Op het omslag van De voorloper staat een foto van de kleuter Tom Rooduijn en zijn ouders. Zijn moeder lijkt haar zoontje aan haar man over te dragen, maar die pakt halfslachtig één beentje vast. Het resultaat: Tom maakt een spagaat tussen vader en moeder. Het is een sterk beeld voor Tom Rooduijns tastende biografie van zijn afwerende vader Hans Rooduijn (1915-1989).
Tom Rooduijn begint zijn boek De voorloper. Het gedurfde leven van mijn vader met twee hoofdstukken op basis van zijn eigen herinneringen. Hij vertelt over de zoektocht naar zijn vader in Italië in 1989 en over zijn eigen jeugdjaren aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam. Als jongste zoon van Hans Rooduijn en diens derde vrouw Riekje van der Vaart Smit heeft Tom Rooduijn een onconventionele, onveilige jeugd, met een sappelende moeder en een uithuizige, vaak aangeschoten vader. ‘Opvoeden, daar begin ik niet aan,’ bekent Hans Rooduijn. Gezag en hiërarchie hebben in de oorlog al genoeg ellende gebracht, vond hij. Kinderen zijn uitstekend in staat zich autonoom te ontplooien.
Zwartpijper
Hans Rooduijn had zich als puber ook zelfstandig het leven in geslingerd. Zijn jeugd is getekend door het overlijden van zijn vader. Hans heeft een enorm schuldgevoel over de dood van zijn vader en wordt dwars en lastig. Zijn moeder verliest bovendien op slag alle inkomsten en Hans moet allerlei klusjes doen om bij te verdienen.
Hans vindt troost en (religieuze) inspiratie bij predikant Anne Zernike van Het Nieuwe Verbond. Hij kiest voor een opleiding aan de kweekschool en ontmoet daar Freddy van Schouwen, die zijn eerste vrouw zal worden. Hij verkeert in links-idealistische kringen in Utrecht en wordt lid van de Nederlandsche Bond van Abstinent Studerenden, studenten die afzien van alcohol. Die ‘schade’ haalt hij later ruimschoots in.
Een levenslange vriend wordt Henk Schellevis, die schildert onder de naam Perdok. Hans ontdekt onder invloed van de Utrechtse Gertrude Pape ook de surrealistische kunst. Hij begint te dichten. Dromen, de nacht en het ontwaken vormen vaste ingrediënten van zijn poëzie, die in literaire tijdschriften wordt gepubliceerd. Omdat hij pacifist is en geen dienst wil nemen, wordt hij in het najaar van 1939 vastgezet. Als ‘zwartpijper’, zoals dienstweigeraars genoemd worden, verblijft hij anderhalf jaar in detentie in Veenhuizen.
Kunst en illegaliteit
Terug in Utrecht begint Hans Rooduijn met zijn vriend Jan Meulenbelt een verzendboekhandel, volgt colleges theologie en werkt mee aan het fameuze surrealistische tijdschrift De schone zakdoek. Het lukt Hans en Jan uit handen van de nazi’s te blijven, hoewel ze veel ondergronds werk doen, onder meer voor het Utrechts Kindercomité dat Joodse kinderen onderdak geeft. Hans’ huwelijk met de labiele Freddy is geëindigd en hij vindt het geluk bij kunststudente Joep de Vries. Voor haar verhuist hij naar Amsterdam en start een boekhandel in de Spuistraat, D’Eendt genoemd. Het is mede een centrum voor de illegaliteit, waarin ook Joeps broer Karel actief is. Hoewel hij formeel nog lang vrijzinnig-hervormd is, beschouwt Hans na de bevrijding het geloof als afgedaan. Ook het dichten geeft hij eraan.
Na de oorlog ontfermen enkele oud-illegale werkers zich over ‘jeugdige politieke delinquenten’. Deze kinderen van NSB-ouders zijn vaak geïnterneerd geweest en (daarna) sociaal geïsoleerd. De idealistische Hans Rooduijn raakt betrokken bij het vormingswerk onder deze jongeren. Zo maakt hij kennis met Riekje, dochter van de collaborerende predikant Hendrik Willem van der Vaart Smit. Hij biedt Riekje werk in zijn boekwinkel aan en er ontstaat een relatie. Joep is inmiddels verliefd geworden op Henk Schellevis. Hans, Henk en Joep maken samen nog een belangrijke reis naar Parijs. Daar doet Hans het idee op om in Nederland een podium te gaan bieden aan avant-garde kunstenaars. En hij hakt de knoop door en kiest voor Riekje, met wie hij in september 1949 trouwt. Ze stichten een gezin in een ‘winddoorblazen bovenetage van een oud pakhuis op de Nieuwezijds Voorburgwal’ met Jeroen (1950), Paul (1951) en Tom (1942). Een gelukkig huwelijk wordt ook dit niet en Hans zet zijn vrouw meedogenloos aan de kant. Theatermaker Theo Kling vat Hans’ leven pregnant samen in zijn memoires: “Uit een wat problematisch huwelijk had hij drie heel intelligente kinderen, en daarnaast een stel wisselende eveneens problematische vriendinnen.” Vertwijfeld schrijft zijn zoon: “Terwijl hij ‘maatschappelijk’ een betrokken en integer bestaan voorstond, gold zo’n moreel kompas niet zijn persoonlijk leven. Of zou hij zijn omgang met vrouwen en kinderen ook aan anderen ten voorbeeld willen stellen?”
