Uilke Jans Klaren en de speeltuinen van Amsterdam

Misschien is het u ontgaan, maar op de derde zaterdag van juni vieren we in Nederland Vader Klarendag. De speeltuinbeweging zoals die op het breukvlak van de negentiende en twintigste eeuw gestalte kreeg, wordt dan in het zonnetje gezet. De dag is vernoemd naar Uilke Jans Klaren, volgens velen de geestelijke vader van de Amsterdamse speeltuin. Ten onrechte, zo blijkt uit een boekje dat zijn achterkleinzoon over hem heeft gepubliceerd. In Uilke Jans Klaren (1852-1947). Icoon van de speeltuinbeweging. Een portret maakt Maurits Klaren wel duidelijk dat Uilke er een eigenzinnige visie op nahield. Hij moest weinig hebben van de gangbare opvattingen over de noodzaak van tucht om Amsterdamse straatschoffies weer in het gareel te krijgen. ‘Niet de jeugd is misdadig, maar de samenleving,’ aldus Uilke Jans Klaren.

Het proletarische kind

Het was Klaren te doen om het wel en wee van het ‘proletarische kind’ dat in de sloppenwijken van Amsterdam opgroeide voor galg en rad. Amsterdam barste in de tweede helft van de negentiende eeuw uit zijn voegen. Het was de periode van de tweede Gouden Eeuw. Het Rijksmuseum kwam er, het concertgebouw, de uit zijn as herrezen schouwburg aan het Leidseplein. De bevolking nam in dertig jaar tijd toe van 265.000 naar 510.000 zielen. Nieuwe arbeiderswijken als De Pijp en Czaar Peterbuurt konden de aanwas niet aan, zodat de oude – de Nieuwmarktbuurt, de Jordaan, de Oostelijke Eilanden – overvol raakten. Verpaupering dus. De keerzijde van de stedelijke welvaart.

Uilke Jans Klaren was een typische exponent van die toestroom. Geboren op 21 maart 1852 in Tjalleberd, trok hij in 1881 met zijn gezin naar Amsterdam. Voor een scheepstimmerman was er, zeker met de komst van de moderne stoomschepen, te weinig emplooi op het Friese platteland. De komst naar de hoofdstad markeerde een rampjaar voor Uilke. Kort na aankomst stierven zijn vrouw en dochtertje. Hij hertrouwde een jaar later.

Klaren was een socialist in hart en nieren. Vooral het onrecht van de gedwongen winkelnering opende zijn ogen voor de uitwassen van het kapitalisme. Hij stond niet alleen in zijn woede. Ferdinand Domela Nieuwenhuis stelde in zijn eerste toespraak voor de Tweede Kamer de praktijk aan de kaak dat arbeiders hun hongerloon in de winkels van hun werkgevers moesten besteden, met alle woekerprijzen van dien. De sociaal-anarchist inspireerde Klaren tot een activistisch leven, in dienst van de gemeenschap. Het lot van de opgroeiende jeugd in Amsterdam werd zijn levensproject.

Het alfamannetje op de apenrots

De eerste speeltuin in Amsterdam, die aan het Tweede Weteringplantsoen, kwam
op initiatief van Nicolaas Tettenrode tot stand. Hij was de eigenaar van een lettergieterij aan de Bilderdijkstraat en lid van de gemeenteraad van Amsterdam. Een speeltuin, zo betoogde de sociaal ondernemer, verschaft ‘de kinderen van het volk’ een andere uitlaatklep dan ‘ellendig dobbelen en andere ongezonde en onbeschaafde straatvermaken’. Theo Thijssen, die opgroeide in de Jordaan en Oud-West, hekelde de eerste generatie speeltuinen. In de uitstalkast van klimrekken, wippen en schommels gold ‘het recht van de sterkste’. Ondanks alle goede bedoelingen, verwerd de speeltuin zo tot een replica van de samenleving: wie was het alfamannetje op de apenrots?

