Lucas Pieters Roodbaard (1782-1851). Tuinarchitect met groot beeldend vermogen

Een interview met kunsthistorica en biografe Rita Radetzky

Rita Radetzky in Oranjestein

Wanneer kunsthistorica Rita Radetzky (Budapest, 1952) rondloopt in de tuinen van Staniastate in Oentsjerk of Oranjestein in Oranjewoud, ziet ze niet alleen het werk van een tuinarchitect maar ook dat van een ware kunstenaar. Verantwoordelijk voor die groene weelde en kleurenpracht is tuinarchitect Lucas Pieters Roodbaard (1782-1851). ,,Een van de basisbegrippen van romantische Engelse landschapstuinen is dat ze schilderachtig moeten zijn. Als iemand dat kon, was hij dat.’’ Radetzky promoveerde in maart van dit jaar op deze Drentse tuinarchitect, die zijn sporen in het Noorden heeft nagelaten en ook veel van zijn navolgers heeft geïnspireerd. Nu is er de biografie Tuinarchitect Lucas Pieters Roodbaard (1782-1851) en de landschapsstijl, uitgegeven door Noordboek.

Het boek plaatst zijn werk in de context van de tuinarchitectuur van West-Europa. Roodbaard ontwikkelde een eigen stijl waarin zijn beeldende vermogen een grote rol speelde. Zowel zijn uitgebreide oeuvre als de beïnvloeding door Nederlandse en buitenlandse tuinarchitecten zijn door Radetzky geanalyseerd en ze reconstrueert zijn werkwijze, op basis van niet eerder gebruikte archivalia. Het is volgens Radetzky geen toeval dat er zoveel ontwerptekeningen van Roodbaard bewaard zijn gebleven. ,,Dat is deels te danken aan de stadsarchivaris van Leeuwarden Wopke Eekhoff, hij prees in 1846 ‘het vernuft en den smaak van den heer Roodbaard’, maar ook aan de opdrachtgevers van de tuinarchitect, die zijn tekeningen altijd zorgvuldig hebben bewaard. Vorig jaar nog dook er één op in een archief van de Van Heloma’s, dat was overgedragen aan Tresoar. Dat gebeurt maar zelden. Ik zag meteen dat de tekening van Roodbaard was. Die nieuwe ontdekking heb ik gelukkig nog kunnen meenemen in het boek.’’

Radetzky is geboren in de Hongaarse hoofdstad Budapest en had als kind al een grote belangstelling architectuur en tuinarchitectuur. ,,In mijn geboortestad wemelt het van de mooie gebouwen en parken. Dat heeft mij echt getriggerd. Vanaf mijn twaalfde jaar kreeg ik daar oog voor en die liefde is nooit meer overgegaan.’’ Ze kwam naar Friesland, Radetzky woont sinds de jaren zeventig in Leeuwarden, en ging kunstgeschiedenis en klassieke archeologie studeren aan de Rijksuniversiteit in Groningen. Tijdens die studie oriënteerde ze zich op een breed terrein, ook schilderkunst en toegepaste kunsten hebben haar belangstelling, maar in architectuur en tuinarchitectuur is ze tenslotte gespecialiseerd. ,,Ik heb een brede interesse, ik wil heel veel weten. Vanaf het begin wist ik dat architectuur en tuinarchitectuur een steeds belangrijkere rol zou gaan spelen. Vandaag de dag zijn we heel veel bezig met natuur en groen en zijn we ons er steeds meer van bewust hoe belangrijk dat is voor ons welzijn.’’

Stadsvernieuwing

Ook rond 1820 was daar al volop aandacht voor. Het was de periode van de stadsvernieuwing, die parallel loopt met de carrière van Roodbaard. ,,Voor mij als onderzoeker een hoogst interessant gegeven. Tussen 1820 en 1851 kreeg hij de ene opdracht na de andere, hij was op het toppunt van zijn roem. Het welzijn van de burger kreeg een steeds prominentere plaats in de plannen. Vanuit die gedachte is men veel groen gaan aanleggen. Roodbaard was daar nauw bij betrokken en werkte samen met stadsarchitecten. Voor één van hen, Thomas Romein, was hij zelfs adviseur. Het is intrigerend om te zien hoe zijn carrière, zo’n enorme vlucht heeft kunnen nemen.’’

