Mathilde Visser, communistische kunstcritica en goudvink

Mathilde Visser biografie

De naam goudvink kende ik alleen als die van het kleine gele vogeltje. Na het lezen van Tussen Lenin en Lucebert. Mathilde Visser, kunstcritica (1900-1985), een biografie van de hand van Igor Cornelissen, weet ik beter. De Communistische Partij Nederland noemde zo de leden en sympathisanten in goeden doen. Die moesten extra aandacht krijgen want, tsja, de bedoeling was wel dat revolutionaire communisten voor elkaar zorgden en dat werd toch lastig zonder kapitaal. Kunsthistorica Mathilde Visser was in goeden doen en beschikte over kapitaal. Dus was ze voor de CPN een ‘goudvink’.
Mathilde Visser werd geboren in een vooraanstaand Haags milieu. Haar vader mr. Lodewijk Ernst Visser was een vermaard jurist en werd in 1939 benoemd tot voorzitter van de Hoge Raad der Nederlanden. Haar moeder, Cornelia Sara Wertheim, kwam uit een bekende bankiersfamilie. Thuis werd Nederlands en Frans gesproken. Ze groeide op tussen hoogopgeleide en kunstminnende mensen, bezocht het gymnasium Haganum. Aan de universiteit van Leiden begon ze aan een studie kunstgeschiedenis, maar brak die af om te trouwen. Het was een orthodox joods huwelijk, dat werd gesloten in de synagoge in Den Haag. Vijf jaar later werd het weer ontbonden, haar tien jaar oudere man had haar vrijheidsdrang niet kunnen beteugelen.

Joris Ivens

In seculiere vrijheid opgegroeid, komt ze in aanraking met Russische revolutionaire kunst. Ze wordt secretaresse bij de Nederlandse Filmliga, opgericht door onder anderen Joris Ivens. Met hem zou ze de rest van haar leven bevriend blijven. Ook Ivens, de filmmaker die de opkomst van ‘De Internationale’ in de Sovjet-Unie en China vastlegde, was een goudvink.
Mathilde schrijft kunstkritieken voor de NRC, ze woont in Parijs en Berlijn, want daar gebeurt het in die jaren, en sluit zich aan bij de vredesbeweging De derde weg. Ze kan het zich veroorloven om zich in wilde avonturen te storten en komt op haar reizen genoeg vrije geesten tegen die, net als zij, groots en meeslepend willen leven.
Zo raakt ze op latere leeftijd bevriend met Willem Oltmans. Beiden beschikten over een vergelijkbaar internationaal netwerk, kenden mensen in ‘high places’. Het verschil was dat Oltmans dat netwerk vooral in de politiek en het zakenleven had, terwijl Mathilde zich meestal in kunstkringen bewoog. Ze was bevriend met Salvador Dalí, Max Ernst, Pablo Picasso, André Gide, om maar een paar namen te noemen.

Stalin

Die ongebondenheid en onafhankelijkheid hebben ook een keerzijde. Ze blijft de communistische revolutie verdedigen en weigert onder ogen te zien dat Stalin miljoenen doden op zijn geweten heeft. Een perfecte propagandist voor de communistische heilstaat, zou je denken. Maar Mathilde trouwde met Zdenko Reich, een Joegoslavische revolutionair en aanhanger van Tito. En dus lag ze er uit bij de Russische communisten, Tito had met zijn onafhankelijke koers ten opzichte van de Sovjet-Unie in de ogen van Stalin immers de Oktoberrevolutie verraden.
Haar eigen partij de CPN vond haar te frivool, ze genoot van de mooie dingen des levens. De Nederlandse regering hield haar in de gaten omdat ze weigerde haar communistische sympathieën los te laten. Ze hoefde niet perse te werken maar ze wilde het. En toen De Waarheid, het partijblad, haar in 1956 ontsloeg omdat ze niet loyaal was aan de onafhankelijke koers van de partij en de Sovjet-Unie bleef steunen, was ze buigzaam genoeg om voor het Financieel Dagblad te gaan werken. Ze onderhield belangrijke vriendschappen in de kunstwereld, maar ook die bekeek deze rare ‘bourgeois revolutionair’ met argwaan.

