Jeanne Bieruma Oosting werkte alsof de duivel haar op de hielen zat

Jolande Withuis over een werk in wording

© Keke Keukelaar

‘Wat verstaan jullie eigenlijk onder een Friese biografie’? Met deze prikkelende vraag zette schrijfster Jolande Withuis onlangs de lancering van het Fries Biografie Instituut (FBI) in Tresoar in Leeuwarden op scherp. Ze was uitgenodigd om te komen vertellen over haar werk aan een biografie met kunstenares Jeanne Bieruma Oosting (1898 – 1994) als onderwerp. De hoofdpersoon is in in Leeuwarden geboren maar heeft na haar negende levensjaar niet meer in Friesland gewoond. Ze bezocht alleen zo nu en dan haar familie, woonachtig in Beetsterzwaag en Oranjewoud.

Withuis maakte meteen helder dat ze niets op heeft met identiteitspolitiek. ,,Wat is een Friese biografie? Moet je hier dan geboren zijn? Moeten je voorouders hier vandaan komen? Identiteitspolitiek reduceert mensen tot slechts één aspect van hun wezen. Een mens is meer dan de optelsom van afkomst en invloeden. Een goede biograaf pint zijn hoofdpersoon dan ook niet vast op één kenmerk. Mensen zijn ‘van alles’: ze zijn zwart, vrouw, directeur, lesbisch, dik, bejaard, kankerpatiënt en weduwe. Mijn biografie over Jeanne Bieruma Oosting zal net zo min een adelsbiografie als een Friese biografie worden.’’

In 1989 zag Withuis voor het eerst werk van de kunstenares. Ze vond het prachtig. Toen ze in 1990 promoveerde, mocht ze van haar vrienden een cadeau uitkiezen en dat werd een aquarel van Bieruma Oosting. Ze bezocht de galerie die haar werk verkocht maar kon niets van haar gading vinden. ,,De topstukken waren al weg dus ik maakte kenbaar dat ik nog even wilde wachten.’’ Tot haar grote verrassing werd ze drie dagen later opgebeld door de, inmiddels 92-jarige, kunstenares zelf die op buitengewoon strenge toon zei: ‘Ik heb begrepen dat u een aquarel van me wilt. Vond u het werk in de galerie niet mooi?’
Withuis herinnert zich dat ze ‘acuut lafhartig’ reageerde.

,,Oosting vroeg me of ik wat wilde komen uitzoeken in haar atelier. Het klonk eigenlijk meer als een bevel maar het was een aanbod dat ik natuurlijk niet kon en ook niet wilde weigeren. Het beeld van haar dat zich in mijn hoofd had genesteld was dat van een ietwat gereserveerde freule met een hoed en veren, zoals op enkele zelfportretten uit de jaren dertig. De vrouw die open deed, zag er morsig uit, een sigaret bungelend in haar mondhoek. Ze was klein maar ferm en had een waakzame blik.’’

Jeanne Bieruma Oosting
‘Naakt’, 1930-1931
steendruk op papier, 40,5 x 28 cm
Ottema-Kingma Stichting
Bruikleen Museum Belvédère, Heerenveen-Oranjewoud

,,Eerst kreeg ik een reprimande. Het was toch een man die mijn telefoon opnam? En ik was toch een geleerde vrouw? ‘U kunt toch geen twee heren dienen?’ Dat was haar mantra ontdekte ik later. Vrouwen hadden volgens haar maar twee keuzes: een huiselijk leven of hun beroep. Op dat moment realiseerde ik mij dat ik in de eerste feministische golf was aanbeland.

Withuis schreef over het bezoek in een column in Opzij:

Daarna gingen haar mappen met werk open en een uur later fietste ik tevreden terug met een door haarzelf in pakpapier gerolde Oosting, een aquarel die de woonkamer uitbeeldt van haar landhuis in het Gelderse Almen – fauteuil, tafeltje met bontgekleurde hyancinthen, asbak, sigarettendoos. Die eeuwige sigaret werpt een prettig vrijzinnige ‘smet’ op een afbeelding die anders misschien zoetig zou zijn. Nog jaren na haar dood hingen de gordijntjes in het mooie, vervallen huis nog jarenlang precies zoals op mijn aquarel.

