Maite Karssenberg ontdekte de naam Geertruida Kapteyn-Muysken (1855-1920) in een briefwisseling met de schilder Willem Witsen. Ze werd nieuwsgierig naar deze schrijvende vrouw. De connectie met de schilder Willem Witsen, een van de drie schoonzonen van vrijdenker Johannes van Vloten, plaatst Geertruida midden in het culturele hart van het fin de siècle. In de biografie Dubbelleven. Geertruida Kapteyn-Muysken en haar rebelse levensfilosofie, komen de namen van vele filosofische en politieke stromingen en hun hoofdrolspelers voorbij.
Geertruida Muysken was de jongste in een groot gezin, groeide op in Haarlem en werd vroeg wees. Haar jeugdvriendschap met Johannes’ oudste dochter Martha van Vloten (die later met Frederik van Eeden zou trouwen), stimuleerde Geertruida om ‘geen verknoeide mensenziel’ te worden. Ze wilde studeren, schrijven en de wereld verbeteren. Gelukkig vond zij goede mentoren die haar studiezin begeleidden: Willem Doorenbos (die jonge Tachtigers zoals Willem Kloos lesgaf) en Helene Mercier, die de grondlegster van het maatschappelijk werk in Nederland zou worden. Ook schrijven lukte Geertruida uiteindelijk, ondanks of dankzij haar huwelijk met Albert Kapteyn.
In de wolken
Albert Kapteyn was een getalenteerde ingenieur, die een succesvol remsysteem voor treinen ontwierp en een rijke ondernemer werd. Hij nam zijn jonge bruid gelijk mee naar Londen, hét centrum van de toenmalige treinenindustrie. Londen was ook hét bruisende centrum voor intellectuelen, maar voordat Geertruida aan de filosofische discussies kon deelnemen, worstelde ze eerst met de eisen van het moederschap en een groot huishouden. Toen haar twee dochters en zoon wat groter waren, kon ze zich vrijer door de wereldstad bewegen. Vanaf 1892 was ze echt ‘in de wolken’. Ze had gesnakt naar uitwisseling en verbinding en kon nu volop lezingen en cursussen bezoeken. Geertruida werd lid van de Ethical Society van Stanton Coit en de beroemde ‘Pioneer Club’, de eerste club exclusief voor vrouwen. Ook ontving ze bezoek, zoals Van Eeden en Witsen uit Nederland, al vond ze Van Eedens toon ‘ondragelijk ouderwets’. Ze startte een ‘ethical class for children’ en vanaf 1894 begon ze te publiceren, zowel in Britse (Shaft) als in Nederlandse periodieken. Ze schreef over socialisme, ethiek, religie, seksuele voorlichting en kiesrecht voor vrouwen. Haar favoriete genres waren filosofische bespiegelingen en biografische essays. Ze vertaalde werk van feministe en pedagoge Nellie Kol en vooral van de Franse dichter en filosoof Jean-Marie Guyau, die veel invloed op haar denken had. Een andere intellectuele held was de anarchist Peter Kropotkin. Uiteindelijk schoof Geertruida steeds verder op richting het anarchisme. Haar belangrijkste publicatie is Affirmatie. Lijnen eener levensbeschouwing uit 1907. Het begrip affirmatie betekende voor haar een volmondig ‘ja’ zeggen tegen het leven. Een morele daad die op basis van (zelf)kennis steeds opnieuw plaats moet vinden. Een boodschap die aansluit bij wereldverbeteraars.

In exil
De spanningen tussen Nederland en Groot-Brittannië rond de Boerenoorlog maakten het Geertruida misschien makkelijker om haar Londense netwerk en Hampstead Heath te verlaten en in 1901 naar Zwitserland te verhuizen voor het werk van haar man. Ook in Zürich omringde ze zich met jonge, inspirerende mensen en opende haar woning als een soort salon. Uiteindelijk was het gezin in 1906 terug in Nederland. Hoewel ze zich daar ook in intellectuele kringen mengde en als publiek spreker optrad, was Geertruida nogal vervreemd geraakt van haar moederland. Zelfs in een vrijdenkersvereniging was ze de vreemde eend in de bijt. Toch bleef ze, zoals ze gewend was, overal contacten leggen. Ze begon een correspondentie met politicus Domela Nieuwenhuis en bouwde tot haar dood in 1920 een vriendschap op met de veel jongere vrouwenrechtenactiviste Clara Wichmann.
Vast in een traditioneel vrouwenbestaan
Karssenberg plaatst het leven en denken van Geertruida Kapteyn uitstekend in de context van haar tijd en haar ruime sociale cirkel. Hoewel de focus van de biografie op haar denkwereld ligt, komt ook haar persoonlijke leven goed aan bod. Zo was ze vaak ziek. Haar angst om, na twee dochters, opnieuw zwanger te worden was terecht. Na de geboorte van haar zoon belandde ze in een diepe depressie. In haar ‘kraambedwaanzin’ schreef ze liefdesbrieven aan de, al acht jaar eerder overleden, kroonprins Willem (Wiwill). Wonder boven wonder herstelde ze van haar psychose, maar echt gezond was ze nooit. Geertruida’s einde was ronduit tragisch, ze stierf in een psychiatrische kliniek, alleen, omdat bezoek niet was toegestaan.
