J.L. Heldring, een betrokken buitenstaander

de eeuw van j.l. heldring

In 1974 zong J.L. Heldring in Liberaal Reveil, het partijblad van de VVD, de lof van het conservatisme. Toentertijd een opmerkelijk geluid. Binnen de Partij van de Arbeid maakte Nieuw Links zich sterk voor erkenning van de Vietcong en de DDR, en voor uittreding van Nederland uit de NAVO. Progressieve leden van KVP en ARP verenigden zich in de Politieke Partij Radicalen (PPR). Op het bordes in Soestdijk had koningin Juliana een jaar eerder het meest progressieve kabinet van na de oorlog gepresenteerd, het kabinet-Den Uyl. Wie in dat politieke landschap een pleidooi hield voor een conservatieve levenshouding, zoals Heldring deed, had net zo goed in het Stedelijk Museum kunnen roepen dat het schilderij van het betraande zigeunerjongetje hem toch meer deed dan zo’n Jackson Pollock of Karel Appel. Heldring was bepaald niet hip.

Conservatieve levenshouding

Heldring had het in 1974 nadrukkelijk over een levenshouding, niet een ideologie of politieke stroming. De conservatief is een scepticus die niet gelooft in de intrinsieke goedheid van de mens; hij gelooft dus evenmin in een ideale samenleving waarin het individu gestimuleerd wordt zijn talenten ten volle te ontplooien (liberalisme) of waarin het morgenrood van het collectief zorgt voor een evenredige verdeling van kennis, macht en inkomen (socialisme). Hij wantrouwt aangestuurde verandering in de geschiedenis (zoals die van een revolutie) tot op het bot. Wie zegt dat hij bereid is voor een ideaal te sterven, bedoelt eigenlijk dat hij in staat is de levens van anderen op te offeren voor zijn godsbeeld of wereldvisie, leerde hij van zijn ‘geestverwant’ Raymond Aron.

Wie stak er achter dat ‘cerebrale, intellectuele en afstandelijke masker’, zoals de flaptekst van De eeuw van J.L. Heldring triomfantelijk vermeldt? Dat is de belangrijkste vraag die Hugo Arlman zich in zijn biografie van Jérôme Louis Heldring (1917-2013) stelt.

Arlman schetst het portret van een man die geboren is met een zilveren lepel in de mond. De Heldrings staan in het blauwe boekje van het Nederlandse patriciaat bekend als een geslacht van dominees en kooplieden. Die genealogische voetnoot is niet zonder betekenis. Zo keek Heldring in zijn verslag van het partijcongres van de PvdA in 1975 met weemoed terug op het vooroorlogse buitenlandbeleid van de ‘regenten’: nuchter, pragmatisch, rationeel en tolerant. De nazaten van Piet Hein en Maarten Tromp waren gespeend van ieder ideologisch dogmatisme, zolang hun doen en laten maar goed was voor de handel. Hij betreurde de democratisering van het buitenlandbeleid na de Tweede Wereldoorlog, want daarmee kreeg de calvinistische volksaard greep op onze relatie met de rest van de wereld. Heldring verweet de partijgangers van de PvdA een mentaliteit die te vergelijken is met die van de ‘kleine luiden’ van Abraham Kuijper: ‘Zij hebben dezelfde overtuiging gehouden dat gelijk hebben belangrijker is dan gelijk krijgen, dezelfde voorliefde voor getuigen en voor schone handen, hetzelfde geloof in Nederlands roeping – en, ook onvermijdelijk, dezelfde schijnheiligheid.’ Kortom, het ouwe-jongens-krentenbrood van de regentenklasse had tot groot chagrijn van deze heer van stand plaats moeten maken voor het opgeheven vingertje van het schorriemorrie.