Lucas Pieters Roodbaard kwam op 20 januari 1782 in Rolde ter wereld. Zijn vader werkte als tuinknecht, bij een voorname bestuurder in Assen. Hij woonde daar in een dienstwoning. Zo kwam de jonge Lucas Pieters al vroeg in aanraking met het hoveniersvak. ,,Er werkten ook een aantal tuinlieden die van elders kwamen en daar moet hij vast het een en ander van opgestoken hebben.’’ De jongen viel op. De eigenaar beval hem aan, aan de bewoners van een kleine buitenplaats Zandvoort in Helpman bij Groningen. In 1807 woonde en werkte hij als tuinman bij de familie Van Gesseler. ,,Zij hebben hem geëntameerd om naar de Tekenschool te gaan. Ze zagen kennelijk iets in de jonge Lucas. ‘s Avonds studeerde hij aan de Akademie voor Teken-, Bouw- en Zeevaartkunde in Groningen en rondde die opleiding in 1813 af.’’

In het jaar van zijn afstuderen ontmoette hij zijn toekomstige vrouw Hillechien Deddes, die als dienstmeisje gediend had bij de puissant rijke doctor Jacobus van der Steege. In 1809 vestigde Van der Steege zich in Nieuwer-Amstel, waar hij al in 1802 het buiten Stadwijk aan de Amstel had gekocht. ,,Hillechien reisde met hem mee en er bloeide iets moois op tussen die twee. Uit die relatie werd een zoon Philibert Herman geboren, die hij vlak voor zijn overlijden erkende. Roodbaard, met wie ze inmiddels getrouwd was, ging samen met haar terug naar Amsterdam om de erfenis te regelen, iets wat niet niet zonder slag of stoot verliep.’’

Carrière als kunstenaar

Niets wees er toen nog op dat Roodbaard tuinarchitect zou worden. Hij deed met één pastel mee aan een expositie in het Trippenhuis in Amsterdam en heeft gepoogd als portrettist zijn brood te verdienen. Het echtpaar had intussen van het geld van de erfenis een huis gekocht in Groningen. Zijn carrière als kunstenaar kwam echter nauwelijks van de grond en om genoeg inkomen te verwerven pakte hij zijn oude vakgebied weer op. Ditmaal niet als hovenier maar als ontwerper.

,,Bornia State in Weidum was zijn eerste grote klus. De Friese patriciër Bernhardus Buma, grietman van Baarderadeel, huurde hem in om een tuin aan te leggen in landschapsstijl. Roodbaard had het geluk dat zijn opdrachtgever over een uitgebreid netwerk beschikte en veel belangrijke contacten in Leeuwarden had. Daar kwamen veel opdrachten uit voort maar ook familieleden van de Buma’s, maar ook leden van andere families zoals Cats en Oosting bestelden een tuinontwerp bij hem.’’

Hij kreeg alle stedelijke opdrachten voor Leeuwarden, waaronder ‘de groene wandeling’ over het bolwerk, rondom de stad. Dat deed hij helemaal in zijn eentje. Het was heel modern voor die tijd, Leeuwarden liep met een dergelijk project voorop. Ik heb precies kunnen nagaan, hoe het ontwerp in elkaar zit en wat zijn werkwijze is geweest. ‘’

Ontwerp voor de tuin van Lyndenstein in Beetsterzwaag, ca 1825.

Staten, stinzen en buitenplaatsen

Radetzky heeft al eerder over Roodbaard gepubliceerd. De eerste keer dat ze zijn naam tegenkwam was in 1979 tijdens haar studie. Ze nam deel aan een project over de tuinarchitect en daar is niet alleen haar liefde voor Roodbaard ontstaan maar ook voor bronnenonderzoek. ,,Ik ben gek op archieven. Je zou het een virus kunnen noemen’’. Ze schreef diverse boeken over staten, stinzen en buitenplaatsen. ,,Ensembles worden ze wel genoemd. Een buitenplaats draagt de sporen van de bewoners, heeft architectuur en tuinarchitectuur – het hoort voor mij allemaal bij elkaar. Zo hebben we, ik werk vaak samen met mijn man, archivaris en schrijver Barteld de Vries, ook boeken geschreven.’’

De naam Roodbaard kruiste steeds weer haar pad. In 1999 verzorgde ze de eerste uitgave die gewijd is aan een tuinarchitect in de serie BONAS van het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam, L.P. Roodbaard (1782-1851). Een tuinarchitect met schildersogen. Ook in De Geschiedenis van Oranjewoud Van vorstelijk lustslot tot voorname buitenplaatsen, een standaardwerk dat inmiddels haar zesde druk beleefde, passeert Roodbaard de revue. Zijn park bij Oranjestein is één van de meest gave in Friesland omdat de oorspronkelijke aanleg in de loop van de tijd weinig is veranderd. Vanwege haar kennis over Oranjewoud en haar bewoners, was Radetzky destijds ook als historisch adviseur betrokken bij de realisatie van Museum Belvédère, het eerste museum voor moderne en hedendaagse kunst in Friesland.

