Rob Nieuwenhuys. ‘Nooit is Indonesië afwezig in mijn bestaan.’

In 1971 bezocht Rob Nieuwenhuys, na een afwezigheid van haast twintig jaar, zijn moederland Indonesië. Hij was er in 1908 geboren, in Semarang aan de noordkust van Java. De reis kwam tot stand in het kader van de Culturele Overeenkomst die het kabinet-De Jong in 1968 met de Indonesische regering overeengekomen was. Tom Phijffer komt in Het masker van Rob Nieuwenhuys tot een ‘reconstructie’ van deze reis.

Indonesia revisited

Nieuwenhuys was met de afronding van de Oost-Indische spiegel bezig, zijn magnum opus over de Indisch-Nederlandse letterkunde, toen hij als lid van de Commissie van Advies door de regering werd uitgezonden om in de voormalige kolonie een culturele uitwisseling tot stand brengen. Hij stuitte er op een muur van onverschilligheid. In Indonesië leefde het akkoord nauwelijks. De man die min of meer verscheurd werd door het tempo doeloe, ‘de tijd van vroeger’, maakte kennis met een jonge generatie Indonesiërs voor wie het koloniale verleden een afgesloten hoofdstuk leek. Alleen de ouderen spraken nog Nederlands. Soekarno had met zijn taalpolitiek de herinnering aan de voormalige kolonisator rigoureus uitgewist.

Hella Haase was Rob Nieuwenhuys twee jaar eerder voorgegaan. Ze brak in huilen uit toen ze in het vliegtuig de lichtjes van Djakarta zag. Nieuwenhuys had een heel andere ervaring. ‘Het ging gewoon. Zonder ontroering zelfs. Maar de ontmoeting deed me goed,’ liet hij het thuisfront weten. Voor Nieuwenhuys was het bezoek aan Indonesië een emotionele tour de force. Volgens zijn gastheer Gerard Termorshuizen, die vanwege de Culturele Overeenkomst als universitair docent in Djakarta terechtgekomen was, deprimeerde de reis Nieuwenhuys bij tijd en wijle. Het geliefde Hotel des Indes, waar zijn vader directeur was geweest, bestond niet meer. De baboe die hem had opgevoed, was allang overleden. Nieuwenhuys bezocht het kerkhof waar zijn zoontje begraven lag. Het kind stierf in 1938 toen hij 1 jaar oud was. Het graf lag er nog, overwoekerd door onkruid. Nieuwenhuys maakte er foto’s van voor Frieda, zijn echtgenote.

In Oost-Indische spiegel schrijft Nieuwenhuys.

‘Geen “Weerzien met Indonesië”, maar “Indonesia revisited”, eenvoudig omdat het Engelse woord revisited meer inhoudt: behalve een weerzien ook een confrontatie, een herziening, een herwaardering of wat dan ook.’

Willem Frederik Hermans

Zijn dagen in Djakarta brengt Nieuwenhuys in het gezelschap van Nederlanders door. Fons Rademakers is er met zijn vrouw Lili, om groen licht te krijgen voor zijn verfilming van De stille kracht. Willem Frederik Hermans, die het scenario schreef, reisde met hem mee. Hun missie mislukt. De autoriteiten vinden De stille kracht een karikatuur van de goena goena, de zogeheten eeuwenoude toverkunst van Indonesië. Wel krijgt Rademakers drie jaar later toestemming om de Max Havelaar op Java te verfilmen. Het ontgaat de autoriteiten volkomen dat de corruptie van het inlandse bestuur – de beruchte zaak van Lebak – weleens als parabel kan dienen voor het functioneren van het Soeharto-regime. De film wordt tot 1987 verboden in Indonesië.

Nieuwenhuys vond Hermans in 1971 een aimabele man, het tjotjokte met hem. Vier jaar later werd Hermans zijn aartsvijand, vanwege diezelfde Max Havelaar en de interpretatie van de Lebak-affaire. Volgens Nieuwenhuys begreep Douwes Dekker niets van de inlandse verhoudingen en het gewoonterecht in Lebak. Hermans verweet ‘de schrijver R. Nieuwenhuys’ op zijn beurt een te verregaand cultuurrelativisme, waarmee misstanden al te gemakkelijk werden weggewuifd als ‘typisch westerse evaluaties’. Met een dergelijke mentaliteit zouden we ook de weduweverbranding in India, het koppensnellen op Borneo of het kannibalisme waar dan ook ‘in bewondering moeten gadeslaan’, aldus Hermans.

Politiek

De brieven aan Frieda en de aantekeningen van Nieuwenhuys vormen de leidraad van deze ‘reconstructie’. Daarin schuilt ook de zwakte van het boek. Phijffer blijft wel erg dicht op de huid van zijn bronnenmateriaal zitten. Overmand door ‘historische sensatie’ probeert hij een aantal kwesties op te lossen die het archief heeft opgeroepen. Zo krijgen we een uitgebreide zoektocht voorgeschoteld naar het antwoord op de vraag waarom Nieuwenhuys zo zuur kijkt op de foto die van het Nederlandse gezelschap tijdens het bezoek aan de ambassade gemaakt is. De in zwembroek gestoken Rademakers en Hermans hadden het kennelijk veel meer naar hun zin. Phijffer weet ons na grondig speurwerk te melden dat Nieuwenhuys op dat moment behoorlijk verbrand is door de zon, iets wat je op zo’n zwart-witplaatje volkomen ontgaat.

