruikt bij zijn proces. ,,Blokzijl heeft die causerieën niet in opdracht van de Duitsers gehouden. Je zou kunnen volhouden dat het zijn mening was. Dat het een verwerpelijke mening is, dat mag je vinden maar het is op zich niet strafbaar om die uit te spreken. Voor zijn rol inzake Titus Brandsma of de gelijkschakeling van de Nederlandse pers had hij een flinke douw kunnen krijgen, maar dat hij alleen op zijn radiopraatjes veroordeeld is, vind ik niet terecht.’’

Korte lontjes

Journalist, schrijver en goede vriend Rudie Kagie komt tot dezelfde conclusie. Toen Schaepman het laatste hoofdstuk geschreven had, vond hij een epiloog over de vrijheid van meningsuiting door de jaren heen een relevante aanvulling. ,,Ik wilde dat zelf niet doen. Dan is het alsof ik om die reden het boek geschreven heb. Rudie staat er objectiever tegenover en schrijft mooi en goed.’’

Kagie concludeert dat vandaag de dag ‘de lontjes steeds korter worden’ en dat de strafrechtelijke grenzen van het vrije woord in de afgelopen tien jaar aanzienlijk zijn opgerekt en ze nu juist lijken te worden ingeperkt door toenemende intolerantie van individuen en groepen die niet alles zomaar pikken.

Schaepman: ,,Het is jammer dat er zo weinig historisch besef is. Woorden als NSB’er en landverrader worden te pas en te onpas gebruikt, aan beide zijden van het politieke spectrum. Het zijn containerbegrippen geworden. Waar ik ook grote moeite mee heb, is dat je geen vergelijkingen mag maken met de Tweede Wereldoorlog. Dan valt de hele goegemeente over je heen. Natuurlijk, de geschiedenis herhaalt zich nooit op dezelfde manier maar patronen herhalen zich wel. Daar mag je mensen best op wijzen.’’

Klik hier voor de bespreking van Eric Palmen.

Max Blokzijl. Opkomst en ondergang van een journalist
Kees Schaepman
Walburg Pers
Verschenen in november 2020

Marita de Jong
Marita de Jong is journaliste. Ze werkte jarenlang voor NDC Mediagroep en was als redacteur verbonden aan het cultureel opinieblad De Moanne. Tegenwoordig schrijft ze voor De Moanne, de website Fryslân1 en doet ze ondermeer pr werkzaamheden voor Museum Belvédère en Collegium Vocale Fryslân. In 2008 verscheen bij de Afûk haar boek: 14 schilders uit de Belvédère.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here