De eenzame twintigste eeuw van P.J. Bouman

© Harry Pot / Anefo (cc0)

Pieter Jan Bouman (1902-1977) had vele gezichten, zo blijkt uit zijn biografie, geschreven door Co Strootman. Een pionier van de sociologie in Nederland, bestsellerauteur van populaire non-fictie, maar ook een man die worstelde met verkeerde keuzes uit zijn verleden.

P.J. Bouman werd in de jaren vijftig van de vorige eeuw met één boek de publieke intellectueel die hij altijd al had willen zijn. Van Revolutie der eenzamen werden maar liefst 450.000 exemplaren verkocht. Bouman, een filmliefhebber, bracht door middel van close-ups en montagetechnieken (‘filmrijm’) de laatste vijftig jaar van de wereldgeschiedenis in kaart. Het eerste hoofdstuk vertelt met het nodige gevoel voor majestueus drama de dood en begrafenis van koningin Victoria in 1901, het laatste beschrijft het Pentagon, het militaire zenuwcentrum van het westen tijdens de Koude Oorlog. Bouman deelde zijn angst voor de bom met de lezer. Vakbroeders als Pieter Geyl hekelden het onwetenschappelijke en fictionele karakter van Revolutie der eenzamen, maar het grote publiek herkende zich in de tijdgeest die Bouman getracht had te verwoorden.

De geminachte jaren dertig

Heel zijn academische carrière als socioloog lamenteerde P.J. Bouman over de beslommeringen van het hoogleraarschap in Groningen. Hij werd geroemd om zijn organisatorische talenten en het gemak waarmee hij in het openbaar sprak, maar dit ‘denken met de handen’ hield hem tot zijn grote frustratie af van zijn ware roeping, het schrijven van publieksboeken. Daarin schoof hij bewust iedere wetenschappelijke pretentie aan de kant, want er zijn ‘dieper gelegen werkelijkheden’ en die vragen om ‘een ietwat stamelende expressie’. Wellicht is die tweeslachtigheid kenmerkend voor zijn persoonlijkheid. Bouman was een wetenschapper die onwetenschappelijkheid nastreefde, de anti-intellectuele intellectueel, een schrijver die liever filmer had willen zijn. Die worsteling leidde tot verschillende depressies in zijn leven en mondde in het najaar van 1951 uit in een suïcidepoging.

Ambities waren er genoeg. Bouman schreef ‘om geestelijk leiding te geven in een ontwrichte tijd’, vertrouwt hij eind augustus 1934 aan zijn dagboek toe. Met dat dagboek is iets vreemds aan de hand. In de kerstdagen van 1940 besluit Bouman het egodocument te vernietigen dat hij sinds september 1932 bijhield. Slechts een selectie van fragmenten heeft hij voor het nageslacht bewaard.

Bouman had dan ook iets te verbergen. In augustus 1933 werd hij, na een onderhoud met Anton Mussert, lid van de NSB. Hij had net een brochure gepubliceerd, waarin hij het nationaalsocialisme aanprees als een gulden alternatief voor de verfoeide klassenstrijd van de socialisten. Nationaalsocialisme, dat was socialisme onder een sterk en autoritair staatsgezag, dat op nationale grondslag een ware volksgemeenschap wist te realiseren. Bouman zag in solidarisme, ‘de samenwerking van verschillende bevolkingsgroepen onder controle van een sterk staatsgezag’, een remedie tegen de verwoestende kracht van de massamens, want de dictatuur van het proletariaat stond er met de economische wereldcrisis van de jaren dertig aan te komen, zo was zijn overtuiging.

Nu was Bouman in die jaren dertig bepaald niet de enige die dat soort ideeën ventileerde. Ook buiten de kringen van de NSB van Anton Mussert of het Zwart Front van Arnold Meijer heerste een wijd verbreid antiparlementarisme. Het verlangen de hokjesgeest van de verzuiling te doorbreken openbaarde zich van links tot rechts in esoterische concepties als ‘volkskracht’, ‘volkseenheid’ en ‘nieuwe orde’.

Bouman was uiteindelijk vijf maanden lid van de NSB. Ambtenaren werd vanaf januari 1934 het lidmaatschap van de partij verboden. Volgens Strootman was die maatregel de redding van Bouman, want anders had hij zich langer geassocieerd aan een organisatie die hem na de oorlog meermaals in verlegenheid bracht. Desalniettemin kon Bouman met zijn rechts-autoritaire ideeën bij andere bewegingen terecht. Hij sloot zich aan bij het Verbond voor Nationaal Herstel, waarin lieden als Gybland Oosterhoff en Frederik Carel Gerretson ook de noodzaak van een autoritair staatsgezag en het echec van de parlementaire democratie erkenden. Nog in april 1940 had Bouman het over de ‘aderverkalking’ van de Nederlandse democratie. We moesten een voorbeeld nemen aan de oosterburen, ‘die het geheim der coördinatie van alle krachten terdege kennen’. Bouman zat toen al een jaar in de redactie van Het Gemeenebest. Maandblad voor het Nederlandsche volksgeheel en tot bevordering van de volksgemeenschap. In het eerste nummer na de Bezetting benadrukte het tijdschrift de noodzaak tot samenwerking, veerkracht en een ‘grote openheid ten opzichte van de Duitse ideeën’.