,,Moderne kunst en cultureel erfgoed geven een interessant spanningsveld. Het is niet voor niks dat ik moderne kunst zo interessant vind. Tijdens mijn studie zag ik hoe, bewoners van de buitenplaatsen, zich verhielden tot kunst. Waarom vonden ze Willem Bartel van der Kooi allemaal zo mooi? Waarom spreekt de kunst van Sjoerd de Vries, Christiaan Kuitwaard en Willem van Althuis ons nu zo aan? Moderne kunst wordt ooit ook geschiedenis en dan maakt het deel uit van een groter geheel dat kunstgeschiedenis heet. Ik vind het belangrijk mensen bewust te maken van de samenhang der dingen. Momenteel waardeer ik zeer de kunstenaar Johannes Bosgra, die prachtige foto’s maakt. In zijn serie Bomen van Bosgra heeft hij opnamen gemaakt in de parklandschappen op Stania State en Fogelsangh State, met bomen die nog zijn gekweekt door zijn oudvader Tiete Bosgra (1794-1875).’’

Zelf kijken

Ook het park bij Stania State is ontworpen door Roodbaard en inmiddels fraai gerestaureerd. Speelse waterpartijen, slingerpaadjes, weilanden, bosjes en fraaie lanen wisselen elkaar af. ,,Er valt zoveel te genieten. Niet alleen in parken, ook in de stad kijk ik mijn ogen uit. Daar wordt mijn aandacht altijd getrokken door de architectuur, de gevels. Wat me opvalt is dat heel veel mensen voortdurend op hun mobiel kijken, in plaats van om zich heen. Door al die apparatuur worden we verwend, omdat we alles krijgen aangeboden, zodat mensen niet meer zelf gaan kijken. Dat ervaar ik toch als een groot gemis. In musea zie je dat ook. Bezoekers maken foto’s, ze staan maar heel kort voor een schilderij. Als ik met vrienden een museum bezoek, ben ik altijd de laatste. Ik wil de schilderijen echt in me opnemen en daar heb ik tijd voor nodig.’’

Stania State © Bayke de Vries (CC BY-SA 3.0)

Ze had zo graag eens een portret van Roodbaard willen zien. Ze heeft het niet kunnen vinden. ,,Er bestaat zelfs geen zelfportret van hem. Ik vermoed wel dat hij een rossige baard heeft gehad, maar met een dergelijke stelling, begeef ik me op glad ijs. In mijn boek heb ik mij zoveel mogelijk aan de feiten gehouden.’’ Radetzky concludeert dat Roodbaard weliswaar het bekendst is in Noord-Nederland maar dat hij ook elders in het land wordt gezien als één van de grote figuren op het gebied van de Engelse landschapsstijl, naast vakgenoten als Jan David Zocher junior (1791- 1870) en Hendrik van Lunteren (1780-1848).

,,Roodbaard wordt met name vanaf de jaren tachtig van de 20e eeuw met respect genoemd maar zijn werk verdient zeker nog meer aandacht. De keus van de bomen, de hele structuur van een tuin zoals bij bijvoorbeeld een landgoed als Oranjestein is zo bedacht, dat je telkens dat schilderachtige, zo kenmerkend voor de Engelse landschapstuinen, kunt beleven. Alsof je steeds opnieuw een ander schilderij ziet. Een bewoonster van het landgoed omschreef haar tuin in 1825 met bijna religieuze overtuiging als ‘een aardsch paradijs’. Groter compliment kan een tuinarchitect niet krijgen.’’

Tuinarchitect Lucas Pieters Roodbaard (1782-1851) en de landschapsstijl
Rita Radetzky
Uitgeverij Noordboek
ISBN 9789056157517
Verschijnt op 28 juni a.s.

Bestelinformatie

Bestel als hardcover bij bol.com (€ 49,90)
Marita de Jong is journaliste. Ze werkte jarenlang voor NDC Mediagroep en was als redacteur verbonden aan het cultureel opinieblad De Moanne. Tegenwoordig schrijft ze voor De Moanne, de website Fryslân1 en doet ze ondermeer pr werkzaamheden voor Museum Belvédère en Collegium Vocale Fryslân. In 2008 verscheen bij de Afûk haar boek: 14 schilders uit de Belvédère.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here