Nicolaas Tettenrode (1816-1894) en de speeltuin aan het Tweede Weteringplantsoen

Stuwenede, steunende en aanvullende krachten

Klaren stond met zijn Oosterspeeltuin een ander ideaal voor ogen. Hij wilde een tuin die gemeenschapszin zou bevorderen, waar ouders zich konden ontplooien in de leeszaal van het belendende clubgebouw en de jeugd onderwezen werd in de wonderen van de natuur. De plaatselijke plantenkast stelde de begeleiding in staat aan de hand van het seksleven der insecten een delicaat onderwerp als de voortplanting ter sprake te brengen. Bovenal wilde Klaren een speeltuin die door de buurt zelf gedragen werd. Hij polemiseerde tegen een van bovenaf opgelegd beschavingsoffensief van orde, tucht en regelmaat. Lichamelijke opvoeding behoorde geschraagd te worden door het verenigingsleven, niet door de gegoede burgerij of de lokale gymnastiekleraar. Dat het leger met de oprichting van de Nederlandse Bond voor Lichamelijke Opvoeding (NBvLO) in 1908 sport en spelde dreigde te monopoliseren, was hem een gruwel.

Toch had Uilke Jans Klaren de steun van de sociaal bewogen jetset wel degelijk nodig voor de verwerkelijking van zijn idealen. Het familieboek dat hij voor zijn nazaten schreef, is vanuit historisch oogpunt vooral hierin interessant. Klaren getuigt in nogal krakkemikkige verzen van de vruchtbare maar ook gespannen samenwerking tussen sociaaldemocraten en progressief liberalen in Amsterdam. In het ideale geval was de speeltuin de uitkomst van een Triple Entente: ‘Wij ouders van de arbeidersjeugd zijn de stuwende kracht, de beter gesitueerden dienen de steunende kracht te zijn en ten slotte is aan de overheid de taak beschoren van aanvullende kracht door het verstrekken van een subsidie.’

Het is jammer dat Maurits Klaren de rijkdom van het familieboek niet ten volle weet te exploiteren. Zo kreeg Uilke Jans Klaren in 1905 hooglopende ruzie met de ‘dames Tilanus en Reijnvaar’. Samen zaten zij in het bestuur van Samenwerking, een vereniging die op de Oostelijke Eilanden ‘volksverheffing’ nastreefde. Als lezer ben je vanzelfsprekend nieuwsgierig naar de identiteit van die dames. We moeten ‘mejuffrouw Tilanus’ vooral niet verwarren met de vooraanstaande feministe Liede Tilanus, zo benadrukt de auteur. Nee, maar het betreft wel Cornelia Johanna Tilanus (1861-1956), een oudere zus van Liede (1871-1953). ‘Mejuffrouw Reijnvaar’ is componiste Maria Cornelia Catharina Reijnvaan, die bij haar overlijden in 1934 een aantal grisailles van Jacob de Wit aan het Rijksmuseum heeft nagelaten. Zij woonde samen met Cornelia Johanna Tilanus in Elspeet.

Door het ontbreken van een dergelijke contextualisering blijft het boekje wel heel erg dicht op de huid van het bronnenmateriaal zitten. Desalniettemin is het portret van Uilke Jans Klaren meer dan een particuliere familiegeschiedenis. Daarvoor is zijn leven te interessant, en dat weet Maurits Klaren wel degelijk voor het voetlicht te brengen. Hulde ook voor Uitgeverij Panchaud, die kosten noch moeite heeft gespaard bij de vormgeving van het boekje. Een mooie bladspiegel in carréformaat, met relevante afbeeldingen van de belangrijkste objecten en hoofdrolspelers van de Amsterdamse speeltuinbeweging.

Uilke Jans Klaren (1852-1947). Icoon van de speeltuinbeweging. Een portret Maurits Klaren
Uitgeverij Panchaud
ISBN 978-90-826730-4-3
Verschenen in december 2018

Bestelinformatie

Bestel hier als paperback bij Uitgeverij Panchaud (€ 29,50)

1 REACTIE

  1. In de goed getroffen recensie van het boek Uilke Jan Klaren komt Eric Palmen met een interessant feit over de voor mij mysterieuze dames Tilanus en Reijnvaar. Waarvoor dank. Ik heb geprobeerd hun identiteit te achterhalen maar dat is mij niet gelukt. Nu ben ik geen historicus maar ex-bouwkundig ingenieur en heb kennelijk niet diep genoeg of in de juiste richting gegraven. Helaas vond ik ook geen spoor van de vereniging Samenwerking. Wellicht kan Eric Palmen me een zet in de goede richting geven?
    Met vriendelijke groet,
    Maurits klaren

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here