Asiel op de Olympus
Hans Rooduijn lijkt simpelweg nauwelijks tijd en geld voor zijn gezin (over) te hebben. Zijn antiquariaat groeit na de oorlog uit tot ‘een soort praathoek, iets publieks en huiselijks tegelijk’. Veel geld levert het niet op, veel vrienden wel. Henk Hofland heeft het gevoel alsof hij asiel op de Olympus heeft gekregen. Aan de overkant van d’Eendt richt Hans Rooduin, zoals hij zijn achternaam gaat spellen, in de nazomer van 1950 galerie en sociëteit Le Canard op. Dat wordt een groot succes. Cultuurvernieuwer Rooduin, ‘de zacht-geringbaarde hoeder van de eend’, maakt er een pleisterplaats van de kunstzinnige jeunesse dorée van. Het enthousiasme van de biograaf over zijn vaders inzet voor Le Canard spat van de pagina’s af. Ook als lezer werd ik geraakt door het ‘onmetelijke optimisme’ en ‘de nieuwe vrolijkheid’ van Rooduins initiatief. In zeven jaar, van 1950 tot 1957, komen meer dan duizend manifestaties tot stand, van concerten en exposities, tot marionettentheater en dans. Tot het fout gaat, zowel financieel als organisatorisch. Het lukt de chaotische Rooduin niet de liquidatie van het antiquariaat en de sociëteit goed af te wikkelen.
Provodramaturg
Rooduin kiest in 1958 voor de relatieve zekerheid van een baan als dramaturg bij het gesubsidieerde absurdistische toneelgezelschap Puck, later Toneelgroep Centrum geheten. Het vertalen en bewerken van circa dertig toneelstukken van onder andere Pinter, Sartre, Genet, Molière en Brecht blijkt hem goed te liggen. Het is een roerige tijd in de toneelwereld, met protesten van Aktie Tomaat en de roep om democratisering. Rooduin wordt wel ‘Provodramaturg’ genoemd. Een hoogtepunt is de toneelbewerking van Kees de jongen door Gerben Hellinga in 1970. Ischa Meijer, een jaar lang de geliefde van Riekje, schrijft echter heel negatief over Centrum in zijn columns.
In 1963 ontdekt Rooduin met zijn vierde vrouw Ingeborg Spielmans een huis in het Noord-Italiaanse Fanghetto. Hij knapt het zelf op en verdeelt zijn tijd tussen Amsterdam, Italië en Keulen, waar hij theaterwetenschappen studeert. Het gelukkigst is hij als hij in Fanghetto, aan zijn bureau bij het raam, meestal naakt, zit te vertalen: “Bij een geslaagde claus kraaide hij van plezier.”
Aan dat plezier komt een eind als hij na een hersenbloeding in 1983 vrijwel niet meer kan spreken. Hij trekt zich terug in Fanghetto en assisteert dorpsbewoners bij bouwactiviteiten. De vader die Tom Rooduijn in zijn leven vaak miste, raakt uiteindelijk daadwerkelijk vermist. Tijdens een wandeling in de bergen verdwijnt Hans op 11 april 1989. Pas drie weken later wordt hij gevonden.
Hans’ vaderschap
Tom Rooduijn neemt de lezer mee in zijn aarzelingen over zijn boek. Hij bevraagt terecht zijn eigen waarnemingen: “Heeft het zich werkelijk zo voorgedaan? In elk geval nestelde het zich zo in mijn geheugen.” Naar aanleiding van een citaat uit Huis Clos, het toneelstuk van Sartre dat Hans bewerkte, concludeert hij: “met de dood verdwijnt de vrijheid je eigen leven vorm te geven. […] Mag ik mijn vaders leven zonder zijn medewerking wel beschrijven. […] Bevestig ik niet zijn freudiaanse angst, dat een zoon gedoemd is zijn vader te vermoorden?” Nee, een vadermoord is dit boek zeker niet geworden, een hagiografie ook niet en zelfs geen apologie.
In de inleiding schrijft hij: ‘Zoals hij zijn kinderen kritisch beoordeelde, heb ik geprobeerd naar mijn vader te kijken.’ De levensbeschrijving vind ik goed gelukt. De biograaf geeft een mooi tijdsbeeld en maakt helder duidelijk in welke sociale structuren en progressieve levenssfeer Hans Rooduijn leefde en werkte. De biograaf bewondert het werk van zijn vader en heeft ontzag voor diens eruditie, maar is niet onkritisch over zijn keuzes. De cultuurhistorische informatiedichtheid is hoog en soms naar mijn smaak te hoog. Van mij hadden er wel wat toneelrecensies en namen van kunstenaars geschrapt mogen worden in de hoofdstukken over Centrum, Le Carnard en de impressies van het leven in kunstenaarsdorp Fanghetto.
De biograaf probeert ook het vaderschap van Hans Rooduijn te begrijpen in zijn persoonlijke verhalen. Of dat gelukt is, weet ik niet. Hans wilde eigenlijk geen vader zijn, krijg ik de indruk. Hij wilde met zijn ‘nagebroed’ een vriendschapsverhouding en daarvoor moesten de drie kinderen aan alle eisen voldoen die hij aan al zijn vrienden stelde. Dat lukte niet. Uiteraard niet, denk je dan als buitenstaander. Maar met zijn oprechte boek heeft Tom Rooduijn zijn vader als creatief vernieuwer recht gedaan en dat zou je een daad van grote vriendschap kunnen noemen.
De voorloper. Het gedurfde leven van mijn vader
Ton Rooduijn
De Bezige Bij
ISBN paperback 9789403134468
ISBN e-book 9789403134468
Verschenen in mei 2025
Bestelinformatie
Bestel als hardcover bij bol.com (€ 34,99)Bestel als e-book bij bol.com (€ 16,99)