Bouman werd in de eerste jaren van de Bezetting een van de drijvende krachten achter De Nederlandse Unie van het driemanschap Jan de Quay, Hans Linthorst Homan en Louis Einthoven. De ongekend succesvolle beweging trachtte de eigenheid en zelfstandigheid van de Nederlandse samenleving zoveel mogelijk te bewaren door nauw en constructief samen te werken met de Duitse autoriteiten. Volgens de leidsmannen van de Unie bood de uitzonderlijke omstandigheid van een bezetting ook de mogelijkheid om de vernieuwingsideeën van de jaren dertig eindelijk te verwezenlijken. Dat zij daarbij op een glijdende schaal van collaboratie terechtkwamen, werd hen na de oorlog zwaar aangerekend, vooral door de chroniqueur van de Tweede Wereldoorlog in Nederland Loe de Jong.

Het Comité 40-45 in 1963. Rechts van prinses Beatrix spreekt Jan de Quay, links van haar P.J. Bouman © Harry Pot / Anefo (cc0)

Een neiging tot tolerante beschouwelijkheid

‘Ik heb in mijn door oorlogs- en crisisjaren beïnvloede levensloop niet veel anders gekend dan wisseling van stemming en inzicht, een vragend in de tijd staan – geschiedbeleving vervuld van twijfel, misschien door mijn neiging tot tolerante beschouwelijkheid,’ schreef P.J. Bouman in Voor en na de zondvloed, zijn memoires die hij in 1971 publiceerde.

Waar kwam dit mea culpa vandaan? Heeft het te maken met de brief die Bouman een jaar voor publicatie van de autobiografie van Loe de Jong ontving, waarin de directeur van het RIOD hem meedeelde op de hoogte te zijn van Boumans lidmaatschap van de NSB? Die informatie, zo waarschuwde hij Bouman, zou hij vroeg of laat in de openbaarheid moeten brengen. Het vierde en vijfde deel van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog verscheen respectievelijk in 1972 en 1974 en handelde onder andere over het optreden van de Nederlandse Unie. De Jong verweet het Driemanschap gecollaboreerd te hebben met de bezetter. Dat oordeel straalde ook op Bouman af. Wilde hij De Jong met zijn autobiografie voor zijn, de regie houden over zijn eigen verhaal, zodat hij de meest pijnlijke kwestie, het lidmaatschap van de NSB, niet hoefde op te rakelen?

Het is jammer dat dit soort vragen niet door Strootman wordt gesteld. Er schort sowieso iets aan het historisch-analyserende niveau van deze biografie. Een figuur als Bouman biedt een uitgelezen kans om een ontwikkelingslijn in de Nederlandse geschiedenis te onderzoeken: van de jaren dertig in de twintigste eeuw, via de vijf jaar van de Duitse bezetting naar de naoorlogse periode. Welke ideeën van Bouman zijn, ondanks de besmette context waarin ze tot stand zijn gekomen, duurzaam gebleken? Herkennen we in de ‘nieuwe organen op corporatieve grondslag’ die Bouman voorstond niet de overlegeconomie zoals die na de oorlog tot stand is gekomen, met de oprichting van de Stichting van de Arbeid kort na de bevrijding als eerste wapenfeit, gevolgd door de SER in 1950? Een dergelijke exercitie wordt onmogelijk gemaakt door het krampachtige goed-foutperspectief dat Strootman in deze biografie hanteert – in dit geval om de houding van een publieke figuur voor en tijdens de bezetting ‘goed te praten’. Zo hekelt Strootman criticasters van P.J. Bouman als lieden die na de oorlog in het verzet zijn getreden, waaronder Vrij Nederland-journalist Jan Rogier. Beschamend is het heroïsche verzetsverleden dat Bouman zichzelf toedicht in antwoord op de brief van Loe de Jong. Zo zou hij lid zijn geweest van de Utrechtse verzetsorganisatie rond Je Maintiendrai, wat in de praktijk neerkwam op het bijpraten met oude bekenden in de groep. De Joodse onderduikkinderen die hij tijdens de oorlog in zijn huis verborg betrof de zoon en dochter van collega Hans Teesing. Zij verbleven in het voorjaar van 1942 zes weken bij de Boumans, terwijl Teesing zijn Joodse vrouw tijdens haar gedwongen verhuizing naar Amsterdam begeleidde. Strootman acht de ‘herinneringen’ van Bouman aan zijn ‘verzetsactiviteiten’ op pagina 437 ‘grotendeels juist’, om op pagina 438 tot de conclusie te komen dat Bouman ‘weinig tot geen verzetswerk’ heeft verricht.

In de details laat Strootman de lezer sowieso vaak in de steek. Wanneer Bouman na zijn omzwervingen bij de Nederlandse Unie terugkeert als leraar aan de HBS in Middelburg meldt hij in zijn dagboek dat hij vanwege het ontslag van collega Heertje zijn volledige baan weer kan betrekken. ‘Van enig mededogen met zijn joodse collega lezen we niets,’ merkt Strootman op. Maar waarom niet uitgezocht wie deze Heertje was? Met de huidige digitale bronnen is dat goed te doen. (Henri Heertje was een begenadigd sociaal geograaf, getuige zijn proefschrift De diamantwerkers van Amsterdam, en docent aardrijskunde aan de Rijks-HBS in Middelburg. Hij woonde met zijn vrouw aan Park de Griffioen 22. Ze zijn direct na aankomst in Sobibor op 23 juli 1943 vergast). Al met al is Wie stuit de rebellie van de massa? P.J. Bouman 1902-1977 een teleurstellende biografie. Er had zo veel meer in gezeten.

Wie stuit de rebellie van de massa? P.J. Bouman 1902-1977
Co Strootman
Uitgeverij Koninklijke van Gorcum
ISBN 9789023256960
Verschenen in januari 2020

Bestelinformatie

Bestel als hardcover bij bol.com (€ 39,90)

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 39,90)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here