De eeuw van Francis Bacon

Figuren in het werk van Francis Bacon schreeuwen niet, ze brullen. Als De schreeuw van Edvard Munch het lijden van de negentiende eeuw representeert, kun je in Head VI, Bacons pastiche van het portret van paus Innocentius X door Diego Velázquez, de iconische momenten van de twintigste ontdekken. Il papa als briesende dictator, macht en onderwerping als kernthema’s van een perverse tijdsgeest. Mark Stevens en Annalyn Swan schreven met Openbaringen een nieuwe biografie van Francis Bacon.

Het schilderij van Velázquez obsedeerde Francis Bacon, hoewel hij het volgens zijn eerste biograaf Michael Peppiatt nooit in het echt heeft gezien. Tussen 1949 en 1971 schilderde hij de paus zo’n 45 keer, met of zonder valse tanden of bril, open mombakkus of zwijgend, zittend of opstaand van zijn draagstoel, in paars of rood gewaad. De paus representeerde de ultieme autoriteit, maar was ook een afschrikwekkend desolate figuur. Hij lijkt op Joseph Goebbels die een toespraak houdt. Of op Mussolini die zijn tanden laat zien. De mond, het meest weke deel in het uiterlijk van de mens, kan verscheuren en verslinden. Kiss or Kill. Het kader waarin de paus zich bevindt, een kooi, is net zo veelbetekenend. Die herinnert aan de glazen afzetting waarin de verdachten tijdens het proces in Neurenberg verhoord werden. Op de vloer van zijn atelier in 7 Reece Mews in South Kensington, waar hij de laatste dertig van zijn leven heeft gewerkt, lagen talloze foto’s van nazi-kopstukken en fascisten, vastgekoekt door de verfspatten die het canvas hadden gemist. Naast de afbeeldingen van huidziektes, misvormde lichamen en parapsychologische ‘uitstralingen’ van een medium in trance.

De wachters

Het werk van Bacon is ook doordrenkt van zijn persoonlijke levensgeschiedenis, zijn angst voor een al te biografische interpretatie van de schilderijen ten spijt. Francis werd opgevoed door een militair – majoor Anthony Edward Mortimer Bacon – die de broze gezondheid en feminiene neigingen van zijn zoon eruit wilde drillen. Bacon was astmatisch en pathologisch verlegen, hetgeen resulteerde in een permanente staat van innerlijke verstikking. Hij groeide op in Dublin en Londen. De Ierse onafhankelijkheidsstrijd van 1919-1921 was vooral tegen zijn soort gericht, de Anglo-Ieren, die voortdurend beducht moesten zijn voor de ‘uitkijkers’ en sluipschutters van de IRA. Het thema van de wachter, de voyeur met al dan niet seksuele bedoelingen, is een constante in zijn werk. Dienstmeisjes sloegen hem vooral, wellicht in opdracht van de vader. Op eentje na: Jessie Lightfoot. Ze bleef tot aan het einde van haar levensdagen bij hem. Dichterbij een ‘gezinsleven’ is Bacon nooit gekomen. Hij was ten einde raad toen ze in 1951 overleed.

Berlijn en Parijs

Toen de vader hem op zijn zestiende betrapte in het ondergoed van zijn moeder, werd Francis gesommeerd het huis te verlaten. Kort daarvoor kwam hij tot de verbijsterende ontdekking dat hij zich seksueel aangetrokken voelde tot de majoor, die hij tot op het bot verachtte. Het was dezelfde fascinatie die je voor de geur van paardenpis kon koesteren, meende Bacon. In het afstotelijke zat altijd een element van viriele aantrekkingskracht.

