Ramses Shaffy: we zien wel

Bron: Nationaal archief. © ANEFO

‘God, dat is me toch ook wat, dat is het toppunt!’ Hij kon het dopje van de tandpaste niet meer op de tube krijgen. Er was een meeuw in zijn oog gevlogen. Ramses Shaffy kwam notoir te laat. De smoes die hij dan verzon, moest grotesk zijn en schitteren in leugenachtigheid. Vincent Hoogmoed schreef een biografie over Ramses Shaffy.

Kind van de zon

Ramses Shaffy, geboren op 29 augustus 1933  in Neuilly-sur-Seine, was de zoon van de Egyptische consul Ramsès Chaffy en de adellijke Alexandra de Wysocka. Zij koos na de huwelijksvoltrekking en de geboorte van haar zoon het hazepad. ‘Ik heb gepassioneerd van je vader gehouden. Maar ik ben een onafhankelijke vrouw, een Russin. Ik kan geen rol spelen die mij niet ligt. Dat zou een lijdensweg geworden zijn.’ De eerste zeven jaar van zijn leven bracht hij met zijn moeder in Cannes door. Hij genoot van de kust, van het zonnige buitenleven. In het najaar van 1939 leerde ook Ramses de vrijheidsdrang van zijn moeder kennen. Hij werd op de trein gezet, naar Nederland, dat in de naderende oorlog wel weer neutraal zou blijven. Ramses kwam via een omweg in een liefdevol nest terecht: het pleeggezin van Roos en Herman Snellen. Dat gebeurde in de meidagen van 1940. Hij zat jodelend in de schuilkelder toen de bommen vielen, schreef Roos Snellen in haar dagboek, dus besloot ze hem te houden – Ramses hoefde niet meer terug naar het vervloekte kindertehuis. Toen hij na de oorlog moest kiezen tussen zijn moeder en pleegmoeder, koos hij voor de laatste. Herman Snellen, een vooraanstaand cardioloog aan de universiteit van Leiden, herkende de artistieke begaafdheid in het fantasierijke zondagskind en zorgde dat Ramses op de Kunstnijverheidsschool kwam, de voorloper van de Gerrit Rietveld Academie. Ramses was eindelijk in Mokum. Voor de Rijksacademie werd hij niet toegelaten, voor de toneelschool wel. Vanwege zijn chronische afwezigheid weigerde directeur Willy Polle hem het diploma uit te reiken, maar niemand kon om zijn enorme talent heen. Ellen Vogel zag de jonge Ramses in 1954 met Sigrid Koetse optreden. ‘We hebben er weer twee,’ jubelde ze. Zijn toneeldebuut vond een jaar later plaats, onder regie van Pjotr Sjarov, grondlegger van het regisseurstheater in Nederland. Ko van Dijk en Ank van der Moer ontfermden zich over hem, want Ramses nam iedereen voor zich in. Hij vierde triomfen in de Gijsbrecht van Aemstel en had met Shireen Stroker zijn eerste liedjesprogramma.

De verweesde

In 1959 leerde hij zijn grote liefde kennen: Joop Admiraal, die op de koop toenam dat Ramses zo’n branieschopper was, want eigenlijk moest hij daar niets van hebben. Volgens Ramses zou Joop het helemaal gaan maken bij Fellini, dus vertrokken ze – zo’n beetje op de bonnefooi – naar Rome. Fellini gaf niet thuis. Als de bluf Ramses in de steek laat, schrijft hij in zijn dagboek: ‘Ik moet meer van de mensen houden, en ervan uitgaan dat zij banger voor mij zijn, dan ik voor hen.’ Joop ontdekt dat Ramses weleens een slippertje maakt, maar dat komt hun relatie alleen maar ten goede: ‘Het geklit, dat mij zo doodnerveus maakt, is godzijgeloofd over. Joop laat zich niet meer door mij overtreffen en dichtslaan en ik koester mijn geheimen en maak veel plezier met de mensen en ben au fond door niemand benaderbaar.’ Een onneembaar bastion, verpakt in ontwapenende extraversie. Inrichtingskinderen herkennen elkaar overal ter wereld, meent zijn oude minnaar Steven Membrecht. Ramses herkende het in Liesbeth List, toen hij haar in 1963 in een nichtenbar in de Leidsedwarsstraat tegenkwam. Hij zag ‘een nog niet geheelde wond in haar hart, omdat ze in het begin van haar leven domweg verlaten werd. Dat werd ik ook en we geloven allebei dat dit verdriet ons het diepste verbindt.’ Een jaar later stond Shaffy Chantant in de steigers. Dagelijks werd er opgetreden in de Moulin Rouge aan het Thorbeckeplein, met een mix van chansons, light verse (drs. P), literatuur en klassieke muziek. Het succes was overweldigend. Shaffy positioneerde zich tussen de kunst met de grote K (klassieke muziek, opera, ballet) en het platte amusement van het variété en de popmuziek, en vervulde daarmee een grote behoefte. Met de opkomende Provobeweging, of welk maatschappelijk engagement dan ook, had hij niks. Hij was een geweldloze anarchist, maar dat op zijn eigen merites. Briefjes van vijf verbrandde hij, omdat ze zo lelijk waren. Biljetten van andere signatuur gaf hij uit aan drankgelagen in de cafés die hij bezocht: iedereen profiteerde mee.