De biografe vraagt zich af of Geertruida zo vaak onwel was omdat ze het huwelijk als ‘kooi’ ervoer. Hoewel ze, voor die tijd, relatief veel ruimte kreeg van haar echtgenoot, eiste hij ook veel van haar als gastvrouw. Bovendien was hij vaak maandenlang in het buitenland voor zijn werk. Dan liet hij alle gezinsbeslommeringen aan haar over. Karssenberg vat het samen: “In essentie zat ze, zoals eindeloos veel getrouwde vrouwen met haar, vast in een traditioneel vrouwenbestaan. De samenleving was niet ingericht voor het leven dat zij wilde.” Zij zet dit betoog kracht bij met een boeiende minibiografie van Geertruida’s oudste dochter Olga Fröbe-Kapteyn, aan het slot van haar boek. De goed opgeleide Olga (veel rebelser dan haar moeder) kreeg kansen die Geertruida nooit heeft gehad. Hoewel ook zij veel tegenslag had, kon zij haar leven wél zelf vormgeven. Misschien wel juist omdat haar man, de Kroatische kunstenaar Ivan Fröbe, jong was gesneuveld. Zo werkte Olga samen met psychoanalyticus Carl Jung. Ze gebruikte vervolgens de ruime erfenis van haar vader om in Ascona het spirituele centrum Eranos op te richten, waar nog steeds jaarlijkse conferenties worden gehouden.
Chocoladebonbon?
Dubbelleven is een soepel geschreven levensverhaal, waarin Maite Karssenberg zich ook zelf mengt als biografe. Omdat ze dat in afwijkend vormgegeven tussenstukken doet, blijft haar analyserende stem onderscheiden van het lopende verhaal over Geertruida. Per periode geeft Karssenberg een nieuwsgierig makend lijstje van de egodocumenten die ze als bronnen heeft gebruikt. Wat leidt ze bijvoorbeeld af uit de wikkel van een Parijse chocoladebonbon? Maite Karssenberg heeft voor het eerste, tweede en laatste deel prachtig bronmateriaal. Er zijn uitvoerige briefwisselingen met haar oudste zus Maria, Helene Mercier en Martha van Vloten en de correspondentie van Geertruida’s dochter Olga met haar hartsvriendin, de beroemd geworden Marie Stopes. Ook zijn er dagboeken bewaard. Over Geertruida’s derde levensfase, in Zwitserland, zijn veel minder bronnen en daardoor heeft de biografe ‘nauwelijks toegang tot haar binnenwereld’. Hoe meer Geertruida publiceerde, hoe minder ze in haar dagboek schreef. Uiteindelijk hoefde ze haar ideeën niet meer alleen voor zichzelf te formuleren. Karssenberg citeert veel uit de dagboeken, die ze ziet als “eerste stap in het grijpen van de macht over haar eigen leven”. Ze is zich er goed van bewust dat de “roerige binnenwereld waartoe het dagboek toegang geeft het beeld van de vrouw als schrijver en intellectueel juist kan ondergraven”. Hoewel ze Geertruida duidelijk bewondert, is ze niet onkritisch. Zo noemt ze Geertruida’s langdradigheid en haar zeer theoretische werk. Ook in het persoonlijke contact kon Geertruida uit de bocht vliegen. Het lijkt erop dat ze, als ze eenmaal een fijne gesprekspartner had, in haar enthousiasme alles spuide wat ze overdacht had in haar eenzaamheid: “mijn meningen zijn vurig genoeg”.
Spiegelingen die ons helpen
Maite Karssenberg is opgeleid als filosofe en presenteert Dubbelleven als de ‘wordingsgeschiedenis van een radicale denker’. De titel verwijst naar Geertruida’s moeizame combinatie van het huisvrouw- en moederbestaan met haar schrijfambities. Dubbelleven verwijst ook naar ‘het tweeslachtige van de menselijke natuur’, waar Geertruida over filosofeerde. Dat zou zoiets als ‘het onbewuste’ of ‘de schaduw’ betekenen: “de kant van het zelf dat niet erkend of gekend wordt”. Helemaal duidelijk werd het mij niet. Het lukte Geertruida Kapteyn zelf niet altijd om haar hoogvliegende, utopische theorieën begrijpelijk te formuleren en als niet-filosofisch opgeleide lezer had ik soms enige moeite met Karssenbergs parafrases.
Interessant vond ik haar inleiding, waarin ze de biografie ziet als ‘spiegelingen die ons helpen’. Karssenberg gebruikt haar biografie van Geertruida Kapteyn ‘als een vehikel voor filosofisch onderzoek’. Ze zag Geertruida als een prisma, iemand ‘via wier leven ik kon denken’. Het ging Karssenberg om de vraag: “hoe word je een authentiek persoon? En in het verlengde daarvan: hoe bevrijd je jezelf, van dogma’s, van conventies, innerlijke en externe beperkingen – en hoe bevrijd je vervolgens de anderen?” Mooi geformuleerd, maar eigenlijk gebruikt iedere betrokken biograaf zijn of haar onderwerp als prisma, denk ik. En iedere biografie-lezer hoopt inspiratie voor het eigen leven te halen uit een goed geschreven levensverhaal. De visie van Geertruida Kapteyn, hoe lastig ook geformuleerd, gaat mijns inziens uiteindelijk over hoop en kracht. En daar kunnen we nooit genoeg van hebben.
Dubbelleven. Geertruida Kapteyn-Muysken en haar rebelse levensfilosofie
Maite Karssenberg
Arbeiderspers
ISBN paperback 9789029547765
Verschenen in mei 2026
Bestelinformatie
Bestel als paperback bij bol.com (€ 29,99)










