A. Alberts en de wereld als een slecht geregisseerd toneelstuk

Leven op de rand. Biografie van A. Alberts

Op 9 december 1979 geeft A. Alberts acte de présence bij de première van de documentaire die de TROS over zijn leven en schrijverschap heeft aangekocht. Hij duikt weg op de achterste rij in de perszaal van de omroep, dicht bij de muur. De organisatie maakt hem duidelijk dat het toch echt de bedoeling is dat hij vooraan komt zitten. Frits Abrahams ziet hoe Alberts zich gewillig laat meevoeren naar het podium, daar waar hij niet wilde zijn, in het middelpunt van de belangstelling. Abrahams concludeert: “Een goede schrijver is zijn stijl.”

De eilandenvrees van A. Alberts

Wat is die stijl? Die van de ultieme soberheid, waarin ­­– aldus Kees Fens – hoofdpersonages proberen geen hoofdpersonage te zijn. Hella Haase spreekt van een “heldere eenvoud” waarin persoonlijke gevoelens een onnadrukkelijke rol spelen maar juist daardoor alom aanwezig zijn, “een mengsel van verbazing, sympathie, beschaamdheid, hilariteit, medelijden, verbijstering…ware het niet, dat zij niet onder woorden te brengen zijn.”

Ik was een jaar of zeventien toen ik De eilanden las, het officiële debuut van A. Alberts. Onheilspellende, schimmige verhalen. Ze roepen allesbehalve een verlangen naar de archipel op. Een eiland is een geografische eenheid waar je uiteindelijk aankomt bij je vertrekpunt. Sindsdien weet ik dat het bestaat: de angst voor eilanden. Insulaphobia.

In 1955 maakt Alberts met zijn vrouw Fientje de première van Wachten op Godot van Samuel Becket mee. De voorstelling in de schouwburg van Arnhem is besloten, want de directie vreest de verontwaardiging van het publiek. Alberts is meteen verkocht. De slapstickachtige mise-en-scène van het stuk en de absurde dialogen van Estragon en Vladimir hadden zo uit zijn koker kunnen komen. Haast dertig jaar later komt Alberts erop terug, in Het zand voor de kust van Aveiro. Dat gaat over “een man, die verdwijnt en die terugkomt naar degenen, die wel of niet op hem wachten.” Alberts had iets met Napoleon. Niet vanwege Waterloo of Leipzig, of die absurde kroningsscene in de Notre Dame, maar vanwege Elba en Sint-Helena. Hij wilde de biografie schrijven van de man die uit zijn ballingoord ontsnapt, een definitieve nederlaag lijdt, om vervolgens onherroepelijk verbannen te worden. Naar een eiland.

Het oeuvre van Alberts wordt bevolkt door personages die zich geen raad weten met hun omgeving. Ze heten Duclos (de gevangene van zichzelf) of Naman (no man, nalatende man). Ze worden gek, zoals Dalem in De vergaderzaal, verdwalen, verdwijnen, ontsporen of sterven. In die desolate omgeving hebben ambtenaren de volledige sympathie van Alberts, omdat zij orde lijken te scheppen in een haveloze wereld, hoe illusoir hun regelneverij ook blijkt te zijn. Als het waar is, dat de wereld een schouwtoneel is, waarin iedereen zijn rol speelt en zijn deel krijgt, dan mag men de leidinggevende kwaliteiten van de schepper ernstig in twijfel trekken. Volgens Kees Fens is dat de crux van het oeuvre van A. Alberts. “De samenleving is een slecht geregisseerd toneelstuk, en van aard en functie van zijn medeacteurs is geen enkele speler op de hoogte.”

“Nederlandsch Indië is dood”

Graa Boomsma heeft al die noties nauwgezet opgetekend in Leven op de rand. Biografie van A. Alberts. Zijn uitgangspunt is dat het werk het leven verheldert, niet andersom. Synopsis, duiding en receptie van het oeuvre van Alberts krijgt dan ook de volle aandacht in deze biografie.

