Floor Wibaut, een ondernemende socialist

Wibaut biografie

Floor Wibaut, geboren op 23 juni 1859, was de zoon van een katholieke ondernemer en voorbestemd om in de voetsporen van zijn vader te treden. De Wibauts behoorden tot de jetset van het zieltogende Vlissingen, dat in de tweede helft van de negentiende eeuw nog maar een schim was van de florerende havenstad van weleer. Floors grootvader Jean Baptiste, een ongeletterde Fransman die zich in 1810 op Walcheren gevestigd had, wist met zijn handel in steenkolen en hout de maatschappelijke ladder te beklimmen.  Florentius Wibaut, de vader van Floor, bouwde de onderneming verder uit. Hij werd grootleverancier van de marine en de gasfabriek in Vlissingen, en van de stoomzagerij van de firma Alberts in Middelburg, waar Floor in 1876 in dienst zou treden. In 1883 werd hij vennoot. Wat bezielde deze ondernemerstelg om socialist te worden?

Dat is nog maar de vraag, ook na het lezen van Wibaut de Machtige. Een biografie van Herman de Liagre Böhl. Toegegeven, Wibaut kreeg het sociale mededogen met de paplepel ingegoten. Zijn vader was nauw betrokken bij de publieke filantropie in Vlissingen. Floor raakte, zoals zoveel van zijn tijdgenoten, onder invloed van Multatuli, ‘de revolutionaire mens, die mij de stoot heeft gegeven tot zelfstandig denken en tot het vinden van een eigen richting in het leven,’ zoals hij in zijn memoires schrijft. Multatuli was wellicht een vrijdenker maar geen socialist, eerder een “patroon van wijsneuzen en fraseurs en groene hemelbestormers”. Het citaat is van Frank van der Goes, een kompaan en leeftijdsgenoot van Wibaut, die in een artikel in het socialistische maandblad De nieuwe tijd van 1896 Multatuli vooral typeert als een burgerlijk denker. “Het was zijn doel niet de kapitalistische exploitatie van de buitenlandse bezittingen af te schaffen, het was zijn doel deze exploitatie te verbeteren.” Ook in die zin was Wibaut een Multatuliaan. Hij heeft geprobeerd twee zielen in één borst te verenigen: die van de kapitalist en socialist. Wibaut liep niet eens voorop in de stoet van ‘Sociale Ondernemers’, werkgevers als Jacques van Marken en Dirk Willem van Stork die de arbeidsomstandigheden van hun loonslaven eigenhandig rigoureus verbeterd hebben. Het werk van Marx en Engels kende hij nauwelijks, Wibaut was veeleer gericht op de Angelsaksische variant van het socialisme, die van de gematigde Fabians. Zij zochten het aanbreken van het morgenrood in een rechtvaardige distributie van het kapitaal, niet in het collectieve eigendom van de productiemiddelen. Hadden de krakers dan gelijk, die na de ontruiming van de Blaaskop in 1981 het standbeeld van Wibaut van zijn sokkel haalden en hem te kijk zetten met de tekst: “Hoedt u voor de als links vermomde rechtsen, mijdt ze als de pest, want zij zijn erger dan de rest?” Nee, Wibaut was eerder een kind van zijn tijd. Hij worstelde zijn leven lang met de grote vraagstukken van de Sociale Kwestie en heeft getracht daarin zijn standpunt te bepalen. Herman de Liagre Böhl heeft die intellectuele tour de force in detail beschreven in deze meeslepende biografie.