Het boek staat vol van dit soort ‘onthullingen’, waarvan je je als lezer afvraagt wat je ermee aan moet. Die mededeelzaamheid staat in schril contrast met het gebrek aan inkadering van al dat materiaal in een historische en politieke context. Zo is de aandacht voor de maatschappelijke situatie in Indonesië en de consequenties daarvan voor de verhoudingen met Nederland wel erg minimaal. De hervatting van de diplomatieke betrekkingen, waarvan de Culturele Overeenkomst een onderdeel was, riep toentertijd nogal wat principiële vragen op. Moest je dat wel willen met een generaalsregime, dat het niet al te nauw nam met de respectering van de mensenrechten. Volgens schattingen van Amnesty International zaten er onder het Soeharto-regime zo’n 70 à 80.000 politieke gevangenen vast in de verschillende concentratiekampen op Buru, veelal zonder enige vorm van berechting, want een juridisch apparaat was er nauwelijks. De militaire politie daarentegen, de Kopkamtib was des te nadrukkelijker aanwezig.

Het staatsbezoek van Soeharto aan Nederland in 1970 had dan ook nogal wat voeten in de aarde. De geplande drie dagen werden teruggebracht tot een zwaarbeveiligd bliksembezoek op 3 september 1970. Er deden geruchten de ronde over een moordaanslag op de president; Molukse jongeren bezetten de ambtswoning van de Indonesische ambassadeur in Wassenaar, waarbij een politieman om het leven kwam. Het actiecomité Soeharto Ongewenst riep koningin Juliana op om van het tegenbezoek aan Indonesië een jaar later af te zien. Initiatiefnemer was Willem Frederik Wertheim, hoogleraar niet-westerse sociologie aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam.

Nieuwenhuys heeft tijdens zijn verblijf in Indonesië een ontmoeting met Sartono Kartodirdjo, een promovendus van Wertheim. Kartodirdjo verwijt zijn promotor kortzichtigheid als het om diens analyse van het generaalsregime gaat. Waarin die analyse dan te kort schiet, blijft nogal duister. Phijffer parafraseert alleen de particuliere aantekening die Niewenhuys over het gesprek heeft gemaakt. Ook boterde het persoonlijk niet tussen Wertheim en Nieuwenhuys, alweer vanwege Multatuli en de Lebak-affaire. Maar ook de kern van dat meningsverschil blijft verborgen in de mist van wat particuliere aantekeningen. Dat is onbevredigend. Phijffer had de lezer meer bij de hand moeten nemen om het bredere verhaal achter de persoonlijke ontboezemingen van Rob Nieuwenhuys tijdens zijn reis aan Indonesië beter te kunnen begrijpen.

Volwaardige biografie

Rob Nieuwenhuys verdient een volwaardige biografie. Zijn leven beslaat zo’n beetje de hele twintigste eeuw en maakt veel duidelijk over onze relatie met Indonesië – voor, tijdens en na de dekolonisatie. Daarbij heeft de man een aantal prachtige boeken geschreven. Phijffer moedigde me met zijn reconstructie aan Een beetje oorlog weer eens uit mijn boekenkast te nemen, een verzameling verhalen van Nieuwenhuys over zijn detentie in verschillende Jappenkampen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Om de een of andere reden greep dat boek me enorm aan toen ik een jaar of twintig was. Na herlezing vind ik het nog steeds een van de indringendste getuigenissen van de Tweede Wereldoorlog in Azië. Ook Vergeelde portretten uit een Indisch familiealbum staat als een huis. Nieuwenhuys is een rasverteller, de nostalgie van het tempo doeloe heeft in zijn proza altijd een randje. Inderdaad, het gaat om een revisited, nooit om louter heimwee. Nieuwenhuys noemde zichzelf een ‘marginal man’, iemand die van ‘niemandsland’ zijn vaste woon- en verblijfplaats had gemaakt. ‘Ik geloof dat ik het zó zeggen kan: emotioneel behoor ik bij Indonesië – cultureel bij Europa. Cultureel ben ik Europeaan maar mijn hart trekt naar Indonesië.’ Van die desolate staat van ontworteling kun je dus prachtige literatuur maken, als het talent je gegeven is.

Het masker van Rob Nieuwenhuys. Reconstructie van een vergeten reis naar Indonesië
Thom Phijffer
Uitgeverij Verloren
ISBN 9789087048457
Verschenen in mei 2020

Bestelinformatie

Bestel als paperback bij bol.com (€ 27,00)

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als paperback bij Athenaeum Boekhandel (€ 27,00)
Eric Palmen
Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus. Voor de Volkskrant,Vrij Nederland, Het Parool en Elsevier Weekblad schreef hij artikelen over de biografie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here