Hitlers leerschool: Wenen

Adolf Hitler in Wenen

Hitler noemde Wenen een “rassenbabylon” in Mein Kampf. Hij verbleef er van september 1907 tot mei 1913, met een korte onderbreking tijdens het eerste jaar, toen zijn moeder ziek werd en uiteindelijk op 21 december zou overlijden. Brigitte Hamann schreef een biografie van de jonge Adolf Hitler. Ze concentreert zich op zijn jaren in de hoofdstad van het Habsburgse Rijk. Keizer Franz Jozef wilde in zijn jubileumjaar 1908 – door Robert Musil bezongen in Der Mann ohne Eigenschaften – een vader zijn voor alle nationaliteiten in de veelvolkerenstaat. Dat verdichtsel verhulde de diepgewortelde rassenwaan die het politieke spectrum van Wenen ten tijde van het fin de siècle kleurde. De tweede mythe waarmee Hamann afrekent is dat Hitler toen al een rabiate antisemiet was, zoals hij ons in zijn pseudo-autobiografie wil doen geloven. Het Wenen van Hitler is een bij tijd en wijle verbijsterend levensverhaal van een verlegen, vrouwschuwe en fysiek zwakke mislukkeling. Hitler absorbeerde als een spons de raciale en politieke theorieën die in de stad de ronde deden – de een nog obscuurder dan de ander. Wenen was met Gustav Klimt, Arnold Schönberg en Robert Musil niet alleen de bakermat van het modernisme, maar ook het laboratorium van het inferno dat de wereld te wachten stond.

Antisemitisme

Tussen 1880 en 1910 groeide Wenen uit tot de vijfde stad van de wereld (na Londen, New York, Parijs, Chicago en Berlijn). Het bevolkingsaantal verdubbelde, met name door de instroom van Tsjechen, Polen en – na het uitbreken van de pogroms in Rusland – Joden. Karl Lueger, “der schöne Karl”, was van 1897 tot aan zijn dood in 1910 burgemeester van de stad. Een populist pur sang, het type van de “volkstribuun”, die de kleine luiden met zijn anti-intellectualistische en antisemitische retoriek aan zich wist te binden. De Jodenhaat was wijd verbreid. Als katholiek voorman sloot Lueger naadloos aan op het eeuwenoude anti-Judaïsme, de Jood als godsmoordenaar, maar er waren ook de raciale theorieën van lieden als Guido von List, Joseph Adolf Lanz en Hans Goldizer. Hitler leerde van Von List het hakenkruis kennen, “het allerheiligste geheime teken van het armanendom,” het edelras van voorchristelijke Ariërs. Goldizer onderrichte hem in de levensstroomtheorie, waarin het zwakke parasiteert op het sterke, een rechtvaardiging van de volkerenmoord avant la lettre. Er werd onomwonden van Herrenmenschen en Untermenschen gesproken, van hoog en laag, zuiver en gemengd, Germaans en Slavisch. De heilgroet en het Führerprincipe stamden van Georg von Schönerer, die in de jaren tachtig van de negentiende eeuw een grote aanhang wist te werven met zijn Heim ins Reich. Dit Al-Duitse verlangen verpakte Schönerer in een antisemitische en antikatholieke boodschap.

De literaire onderwereld van Wenen

Adolf Hitler raakte in 1909, op dat moment twintig jaar oud, dakloos en kwam in het mannenpension terecht. Hij sloot er vriendschap met Josef Neumann, een Joodse straathandelaar die zijn prentbriefkaarten van Weense stadsgezichten voor een paar kronen probeerde te verpatsen. Overdag tekende Hitler, de avonden bracht hij lezend door. Als een eclecticus grasduinde hij in de giftige gaarkeuken van de literaire onderwereld van Wenen. In de kranten, brochures en boeken trof hij de retoriek van zijn toekomstige redevoeringen aan, vaak letterlijk. Hij verdiepte zich in de massapsychologie van Gustave Lebon en probeerde te leren van de fouten van Georg von Schönerer, wiens leger van bewonderaars kort na de eeuwwisseling verschrompeld was. Teveel vijanden, concludeerde Hitler. Schönerer had met zijn anti-paapse houding de Weners van zich vervreemd. Hij had zich moeten beperken tot één enkele vijand: het internationale Jodendom. Hamann weet alleszins aannemelijk te maken dat Hitler tijdens die zelfstudie nog weinig last had van persoonlijke Jodenhaat. Behalve de vriendschap met Neumann wijst ook zijn hartstochtelijke verdediging van Gustav Mahler daarop. Mahler, een mikpunt van de antisemitische pers in Wenen, was zijn favoriete dirigent van zijn lievelingscomponist Richard Wagner. Hitler zou pas in 1919 naar buiten treden als een notoire antisemiet, toen hij – als gewezen korporaal van een verslagen leger – een belangrijke keuze had gemaakt. “Ik besloot politicus te worden.”

Het kosmopolitische, multinationale en modernistische Wenen kende een tegenbeweging. “Het begrip ‘Joods’, aldus Hamann, betekende in Wenen meer dan aanhanger van het Joodse geloof. De term stond vooral voor een vrijzinnige, internationaal georiënteerde geesteshouding die ‘klerikaal’ noch ‘nationaal’ was – en die er niet voor terugschrok met de traditie te breken.” Dat Wenen leerden we in het werk van Carl Schorske kennen – het Wenen van de moderne architectuur van Otto Wagner, de psychoanalyse van Sigmund Freud, de Wiener Secession. Het modernisme werd in rechtse kranten als “ontaarde kunst” veroordeeld. Entartet was een modewoord in het fin de siècle.

Het Wenen van Hitler is niet alleen de biografie van de jonge Adolf, zoals de ondertitel beloofd, het is ook de biografie van een stad. De overeenkomsten die Hamann tussen het anti-modernisme en het nationaalsocialisme heeft weten op te diepen, is vaak stuitend. Brigitte Hamann maakt met talloze voorbeelden duidelijk dat de nationaalsocialisten bar weinig zelf verzonnen hebben. De blauwdruk van hun ideologie lag er al, in Wenen.

Het Wenen van Hitler. De biografie van de jonge Adolf
Brigitte Hamann
Omniboek
ISBN 9789401903202
Verschenen in oktober 2014

Bestelinformatie

Bestel hier als hardcover bij bol.com (€ 34,99)

Koop bij bol.com

Gerelateerde berichten op Biografieportaal

Nieuwe biografie van Hitler

DELEN
Eric Palmen

Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here