Met een rode tulp – gestolen uit zijn vaders tuin – in het knoopsgat hoorde Marinus van der Goes van Naters als jonge gymnasiast samen met zijn vriend Herman Wiardi Beckman de sociaaldemocratische leider Pieter Jelles Troelstra in 1919 voor het eerst spreken in hun geboortestad Nijmegen. Na het revolutionaire betoog van de rode voorman over het ‘naderende socialisme’ besloten beide jongens, afkomstig uit gegoede families, lid te worden van de ‘arbeiderspartij’. Zeker voor Marinus betekende dat een hele stap, die zijn ouders maar moeilijk konden begrijpen. Volgens zijn deftige vader was het socialisme niet meer dan ‘een georganiseerde poging tot diefstal’.
Veel later bleek nog een zoon zich te willen bevrijden uit het knellende keurslijf van het aristocratische milieu. Dat was een stap waar Marinus op zijn beurt geen enkel begrip voor kon opbrengen: zijn drie jaar oudere broer Willem, met wie hij tot dan toe een goede verstandhouding had, werd namelijk een overtuigd aanhanger van het fascisme.
De ‘rode jonker’ Marinus van der Goes van Naters groeide uiteindelijk uit tot een icoon van de Nederlandse sociaaldemocratie en was tot op hoge leeftijd (hij werd 104 jaar) nog regelmatig in het nieuws. In 2007 werd een uitvoerige politieke biografie aan zijn leven gewijd. Met zijn broer, de ‘zwarte jonker’ Willem, liep het echter heel slecht af. Hij kwam in 1944 als officier bij de Duitse Wehrmacht onder mysterieuze omstandigheden om het leven. Na de oorlog wilde zijn broer hem het liefst uit het publieke geheugen laten verdwijnen.
Historicus Daniela Hooghiemstra ging op zoek naar het verhaal achter de broers die zulke tegengestelde politieke richtingen op waren gegaan. In die zoektocht kwam zij erachter dat beiden ook van mannen hielden, iets wat destijds nog streng verboden was en dat zij min of meer verborgen hielden door een keurig gezin met vrouw en kinderen te stichten. Haar speurwerk heeft een zeer boeiende familiegeschiedenis opgeleverd die over meer gaat dan over deze twee mannen alleen.

Adellijke afkomst
Beide broers, Willem en Marinus groeiden op in een protestants, conservatief-liberaal milieu in het katholieke Nijmegen. Hun vader had om zich te onderscheiden van de steeds verder oprukkende gegoede burgerij, in 1910 een verwoede poging gedaan om in de adelstand verheven te worden. Dat lukte in 1914 en vanaf die tijd mochten Willem en Marinus met hun oudste broer Aert zich voortaan jonkheer noemen, wat Marinus later ook met graagte deed.
Hun moeder Cornélie Boddaert kwam ook uit een aanzienlijke familie, met veel uit slavenhandel verkregen fortuin. Nog meer dan haar afkomst drukte haar ‘moedermacht’ een stempel op de drie jongens. Daar had Willem als tweede zoon het meeste last van. Van hem probeerde ze soms een ‘schattig meisje’ te maken, door hem zo te kleden. Volgens Marinus eindigde Willem, zo schreef hij in zijn memoires, vanwege de ‘psychische reacties’ op hun moeder ‘aan de verkeerde kant’. Daarmee doelde hij ongetwijfeld óók op diens voorliefde voor mannen; een ‘aanleg’, zoals hij dat noemde, die hem evenmin vreemd was.
Van de drie broers was Marinus de ijverigste en waarschijnlijk ook de slimste. Willem faalde als lastige puber op het gymnasium in Nijmegen. Hij werd naar een internaat gestuurd in Deventer, waar hij tot zijn eindexamen in 1917 zou blijven. Daar beleefde hij zijn eerste ‘hechte vriendschap met een jongen’. Ongeveer tezelfdertijd raakte Marinus innig bevriend met de toekomstige kunstschilder Pyke Koch, die later steeds meer in de ban van het fascisme zou raken. Dat zou hen van elkaar vervreemden.
Marinus ging na zijn eindexamen, net als zijn oudere broers, in Leiden rechten studeren. Hij werd actief in de Praktisch-Idealisten Associatie (PIA), een jongerenbeweging die veel aanhang verwierf uit de (zeer) gegoede burgerij en waar zijn boezemvriend Wiardi Beckman zich ook bij aansloot. Hij ging schrijven voor een blad met de veelzeggende titel Regeneratie en schreef daarin over democratie en socialisme. Wat de leden van de PIA bond, was een geestdriftige drang naar ideële vernieuwing van de samenleving. Jaarlijks vonden er zomerkampen plaats op het landgoed Eerde, eigendom van Rudolf baron van Pallandt, waar driftig gediscussieerd werd over wat die vernieuwing nu eigenlijk moest inhouden. Door de grote verschillen van inzicht werd dat echter weinig concreet.
In die kringen ontmoette Marinus de Leidse rechtenstudent Anneke van der Plaats, met wie hij in 1924, tegen de zin van zijn moeder , trouwde en vijf kinderen kreeg. In die tijd had zijn broer Willem niets of niemand. Hij verhuisde steeds en vond uiteindelijk als vrijwilliger bij de Rotterdamse Jeugdbibliotheek in 1926 een aardige vrouw: Adriana Maria (Mieke) von Zeppelin, verre familie van de uitvinder van het beroemde luchtschip. Marinus deed nog pogingen om het huwelijk tussen deze twee te voorkomen, omdat hij bang was dat het vanwege de ‘aanleg’ van Willem op een mislukking zou uitlopen.
