De vrijheid van de biograaf. Een reportage

de vrijheid van de biograaf

De biografie. In de literatuurkunst is het een laag genre, het staat onderaan de ladder. Bovenaan staat de poëzie, dan krijg je de roman, het essay en dan ergens na het reisboek komt de biografie. Schrijver Kees ’t Hart, moderator van de middag in Academisch Cultureel podium Spui 25, gaat er maar meteen met gestrekt been in.
Aanleiding voor het gesprek is het verschijnen van De Nijhoffs en ik – of de gevolgen van een genre, geschreven door Marja Pruis. Een boek over het schrijven van een boek over de schrijfster van weer andere boeken die getrouwd was met dichter Martinus Nijhoff. Eigenlijk was een betere titel voor het debat deze middag De grenzen van de biografie. Over de vrijheid van de biograaf is het voor mij niet gegaan. Of heb ik het allemaal niet goed begrepen?

Uitgever Elik Letting houdt het inleidende praatje en geeft een korte toelichting op de aanleiding voor het boek van Marja Pruis en dit debat, georganiseerd door De Groene Amsterdammer, uitgeverij Nijgh & Van Ditmar en Spui 25. Marja’s eerste boek, De Nijhoffs of de gevolgen van een huwelijk, was blijkbaar bij verschijnen in 1999 onderwerp van een literaire rel. Dat was mij ontgaan maar ik ben dan ook een buitenstaander. De recensies logen er niet om en Marja heeft op haar bureau fotorolletjes liggen met niet-ontwikkelde foto’s van de blijkbaar niet zo feestelijke presentatie van dat eerste boek. Een traumatische ervaring was het geweest. Dit nieuwe boek, ik heb het nog niet kunnen lezen, is aldus de tekst op de binnenflap:

“een heruitgave en een herneming in één, een fascinerende literaire exercitie waarin de auteur haar jongere ik beschouwt en de grenzen van het genre van de biografie – opnieuw – aftast.”

Marja Pruis vertelt in een kort optreden over een brief die ze kreeg van een vriendin die ze tien jaar geleden voor het laatst zag, waaruit ze toch maar niet gaat voorlezen. Over een telefoontje dat ze pleegde met Marjo van Soest die bezig is met het schrijven van de biografie van Emmy van Lokhorst. Marjo had net een schat aan brieven van de zus van Emmy in handen gekregen. Hoe blij moest ze daar nu mee zijn want hoe waardevol zijn brieven eigenlijk voor een biograaf?
De biografie leeft meer dan ooit, anno 2018, volgens Marja. Ze had vanavond bij Nieuwsuurkunnen zitten. Op ditzelfde moment had ze bij op Radio 1 te horen kunnen zijn. De moeder de vrouw, het thema van de komende Boekenweek, is immers ontleend aan een gedicht van Nijhoff. De discussie over wie daar wel of niet iets over mag schrijven laat ze aan zich voorbij gaan. Ze is liever hier.

Kees ‘t Hart, naar eigen zeggen verslaafd aan het lezen van biografieën, probeert uit alle macht de gemoederen los te maken. Je moet ze wantrouwen die biografen, zegt hij. Ze lijden aan een ziekte die thuishoort in het ‘mental diseases’ handboek. De ziekte heet biografie want de biograaf lijdt aan ik-zwakte (haalt zichzelf uit het verhaal), voyeurisme, het mythologiseren van de biografeling, is gefixeerd want besteedt jaren aan één onderwerp en ontbeert een gezonde dosis narcisme. De 19e-eeuwse essayist Ralph Waldo Emerson zei het al, volgens ’t Hart, schrijvers leven in de toekomst, biografen in het verleden. Wat heb ik daaraan?
Het woord is aan het panel. Arjen Fortuin, biograaf van uitgever Geert van Oorschot en schrijver van het boek Bespottelijk maar aangenaam. De biografie in Nederland, reageert serieus. Hij is van huis uit historicus en is nieuwsgierig naar keuzes uit het verleden. Aleid Truijens, biograaf van FB Hotz en van Hella Haase, pareert met passie. Als biografieën je niet interesseren, dan lees je ze toch niet!? Maaike Meijer, biograaf van Vasalis en Fritzi Harmsen van Beek, legt met minzaam enthousiasme uit. De biografie is levend en sprankelend, volgens haar. Er zijn zoveel mogelijkheden, we doen er alleen veel te weinig mee. Biografen moeten meer experimenteren met de vorm en af van de voorouderconventie. Dus niet beginnen bij de voorouders en maar doorschrijven tot aan de dood van de gebiografeerde. Wat dat betreft is ze blij met het boek van Marja Pruis. Die heeft zich van geen enkele conventie iets aangetrokken. Het woord biografiepolitie valt. Arjen Fortuin merkt op dat we af zijn van het idee dat er maar één definitieve biografie over een persoon geschreven kan worden.