In al zijn wijsheid gaf de majoor hem aan Cecil Harcourt-Smith mee, de zoon van de directeur van Tate Gallery in Londen. Met hem trok Francis in 1927 naar Berlijn. Ze deelden het bed in hotel Adlon aan Unter der Linden. Harcourt-Smith was een seksueel roofdier. ‘He fucked everything that moved,’ aldus Bacon. In het louche nachtleven van Berlijn, het hart van de Weimar Republiek, zag hij hoe mannelijke prostituees de oudere clientèle in nachtclub Eldorado om hun vinger wonden. Hij maakte kennis met het design van Bauhaus. En Berlijn was de filmhoofdstad van Europa. In Pantserkruiser Potemkin, het epische drama van Sergej Eisenstein, die in de beroemde trappenscene zo’n beetje alle cinematografische principes van de moderne film heeft uitgevonden, zag Bacon de kracht van de afwisseling tussen close-ups en long shots. Een leerschool voor zijn drieluiken.

Toen Harcourt-Smith op hem was uitgekeken, en dat gebeurde al vrij snel, trok Bacon in zijn eentje naar Parijs, waar de sociolite Yvonne Bocquentin zich als een moederkloek over hem ontfermde. Van haar leerde hij Frans. En ze leerde hem de surrealisten en Picasso kennen.

De verstoten sloeber bracht na zijn terugkeer in Londen zijn Berlijnse en Parijse ervaringen in de praktijk. Hij begon meubilair te ontwerpen à la Bauhaus en zo nu en dan schilderde hij als Picasso. Via contactadvertenties in The Times bood hij zich aan als ‘gentleman’s companion’. Hij bestal de mannen die van zijn diensten gebruik maakten. Intussen bracht de Australische kunstenaar Roy de Maistre, pas gearriveerd in Londen, hem de technische kant van het vak bij. Voor Bacon staat een ding vast. Als hij geen kunstenaar was geworden, had hij zich als boef of oplichter bekwaamd. Zijn leven lang bleef hij een zwak voelen voor de onderwereld. Of werd verliefd op haar beminnelijkste representanten.

Liefdes

Peter Lacy leert hij in 1949 kennen. Hij is, net als Bacon, van goeden huize. Een gemankeerde homo, die nooit helemaal uit de kast is gekomen. Hij haat de portretten die Bacon van hem maakt.

‘You’ve ruined my life. You’ve ruined it completely by making me think about myself the whole time.’

Wanneer Lacy een buitenhuisje in Hurst koopt, mag Bacon bij hem intrekken, zolang hij maar niet schildert. Bacon vraagt wat dat inhoudt: bij hem intrekken. ‘Nou, je zou in een hoek van mijn huisje op stro kunnen liggen. Daarop kun je slapen en poepen.’ Een toxische verhouding. Vrienden treffen Bacon regelmatig onder de blauwe plekken aan, of met kneuzingen en een gebroken neus. Het deert hem nauwelijks, want zijn pijngrens is uitzonderlijk hoog. Lacy blijft hangen in Tanger, de vrijstaat van de herenliefde in de jaren vijftig, waar ze vriendschap sluiten met lotgenoten als William Burroughs, en Paul en Jane Bowels. Wanneer Tate in 1962 zijn eerste grote overzichtstentoonstelling organiseert, krijgt Bacon enkele uren voor de opening te horen dat zijn voormalige minnaar – volgens Stevens en Swan de grote liefde van zijn leven – zich in Noord-Afrika dood heeft gezopen. De pijngrens komt hem ook nu van pas, Bacon is op zijn allercharmantst tijdens de opening.

Het drama herhaalt zich met George Dyer, de cockney die Bacon in een Londense club heeft opgescharreld, al wil de legende dat hij Dyer op heterdaad betrapt heeft tijdens een kunstroof in zijn atelier en hem de keuze liet tussen seks of een aangifte bij de politie. (Die versie heeft ook Love is the Devil gehaald, de gedramatiseerde biopic van John Maybury uit 1998). Dyer brengt hem in contact met illustere vrienden als de gebroeders Reggie en Ronnie Kray. Zij jatten wel schilderijen uit zijn atelier en brengen ze op de markt. Bacon betreurt vooral dat ze de lelijkste uitgekozen hebben, die hij had willen vernietigen. (De zelfkritiek van Bacon was legendarisch. Hij zou meer dan 700 werken hebben vernield). Van lieverlede heeft hij het gestolen goed teruggekocht, om er alsnog het mes in te zetten.