Eerst de diagnose, dan de therapie

Heldring nam in Dezer dagen, zijn column voor de NRC, de houding aan van de ‘spectateur engagé’, eveneens ontleend aan Aron. Hij was een betrokken buitenstaander die zijn lezers niet zozeer voorschreef wat ze moesten vinden maar hen veeleer wilde leren kritisch na te denken over de waan van de dag, waarbij hij iedere vorm van moralisme trachtte te vermijden. ‘Ik stel diagnoses, zonder sentimentaliteit, eventueel zelfs gevoelloos. De diagnose kan gevolgd worden door een therapie, maar die twee mogen nooit worden gemengd,’ zei hij in een interview met Jannetje Koelewijn in ‘zijn’ NRC van 7 december 2002. In zijn analyse van de oost-west verhoudingen was hij een Atlanticus pur sang. Europa was voor haar veiligheid volledig aangewezen op de Verenigde Staten. Iedere poging om op eigen benen te staan, zoals De Gaulle deed met zijn atoommacht, werd door Heldring met scepsis begroet. Door de Val van de Muur was hij enigszins verweesd geraakt, bekende hij weemoedig, en hij voorzag dat door het einde van de Koude Oorlog het trans-Atlantische bondgenootschap onder druk zou komen te staan. In de naoorlogse koloniale politiek van Nederland nam hij een opmerkelijk progressief standpunt in. Hoe kan een volk dat vijf jaar lang zijn vrijheid heeft ontbeerd een ander volk zijn recht op zelfbeschikking ontzeggen?

Geen ontwikkeling

Mijn belangrijkste bezwaar tegen deze biografie is dat Arlman niet in staat is gebleken om een ontwikkeling in het denken van Heldring te duiden. Neem bijvoorbeeld het punt van de religie. Heldring was tijdens de oorlog een diepgelovig mens, die wel andere zorgen aan het hoofd had dan zoiets triviaals als deelnemen aan het verzet (dat door hem werd af geserveerd als ‘een soort Indiaantje-spelen’). Begrippen als ‘vaderland’, ‘vrijheid’ en ‘geweten’ zeiden hem niet zoveel. ‘Als je in het geloof wandelt, of althans tracht te wandelen, is al het andere irrelevant,’ schreef hij aan zijn broer. Onderduiken vond hij een gebrek aan godsvertrouwen. ‘Wat komen gaat, kome.’
In Dezer dagen afficheerde hij zich juist als een ‘niet-gelovend christen’. Hij erkende weliswaar de noodzaak van een bezielend verband in een samenleving, zoals religie dat kan verschaffen, maar in God geloven deed hij niet. Grote vraag is natuurlijk wanneer die geloofsafval heeft plaatsgevonden en waarom. Hoe heeft Heldring zich kunnen ontwikkelen van de ‘wereldvreemde kamergeleerde’ tijdens de Bezetting tot de scherpzinnige analyticus van na de oorlog, die met enige spijt constateerde dat hij van God los was?

Heldring werd sterk beïnvloed door het cultuurpessimisme van Johan Huizinga en het filosofische werk van Carry van Bruggen. Hun invloed op zijn denken weet Arlman naar behoren, zij het enigszins plichtmatig, toe te lichten. Voor het overige komt Heldrings belezenheid er bekaaid van af. Zo kom je de naam van Reinhold Niebuhr niet tegen in deze biografie. Heldring verwijst in Dezer dagen, en in zijn toespraak voor het symposium dat ter ere van zijn vijfentachtigste verjaardag werd georganiseerd, meermaals naar de Amerikaanse theoloog. Hij gaat in dialoog met Niebuhr, wikt en weegt de denkbeelden die hij in onder andere Moral Man and Immoral Society tegenkwam en trekt er zijn conclusies uit. Zo leert hij ‘dat de mens goed kan zijn, maar dat hij, in al zijn goedheid, een maatschappij kan maken die het tegendeel van goed is.’ Het grote wantrouwen in het collectief, de ‘eenheidsdrift’ die Carry van Bruggen in de mens ontwaarde, is een belangrijk thema in de columns van Heldring, en kreeg na zijn kennismaking met het werk van Niebuhr een zekere verdieping. Van een biografie die het journalistieke oeuvre van de protagonist zo centraal stelt, mag je enige volledigheid verwachten.

‘Eerlijk gezegd begrijp ik niet hoe iemand na Auschwitz nog optimistisch kan zijn over de mens,’ zei Heldring op zijn vijfentachtigste verjaardag. De eeuw van Heldring was er een van desillusie, van het socialistische paradijs op aarde, de horror van het Duizendjarige Rijk en de dreiging van een atoomoorlog. Heldring was een sprankelend en uitdagend commentator van de eeuw waarin hij leefde, hoe men ook denkt over zijn standpunten. In deze biografie wil die eeuw maar niet tot leven komen.

De eeuw van J.L. Heldring. Een biografie
Hugo Arlman
Van Oorschot
ISBN 9789028282018
Verschenen in augustus 2018

Bestelinformatie

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als paperback bij Athenaeum Boekhandel (€ 34,99)

Koop bij bol.comBestel als paperback bij bol.com (€ 34,99)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here