Uit de gratie en weer terug

Wellicht raakte hij door dat gebrek aan maatschappelijk engagement in het begin van de jaren zeventig uit de gratie; dat hij steeds zwaarder begon te drinken hielp ook niet mee. Hij had de vergetelheid van de alcohol nodig om op de been te blijven of een brug naar de wereld te kunnen slaan, zoals zijn grote vriend Martin Simek suggereert. Het gevolg was dat hij vaker dronken dan nuchter op het toneel stond – àls hij al op het toneel stond, want het bedrijfsrisico van een geannuleerde voorstelling zat er dik in, als je in die jaren Ramses Shaffy contracteerde. In 1974 wist hij het tij te keren met Ramsessie. Door de invloed van producer Chris Pilgram durfde hij poppy arrangementen in zijn liedjes aan, wat een jaar later resulteerde in zijn best verkochte studioalbum: We leven nog.  De hit We zullen doorgaan werd overschaduwd door de parodie van André van Duin, zeker toen Toppop het een leuk idee leek beide grootheden tegelijkertijd in een decor van plastic palmboompje neer te zetten. In het begin van de jaren tachtig wist Ramses zowaar de drank een tijdje af te zweren en ontdekte hij Baghwan. Hij poetst en kookte (wat hij niet kon) zich een ongeluk in Grada Rasjneesh, een therapeutisch gezondheidscentrum in Egmond aan Zee, waar alcohol- en drugsverslavingen met een onorthodoxe therapie rigoureus werden aangepakt. Hij ontmoette voor het eerst van zijn leven zijn hoogbejaarde biologische vader. ‘Het is alsof ik uw ogen heb, alsof ik uw handen heb, alsof u…mij bent,’ stamelende de dementerende oud-consul. De hereniging was van korte duur, want een half jaar later stierf Ramsès Chaffy. Met Mijn diner met André betrad hij weer het toneel; Ramses was Gregory, die met behulp van een goeroe op zoek ging naar zichzelf. De recensies waren laaiend enthousiast, zowel over de acteerprestaties van Ramses Shaffy als die van zijn tegenspeler Hugo Koolschijn. Na een seizoen bij Toneelgroep Amsterdam, onder leiding van Gerardjan Rijnders, schitterende hij als De Man van La Mancha. Hij stoorde zich aan de kritieken dat de rol van Don Quichotte hem op het lijf geschreven was. ‘Het is me niet op het lijf geschreven, ik ben gewoon een goed acteur. Waarom willen mensen nooit zien dat ik iets kan?’ Wat hem steeds meer moeite kostte, was het onthouden van zijn teksten. Al bij een ziekenhuisopname in 1978 werd geconstateerd dat hij een wonderlijk gezonde lever had, maar de hersens waren die van een bejaarde man. Zijn levensstijl begon zijn tol te eisen.

Laatste jaren

Korsakov, luidde de diagnose, toen hij in november 2000 door zijn buurman met spoed naar het Sint Lucas was gebracht. Liesbeth zorgde dat hij in het Sarphatihuis terechtkon, waar hij vrienden met open armen ontving, zodat hij tijdens de innige begroeting even de tijd had om op hun naam te komen. De beelden van een jankende Shaffy, die in de documentaire van Pieter Fleury ’t Is stil in Amsterdam zong, werden columnist Youp van ’t Hek te veel. Die vond dat het ‘showbizzspul’ de kijker had moeten behoeden voor deze ‘zielige vertoning’, maar die bleek daar – in tegenstelling tot Van ‘t Hek – heel goed tegen te kunnen. Ramses was een hommage. Ik zag Shaffy een paar weken voor zijn dood het Filmmuseum binnenstrompelen – mijn werkgever, toentertijd – met Shireen Stroker aan zijn zijde. Collega’s verzorgden een privévoorstelling van Liefdesbekentenissen of Kind van de zon, wat hij ook nog heeft gedaan. Toch mooi, dat we dat nog voor elkaar gekregen hebben. Ramses overleed op 1 december 2009 in het Sarphatihuis aan de gevolgen van kanker. ’s Avonds werd in Paradiso luidkeels Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder gezongen. In die volgorde.

Is We zien wel. Het wonderlijke leven van Ramses Shaffy een lezenswaardig boek? De stijl van Hoogmoed is tenenkrommend. Ramses ‘deed menig hart sneller kloppen’, Steven Membrecht ‘had net de homoseksualiteit ontdekt’ toen hij een relatie met Shaffy kreeg en ook Joop Admiraal ‘ging voor de bijl’  Het zijn slechts willekeurige voorbeelden van platitudes die je ’s nachts wakker doen schrikken van plaatsvervangende schaamte. Staat het er echt? Ja, het staat er echt. ‘Zo leefde Ramses nog lang en…niet ongelukkig, voor zover dat peilbaar was.’ Echt? Echt. Het gekke is dat je We zien wel ademloos uitleest. Ik heb zelden met zoveel gretigheid zulk oubollig proza doorgeworsteld. De aaneenrijging van anekdotes van vrienden die hem stuk voor stuk liefdevol herinneren, hoezeer ze vaak al van Shaffy waren vervreemd, levert een boeiend relaas op van een exemplarisch leven. De psychologische diepgang is zo dun als bordkarton, maar ook dat vergeef je Hoogmoed, want je moet er niet aan denken dat hij zich met die pen gewaagd zou hebben aan filosofische bespiegelingen over het karakter van zijn hoofdpersoon. Er blijven genoeg vragen over voor een diepgravender biografie. Niet in het minst wat het over ons zegt dat we zo van Ramses Shaffy gehouden hebben. Want laten we wel wezen, wie hield er niet van Shaffy?

We zien wel. Het wonderlijke leven van Ramses Shaffy
Sylvester Hoogmoed
Uitgeverij Prometheus
ISBN 9789044617481
Verschenen april 2012

Bestelinformatie

Bestel hier als paperback bij bol.com (€ 12,50)

DELEN
Eric Palmen

Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here