De keuze van Willem voor het fascisme
Terwijl Marinus van der Goes en zijn vriend Herman Wiardi Beckman na hun tijd bij de PIA aan hun opmars begonnen als vernieuwers in de rangen van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), bleef zijn broer Willem ook na zijn huwelijk met Mieke een zoeker. Aan zijn eentonige bestaan kwam in 1930 verandering toen de erfenis van zijn overleden vader werd uitgekeerd. Mieke en hij, die inmiddels twee kinderen hadden, grepen de kans aan om naar Miekes geboorteplaats Wiesel in de buurt van Apeldoorn te verhuizen. Daar werd hij bevriend met de huidarts Jan Cornelis Schreuder, een van de eerste leden van de NSB. In 1933 werden onder zijn invloed Willem en Mieke ook lid. Toen iemand Marinus attendeerde op een bericht waarin stond dat Willem benoemd was tot groepsleider van de NSB in Apeldoorn, was hij woedend en brak hij definitief met zijn broer. Willem had echter in het nationaalsocialisme zijn geloof gevonden en was daar niet meer vanaf te brengen.
Hoe kon een lieve echtgenoot en vader, die van muziek en sprookjes hield, een aanhanger van Adolf Hitler worden? Dat is een vraag die de familie Van der Goes meerdere generaties heeft beziggehouden en vormt de kern van het boek van Hooghiemstra. Zij zoekt een antwoord in de culturele kant van het Duitse nationaalsocialisme met zijn verheerlijking van ‘mannenvriendschap’ en ‘heldendom’. Zij noemt die ‘de zwarte paradox’ van het nazisme, omdat het enerzijds in symboliek de mannelijke eros verheerlijkte, maar anderzijds homoseksualiteit verketterde.
Volgens Hooghiemstra was Willem een zachte ziel die ondanks alles bij de stoere mannenbond wilde horen die het nazisme voor hem verbeeldde. Marinus bleef daar ver van weg, omdat hij veel intellectueler was en veel beter het gevaar van de Hitler-dictatuur doorzag. De tragiek van Willem was dat hij viel voor een leider die mannen zoals hij wilde vermoorden. Hij ging met zijn gezin in Duitsland wonen en wilde zich maar al te graag aansluiten bij de ‘Germaanse mannen’ die naar het oostfront gingen. Hij werd echter afgekeurd en kreeg een baantje bij een tuchtraad in Italië waar hij ‘slappelingen’ die niet aan het stoere mannenideaal voldeden, moest veroordelen. Volgens Hooghiemstra bracht zijn aard hem naar alle waarschijnlijkheid in de problemen en werd hij gedwongen om zelfmoord te plegen, wat zijn broer Marinus later ook dacht.
Een tragische familiekroniek
Een belangrijk kritiekpunt op de eerder verschenen politieke biografie van Marinus van der Goes van Naters, van de hand van Marie Mreijen, was dat hij als mens er nauwelijks uit naar voren kwam. In het boek van Hooghiemstra is eerder het omgekeerde het geval. Zij geeft met behulp van haar bronnen, egodocumenten en gesprekken met familieleden een veel betere kijk op zijn persoonlijkheid en ook die van Willem. Haar benadering is uitgemond in een boeiend verhaal over hoe twee adellijke broers ieder op zich worstelden met hun homoseksuele gevoelens in een door christelijke moraal beheerste, burgerlijke maatschappij en hoe zij hoopten zich daaruit te bevrijden met hun politieke keuzes. Toch roept haar aanpak, waarbij veel nadruk ligt op de seksuele geaardheid van de hoofdpersonen bij hun politieke keuzes, nog wel wat vragen op: was het werkelijk zo bijzonder dat in die tijd leden van één gezin zulke tegenstelde politieke keuzes maakten? Hecht zij niet te veel waarde aan de ‘aanleg’ van deze jongens bij de keuze van Willem voor het fascisme?
Na de Eerste Wereldoorlog signaleerden jonge intellectuelen overal in Europa een diepgaande beschavingscrisis en droomden van een culturele vernieuwing. Dat leidde in meerdere welgestelde families tot zeer uiteenlopende politieke keuzes. Denk alleen al aan de levensloop van de zes Engelse aristocratische zusjes Mitford. Deze beroemde zussen uit hetzelfde adellijke nest kozen voor zeer uiteenlopende politieke overtuigingen, variërend van fascisme tot communisme.
Ook de relatie tussen een specifieke vorm van mannelijke identiteit en fascisme moet met enige voorzichtigheid benaderd worden. Zoals de socioloog Klaus Theweleit, een van de eersten die schreef over mannelijke beeldvorming in relatie tot de aantrekkingskracht van het fascisme, onlangs in een interview zei: “We moeten niet doen alsof we alles wat er om ons heen gebeurt kunnen begrijpen en verklaren alsof het een biljartbal is.”
In weerwil van deze kanttekeningen bij haar benadering is het familierelaas dat Hooghiemstra beschrijft zeer de moeite waard.
De rode en de zwarte jonker. De oorlog van Marinus en Willem van der Goes van Naters
Daniela Hooghiemstra
Amsterdam: Balans
ISBN paperback 9789463824606
Verschenen in februari 2026
Bestelinformatie
Bestel als paperback bij bol.com (€ 27,50)Bestel als e-book bij bol.com (€ 16,99)