Na deze bijzondere ontmoeting met de kunstenares bleef het idee van een biografie over Bieruma Oosting in haar hoofd rondzingen maar de ruimte om die te schrijven was er nog niet. De biografie Juliana. Vorstin in een mannenwereld, begon Withuis bij het Niod en voltooide ze toen ze met pensioen was; daarna volgde Raadselvader, over haar vader, de bekende schaakjournalist Berry Withuis en het verstikkende communistische milieu waar ze in opgroeide. Toen dat boek was verschenen, Withuis noemt het geen biografie – ‘het zijn mijn persoonlijke herinneringen aan mijn vader’ – realiseerde ze zich ineens dat het nu eindelijk tijd was voor de biografie die al zo lang ‘in de wacht’ had gestaan.

,,Ik had het geluk dat er dozen archiefmateriaal voorhanden waren bij het RKD en ook nog eens keurig geïnventariseerd. Dat betrof echter alleen haar werk. Bieruma Oosting heeft met de halve wereld gecorrespondeerd maar het waren allemaal brieven ààn haar en niet vàn haar.’’ Gelukkig kwam Withuis familieleden op het spoor die over een groot archief beschikten van maar liefst 22 archiefdozen. Daarin bevonden zich ondermeer twee- tot drieduizend brieven, uit de periode 1910-1950. Ze waren van de hand van haar ouders, geschreven aan hun dochter.

,,Brieven zijn biografengoud. Ze voeren je rechtstreeks naar de hoofdpersoon. Al lezende ontrolde zich het verhaal. Wat meteen in het oog sprong, waren de beperkte mogelijkheden die meisjes in die tijd hadden en wat er van hen werd verwacht. Het was de bedoeling dat ze zorgden voor nakomelingen. De familie moest worden voortgezet. Als je dat als biografe uit de tweede of derde hand hoort, heeft dat nauwelijks body. ‘Ze had het moeilijk, er waren obstakels, ze was er ongelukkig mee’, dat zal allemaal wel, maar nu lees ik het in de bewoordingen van haar vader en die liegen er niet om. Met dit materiaal kan ik het verhaal aankleden.’’

Jeanne Bierum Oosting – Zelfportret 1932. Bron: Museum Henriette Polak via Collectie Gelderland Open Cultuurdata (CC BY 4.0)

Ongeduldig personage

Een rode draad heeft Withuis nog niet. Wel een werktitel: Geen tijd te verliezen. ,,Bieruma Oosting was een ongeduldig personage. Ze heeft gewerkt tot haar dood. Als ze al eens bij iemand in Almen een kopje koffie dronk, zei ze terwijl de gastvrouw de koffiefilter vulde: je schiet wel op hè? ik moet weer aan het werk. Ze had haast om zich te bewijzen en dat heeft haar werk soms geschaad.’’

Die rode draad, zo stelt Withuis, is belangrijk omdat je aan de hand daarvan het materiaal gaat schikken en selecteren. ,,Bij de biografie van verzetsheld Pim Boellaard had ik die van meet af aan te pakken. Ik had al veel over concentratiekampen geschreven en wist meteen dat het accent kwam te liggen op zijn moed in het kamp. Omdat er veel te veel materiaal voorhanden is, moet je er als biografe voor waken dat het geen opsomming wordt, want daar is voor de lezer niet doorheen te komen.

Eén van de grote lijnen in het geval van Bieruma Oosting is het feminisme – vrouwen, vooral gehuwde vrouwen, waren in de tijd dat Jeanne opgroeide rechtenloos. ,,Haar moeder, die gedurende haar leven steeds bitterder werd, kwam uit de puissant rijke familie de Van Harixma’s Thoe Slootens. Haar man beheerde haar vermogen zoals dat toen gebruikelijk was. Vrouwen waren tot 1956 namelijk handelingsonbekwaam. Maar ze ontdekte dat hij haar familiefortuin gebruikte voor het onderhoud van het landgoed van de Oostings Oranjestein in Oranjewoud.’’

Dochter Jeanne weigerde zich neer te leggen bij de voor haar uitgestippelde toekomst. Net zoals haar goede vriendin, beeldhouwster Charlotte van Pallandt (1898-1997) dat deed. ,,Niks trouwen maar zelfstandig leven en werken. Toch is het nooit tot een breuk gekomen met de familie, al vonden haar ouders het blijkbaar niet de moeite waard, haar brieven te bewaren. Ik heb wel de beschikking over haar memoires die nooit zijn uitgegeven.’’

Zelfkant

In 1929 vertrok Bieruma Oosting naar Parijs waar ze elf jaar verbleef. Voor de kunstenares een enerverende tijd die haar wereldbeeld ongetwijfeld zal hebben veranderd. ,,Ze was opgevoed in een beschermde wereld. In Parijs ontdekte ze de zelfkant van het leven: bordelen, zwervers, drankzucht, het lesbische leven. Daar werden kinderen van landadel normaliter niet mee geconfronteerd. In Parijs ontdekte ze dat allemaal. En dan al die moderne kunstenaars. Ze heeft zelfs nog met Picasso op een grafisch atelier gewerkt.’’