Wethouderssocialisme

Wibaut begon zijn politieke carrière als sociaalliberaal, verenigd in de linker vleugel van de in 1885 opgerichte Liberale Unie. Twee jaar later zei Wibaut zijn lidmaatschap op, in 1891 bekende hij zich openlijk tot het socialisme. Die radicalisering vond plaats in een kring van intellectuelen rondom de Middelburgsche Courant. Hij leerde er Pieter Lodewijk Tak en Frank van der Goes kennen, twee vrienden waarmee hij de overstap naar de SDAP zou maken. Toch bleef Wibaut het gedachtengoed van de sociaalliberalen opmerkelijk trouw. Die deelden met de Fabianisten de opvatting dat een verbetering van de sociale verhoudingen vooral op lokaal niveau tot stand kon worden gebracht: Nutsbedrijven moesten in handen van de gemeente komen, het stichten van coöperaties moest burgers tot zelfredzaamheid oproepen. Wibaut was al vroeg doordrongen van het belang van de gemeentepolitiek. Nadat hij zich met zijn gezin in Amsterdam gevestigd had, trad hij namens de SDAP toe tot de gemeenteraad van de stad. De woningbouwpolitiek was zijn paradepaardje, want daarin zag hij de basis van gezondheid, ontwikkeling en emancipatie van de arbeidersklasse. “De invloed van een slechte woning op het gezin is zo noodlottig, dat veelal iedere bemoeiing om te komen tot hogere beschaving er schipbreuk door lijdt,” schrijft Wibaut in zijn memoires. Landelijk had hij de wind mee. Het progressief-liberale kabinet-Pierson maakte zich in de jaren 1897-1901 sterk voor een radicaal hervormingsprogramma, dat vooral op gemeentelijk niveau gestalte moest krijgen. Zo was er de Woningwet van 1901, die subsidiëring van sociale woningbouw mogelijk maakte. Toch is het succes van Wibaut als voortrekker van de volkshuisvesting slechts betrekkelijk. In weerwil van zijn reputatie (“Wie bouwt? Wibaut!”) kwamen er onder zijn wethouderschap alleen noodwoningen tot stand, honderd houten huisjes aan de Grasweg in Amsterdam-Noord. In de volksmond werden ze al snel “de sinaasappelkisten van Wibaut” genoemd. Het tij had zich tegen hem gekeerd. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog stegen de prijzen van bouwmaterialen en de loonkosten enorm. Wibaut werd afgerekend op het mislukken van zijn huisvestingspolitiek. Bij de Kamerverkiezingen van 1918 zakte het stemmental van de SDAP in het kiesdistrict Amsterdam van 38 procent naar 27 procent. De grote bloei van de volkshuisvesting in Amsterdam zou pas onder zijn opvolger Monne de Miranda plaatsvinden.
Wibaut was vooral de man van de financiën, het terrein waar hij zich als ondernemer het meest senang voelde. Hij verhoogde de gemeentelijke inkomstenbelasting spectaculair en financierde met de revenuen de “rode proeftuin”. Amsterdam groeide tijdens het interbellum uit tot een blauwdruk van de naoorlogse verzorgingsstaat; de sociaaldemocraten in het gemeentebestuur beschouwden volksgezondheid, volkshuisvesting, sociale zekerheid, openbare werken, onderwijs en cultuur voortaan als een permanente zorg van de overheid. Wibaut was de verpersoonlijking van dit zogeheten “wethouderssocialisme”. “Niet alleen de opkomst van de verzorgingsstaat, maar ook de wording van het hele moderne gemeentebeleid is grotendeels bepaald door sociaaldemocratische gemeentebestuurders en Wibaut wees hun daarbij de weg,” aldus De Liagre Böhl

Het grotere verband

De grote verdienste van Herman de Liagre Böhl is dat hij met Wibaut de Machtige ook oog heeft voor de andere aspecten van deze markante persoonlijkheid. Zo zien we Wibaut als partijpoliticus opereren, die met lede ogen aanziet hoe in 1909 zijn kompanen in het partijbestuur – Herman Gorter, David Wijnkoop, Henriette Roland Holst – in aanvaring komen met Troelstra en zich afsplitsen van de SDAP. Dat drama herhaalt zich in 1933, als Frank van der Goes geen vertrouwen meer heeft in de wijze waarop zijn partijgenoten de wereldcrisis willen aanpakken. Wibaut doet zijn best om de gelederen binnen de partij te sluiten, maar kiest uiteindelijk onvoorwaardelijk voor de SDAP en vervreemdt zich daarmee van zijn trouwe metgezel. We zien Wibaut de feminist, die zich sterk maakt voor de gelijkberechtiging van vrouwen, al hebben zijn rode broeders op dat moment nog nauwelijks oog voor de rode zusters in hun beweging. Ongetwijfeld is zijn echtgenote, Mathilde van Berlekom, van grote invloed op zijn denken geweest. In 1932 getuigen ze met een gezamenlijke publicatie van hun open huwelijk en breken zij een lans voor seksuele hervorming in het benepen Nederland. We zien Wibaut ook miskleunen, vooral wat zijn inschatting van het opkomend fascisme in Europa betreft. Wibaut de Machtige is niet alleen interessant voor de Amsterdamse lezer, maar geeft ook een buitengewoon vitaal beeld van het ontstaan van de sociaaldemocratie in Nederland.

Wibaut de Machtige. Een biografie
Herman de Liagre Böhl
Uitgeverij Bert Bakker
ISBN 9789035138766
Verschenen november 2013

Bestelinformatie

Bestel hier als hardcover bij bol.com (€ 39,95)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here