Aleid Truijens bekent dat zij een van de bedervers is van het vorige feestje van Marja. Ze heeft moeite met de grens tussen non-fictie en fictie die Marja in haar debuut was overgestoken. Dat deed ze volgens Truijens op het moment dat ze geïnterviewden tot personages maakte. Ze las haar recensie uit 1999 nog eens en is het met de strekking ervan nog steeds eens.
Op dat moment is het jammer dat Marja Pruis niet mee doet aan de discussie. Marja had moeite om bij de bronnen van het materiaal over de Nijhoffs te komen. Het vaker voorkomende probleem voor biografen, er zit iemand op het materiaal. Maar ze heeft tenminste wel een duidelijke visie gegeven, vindt ’t Hart.
Truijens schrijft in 1999, na het aandragen van inhoudelijke kritiek op de manier waarop Pruis haar personages neerzette: “Natuurlijk, alles kan in een lafhartig broddelwerk van feit en fictie.” En afsluitend: “Je vraagt je af wat ‘de uitgever’ bezield heeft bij de publicatie van dit pakketje onvermogen en slechte smaak. Het boek is een goede kandidaat voor ‘het ergste’ in wat gelukkig nog niet tot een erkende soort behoort.” Ja, nu snap ik het gebruik van het begrip biografiepolitie wel.

Maar nee, vuurwerk wil het maar niet worden op deze keurige middag aan het Spui. Ook niet wanneer Kees ’ t Hart de panelleden toeroept dat ze Heiligenlevens schrijven. Maaike Meijer: “Je krijgt nooit meer al het water uit de boom dat er in is gegaan, een diamant krijg je nooit meer ongeslepen, daar gaat het ook niet om. Het gaat altijd om het werk. Daar wil je de nadruk op leggen, dat wil je toelichten.” Met iedere zin schrijf je je zelf als biograaf in het boek. Zogenaamd objectieve biografieën, daar zit niemand meer op te wachten. We herschrijven elkaar de hele tijd.
Zijn er nog geheimen die onthuld worden, wil ’t Hart weten? Aleid Truijens vertelt dat Hella Haase een geheim dagboek bijhield waar voor de lezers nog wel wat onthutsend uit te verwachten is. En Maaike Meijer peinst hardop dat kunstenaarslevens besmettelijk zijn. We beschrijven in die biografieën natuurlijk geen ditjes en datjes, het gaat om de kern. Kunst is iets anders dan het leven, de biografie is de vorm om dat werk extra uit te lichten. Arjen Fortuin wil gewoon het verhaal zo mooi mogelijk opschrijven, ook als ’t Hart hem verwijt richting Romankunst te gaan als hij beschrijft hoe Geert van Oorschot op de fiets van Zeeland naar Rotterdam rijdt.

de vrijheid van de biograaf

Er zijn nog wat vragen uit het publiek. Misschien moeten we het boek van Marja zien als een ‘Making of’ van een biografie? Zou kunnen. Een andere bezoeker citeert Tonnus Oosterhoff, in 2012 winnaar van de PC Hooftprijs, die wil dat zijn hele archief wordt vernietigd voordat het in handen kan vallen van een of andere onverlaat die zich biograaf noemt. Hij wil alleen op zijn werk beoordeeld worden. Het panel reageert met de opmerking dat Oosterhoff wel erg ijdel is. Oosterhoff woont in Oost Groningen en onttrekt zich bewust aan de literaire wereld, begrijp ik. Truijens vertelt dat Hella Haase ook altijd heeft geroepen ‘aan mijn lijf geen biograaf!’ maar dat ze op haar sterfbed daarvan is teruggekomen.
Is het literair strategisch om uit de publiciteit te blijven als persoon, is daarop het volgende korte gespreksonderwerp. Vasalis was psychiater en wilde niet dat haar patiënten zich onveilig voelden tegenover iemand die haar eigen leven in de krant liet zetten. FB Hotz was bang dat het verhaal over een moord waar hij op afstand bij betrokken was, iedere keer opgerakeld zou worden en meed daarom de openbaarheid.

En toen was het klaar. In ieder geval was Kees’ t Hart er klaar mee.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here