In ieder geval klikt Bacon niet. Dat doet zijn vriend. In september 1970 valt de politie zijn atelier binnen en ontdekt een partij cannabis, een belachelijke vondst voor een chronische astmalijder. Dyer wisselt dit soort wraakzuchtige fratsen af met het regelmatige dreigement zich van kant te maken. Wanneer ze in het najaar van 1971 Parijs bezoeken, voor de eerste grote overzichtstentoonstelling van Bacon in het Grand Palais, loopt de relatie gierend uit de bocht. Aan de vooravond van de opening treft Bacon Dyer stomdronken in de armen van een Arabier aan. Hij brengt de nacht een verdieping lager door. De volgende ochtend is Dyer dood, in elkaar gezakt op het toilet van de badkamer. De lege strips van barbituraten duidt op zelfmoord, al geeft het autopsierapport geen uitsluitsel. De verregaande levercirrose zou, in combinatie met een accidentele overdosis, ook weleens fataal kunnen zijn geweest. Bacon peinst er niet over de opening te cancelen. Wanneer president Pompidou verrukt stilstaat bij Three Figures in a Room uit 1964, een triptiek met een zittende Dyer op een wc-pot, vertrekt hij geen spier.

Het schuldbesef komt later. Bacon maakt verschillende postume portretten van Dyer, met als hoogtepunt Triptych May-June 1973. Voor het eerst valt er een narratieve samenhang tussen de panelen te ontdekken, ze lezen als de kaders van een stripverhaal. Bacon documenteert in het drieluik obsessief de doodsstrijd van zijn vriend. Dyer die overgeeft in de wastafel. Het zwarte ectoplasma dat zijn mond verlaat. Het ontzielde lichaam op de wc-pot. Bloed, excrementen en braaksel.

Schuld, boete, verzoening

Bacon geloofde niet in God, maar ging wel gebukt onder de grote thema’s van het christendom: schuld, boetedoening, verzoening. Uiteindelijk was ook een kruisiging een zelfportret. Hij was ervan overtuigd dat een figuratieve kunstenaar in de twintigste eeuw een brug moest slaan naar de traditie, al was het onmogelijk om de mens in die vermaledijde eeuw niet misvormd voor te stellen. Dat had hij van Picasso geleerd. Het knappe van de biografie van het Amerikaanse echtpaar Stevens en Swan is dat ze overtuigend leven en werk van Bacon in de naoorlogse wereld van de moderne kunst weten te situeren. Wat is zijn plaats in New York, Londen en Parijs? Hoe verhoudt hij zich tot de abstracte expressionisten aan de overzijde van de Atlantische Oceaan, die decennialang de kunstmarkt zullen domineren? Het psychologische portret leunt sterk op de biografie die Michael Peppiatt in 1994 over Bacon publiceerde. Lees ze allebei, zou ik zeggen. En de interviews van Bacon met David Sylvester. Maar vergeet vooral niet naar het werk zelf te kijken. Het is huiveringwekkend. En diep ontroerend tegelijkertijd.

Openbaringen. Francis Bacon. De biografie
Mark Stevens en Annalyn Swan
Het Spectrum
ISBN hardcover 9789000377886

ISBN ebook 9789000377893
Verschenen in juli 2021

Bestelinformatie

Bestel als hardcover bij bol.com (€ 49,99)
Bestel als ebook bij bol.com (€ 19,99)

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 49,99)
Bestel als ebook bij Athenaeum Boekhandel (€ 19,99)
Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus. Voor Historisch Nieuwsblad, de Volkskrant,Vrij Nederland, Het Parool en Elsevier Weekblad schreef hij artikelen over de biografie.

1 REACTIE

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here