Igor Cornelissen zegt in een interview dat hij altijd kiest voor de underdog, de mens die door iedereen met wantrouwen wordt bekeken. Hij is er met deze biografie in geslaagd om een relatief onbekende vrouw het podium te geven dat ze verdient. Maar ze lijkt ze me bepaald geen underdog. Mathilde Visser bezat veel, in materiële zin, en vond dat anderen daar net zo veel recht op hadden als zij. Ze verloor ook veel; haar grote liefde Zdenko Reich, het respect van haar partijgenoten, werk waar ze van hield. Maar altijd kwam ze op voor datgene waar ze meende recht op te hebben. Dat leerde ze van haar vader, die in 1940 ontslagen werd omdat hij joods was en zich luidkeels verzette. In 1941 overleed hij aan een hersenbloeding.
Een belangrijk stuk Nederlandse geschiedenis wordt in dit boek geschetst, als decor bij het leven van een intrigerende, markante en ook aimabele vrouw. Een vrouw die in materiële en immateriële zin vrij was. Mooi is hoe Cornelissen de vriendschap van Mathilde Visser met Anna Blaman beschrijft. Uit de brieven zou je kunnen concluderen dat de twee geliefden waren, maar voor hetzelfde geld hadden zij toen al een vriendschap ‘with benefits’, en was dat prima. Cornelissen laat de conclusie over dat soort informatie graag aan zijn lezers, laat hij in zijn inleiding weten. Hij citeert Cees Fasseur: “ Hij (de lezer) is geen klein kind dat aan de hand moet worden gehouden. De duiding door de biograaf heeft hij maar in beperkte mate nodig.“

Goudvink

Mathilde Visser was echt wel een goudvink. Ze liet in 1951 een huis bouwen in Laren, de tuin in deze ‘goudkust van Nederland’ werd onderhouden door de bekende tuinarchitect Mien Ruys. Daar ontving ze veel gasten, deelde haar rijkdom met gulle hand met de mensen die haar lief waren. Maar wie in haar ogen aan de verkeerde kant van de geschiedenis stond, werd resoluut de toegang en de omgang geweigerd.
Tot het einde bleef ze strijden, en wilde ze erkenning voor wat ze had gedaan. In Frankrijk had ze gevochten tegen de fascisten, in Nederland gestreden in het verzet, en na de oorlog deed ze heel veel moeite om te blijven schrijven over kunst. Kunst die het volk moest verheffen.
Kunst verhief ook Mathilde Visser zelf. De Picasso die ze thuis op de piano had staan, was een belangrijk onderpand bij leningen die ze van de bank los probeerde te krijgen. Het schilderij van Max Ernst dat ze naliet aan haar ex-man, werd door hem in Amsterdam meteen verkocht. Opbrengst: een ton. Ook in 1985 kun je daar een behoorlijke poos van leven.

Tot het einde van haar leven bleef ze vasthouden aan haar persoonlijke vrijheid. Ze was 81 toen ze met de auto naar Joegoslavië reed, om nog eens haar oude partijgenoten en vrienden te ontmoeten. Vrienden en familie hielden hun hart vast, want kenden haar roekeloze rijgedrag. Mathilde Visser was tegen die tijd een eigenwijze oude vrouw. Ze vond dat ze anderen de waarheid mocht zeggen. Wanneer iemand haar liet weten dat ze zich gedroeg als ‘een 19e eeuwse grootindustrieel’ die gewend was dat er naar haar pijpen werd gedanst, dan gaf mevrouw niet thuis.

Tussen Lenin en Lucebert. Mathilde Visser, kunstcritica (1900-1985)
Igor Cornelissen
Arbeiderspers
ISBN 9789029523974
Verschenen in juni 2018

Bestelinformatie

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als paperback bij Athenaeum Boekhandel (€ 22,50)
Koop bij bol.comBestel als paperback bij bol.com (€ 22,50)
Bestel als ebook bij bol.com (€ 11,99)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here