Publiciste Susan van den Berg schreef over die tijd in Parijs in het boek Frysk 100 jaar schilderkunst in Friesland: ‘In Parijs werkte ze aan een oeuvre dat zich nu deels laat lezen als een kleurrijk en gelaagd dagboek. Haar vele bezoeken aan exposities, opera’s en het circus werden omgezet in een sterke serie grafische werken. Ze maakte uitbundige olieverfschilderijen, maar ook melancholieke miniatuurtjes waarin de Parijse sfeer van stille pleintjes en nauwe straatjes duidelijk doorklinkt.’ In Museum Belvédère zullen in het voorjaar van 2022, wanneer de biografie verschijnt, werken uit die Parijse periode te zien zijn.

Biografieën plegen te gaan over mensen die op enig gebied een belangwekkende prestatie hebben geleverd, zo stelt Withuis. Jeanne Bieruma Oosting valt in die categorie. Ze heeft een interessant leven geleid én ze is overleden. Dat is voor de biografe een absolute voorwaarde. ,, Een biografie over iemand die nog leeft, vind ik eigenlijk niet kunnen. Een leven moet voltooid zijn om de grote lijnen te kunnen ontwaren en te duiden. Levensbeschrijvingen van de Princess of Wales geschreven ná het publieke fiasco van haar huwelijk klonken bepaald anders dan de idyllische geschriften uit de tijd dat het Charles & Diana-sprookje nog overeind werd gehouden.

Daarnaast vind ik het impertinent om te wroeten in iemands privacy als die persoon nog in leven is. Als biograaf moet je je bronnen in volledige vrijheid kunnen raadplegen. Dat is een lastige klus als de hoofdpersoon over je schouder meekijkt. ‘’

Onderzoek

Dat de biografie bloeit danken we aan de individualisering en de ontzuiling. Tegelijk heeft de gelijktijdige democratisering een explosie van huis-, tuin- en keukenbiografieën veroorzaakt. ,,Opa’s die hun kinderen vertellen over hun oorlogsverleden, mensen die hun ziekteproces beschrijven, het mag van mij allemaal. Maar er is wel een verschil met een gedegen wetenschappelijke biografie. Er wordt geen onderzoek gedaan, de gebiografeerde wordt op zijn of haar woord geloofd. Over het waarheidsgehalte maakt niemand zich zorgen en de historiografische waarde van dergelijke geschriften is dan ook twijfelachtig. Voor diepgaande research ontbreken tijd en kennis, en vooral de wil. Het gaat hier niet om de waarheid maar om eer, erkenning en een warm gevoel.’’

De ultieme biografie bestaat volgens haar niet. ,,Dat is een illusie. Ik heb genoten van de uiteenlopende biografieën over de zusters Brontë, Virginia Woolf en Mary Wollstonecraft – levens waarop nieuwe generaties steeds weer nieuwe visies hebben. En natuurlijk kunnen er altijd nieuwe bronnen opduiken, waardoor de biograaf zijn interpretatie moet herzien. Een als ‘definitief’ aangeprezen biografie zal die aanbeveling zelden kunnen waarmaken.’’

Een vraag waarop Withuis graag een antwoord zou willen vinden, is of de kunstenares ook spijt heeft gehad van de keuze om alleen door het leven te gaan. ,,Daar heeft ze destijds bewust voor gekozen. Maar ik weet nog niet of ze het altijd als een zegen heeft ervaren. Zoals het een goede biografe betaamt, geloof ik mijn hoofdpersoon nooit op zijn of haar woord.’’

De biografie van Jeanne Bieruma Oosting door Jolande Withuis staat gepland in het voorjaar van 2022. In Museum Belvédère zullen dan werken uit de Parijse periode van Jeanne Bieruma Oosting te zien zijn.  

Marita de Jong
Marita de Jong is journaliste. Ze werkte jarenlang voor NDC Mediagroep en was als redacteur verbonden aan het cultureel opinieblad De Moanne. Tegenwoordig schrijft ze voor De Moanne, de website Fryslân1 en doet ze ondermeer pr werkzaamheden voor Museum Belvédère en Collegium Vocale Fryslân. In 2008 verscheen bij de Afûk haar boek: 14 schilders uit de Belvédère.

1 REACTIE

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here