Het leven komt er iets bekaaider van af. We lezen over de jeugd in Haarlem en Apeldoorn. Het kroondomein van paleis Het Loo levert een levenslange fascinatie voor bossen op, een grondmotief in de verhalen van Alberts. Zijn vader is reder op de grote vaart, iemand die vooral afwezig is. Alberts is veertien als Jappe overlijdt. Hij studeert Indologie in Utrecht, waar Carel Gerretson de scepter zwaait en uitgroeit tot een soort vaderfiguur, in weerwil van zijn dubieuze politieke standpunten. (Gerretson, alias Geerten Gossaert, was een aartsconservatief met fascistoïde trekken). “Utrecht” wilde een tegenhanger zijn van de ethische richting die in Leiden door lieden als Snouck Hurgronje werd uitgedragen. De bestuursambtenaar werd er niet opgeleid tot “innerlijke abdicatie”, maar met het besef dat de kolonie tot het koninkrijk hoorde. Het bedrijfsleven, de Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM) voorop, financierde de faculteit.

Bron: Nationaal archief © Collectie SPAARNESTAD / Fotograaf onbekend (CC BY-SA 3.0 NL) . Carel Gerretson (1884-1954)

De ontgroening van het Studenten Corps doorstaat Alberts niet. Na een week geeft hij er de brui aan, zijn kale kop ten spijt. Het isolement wordt pas in zijn tweede studiejaar doorbroken, als hij kennismaakt met Leo Vroman en Anton Koolhaas. Na zijn doctoraal gaat hij naar Parijs en beleeft er een ongelukkige liefde. Hij wil wel trouwen met de buitenechtelijk zwangere Liesbeth Dobbelman, al is het kind niet van hem. Zij wil niet. Dobbelman ervaart zijn galanterie alleen maar als beklemmend. De wond is zo diep dat Alberts er geen woord over vuil maakt in De Franse slag, zijn memoires over de Parijse jaren, maar aan het eind van zijn leven komt hij erop terug, in zijn laatste roman, De vrouw met de parasol.

Zijn betrekking als bestuursambtenaar in Nederlands-Indië is een vlucht – niet eens zozeer van de oorlog, zo meent Boomsma, maar van Liesbeth Dobbelman. Hij vertrekt op 27 september 1939, met de Johan van Oldenbarnevelt, en wordt op het meest afgelegen eiland van de Indische Archipel gedetacheerd: Madoera. Tijdens de Japanse bezetting overleeft hij vier kampen. De mededelingen over zijn ervaringen zijn spaarzaam, in Namen noemen (1962), Inleiding tot de kennis van de ambtenaar (1986) en Een kolonie is ook maar een mens (1989). De toon is overwegend laconiek, ironisch.

“Wij moesten het met een stuk of zes per bank in de breedte doen. Het slapen op gladde steen bleek geen bezwaar, waarschijnlijk gezond; net als in het begin het magere dieet. Blijkbaar hadden we vroeger allemaal veel te veel gegeten.”

Zijn aanvraag bij de Stichting Japanse Ereschulden in 1990 (45 jaar na de Japanse capitulatie, vijf jaar voor zijn dood) duidt op een andere werkelijkheid. Had hij sadistische behandeling moeten ondergaan? “Afranseling”, antwoordt Alberts. Niets meer, niets minder.

Bron: Tropenmuseum, part of the National Museum of World Cultures. Madoera

Na de oorlog raakt hij geestelijk in de knoop; zijn ambtenarenbaantje bij het Kinabureau in Den Haag, dat hem van zijn ontluikende schrijverschap afhoudt, helpt ook niet mee. “De dokter heeft mij in deze week weer naar Amsterdam laten gaan, waar ik voor halve dagen naar kantoor mag gaan. Het ziet er dus naar uit, dat ik binnenkort weer de oude zal zijn,” deelt hij Gerretson doodleuk mee. Hij peinst er niet over naar de kolonie, waar Soekarno en Hatta in 1945 de republiek hebben uitgeroepen, terug te gaan. Alberts erkent het onafhankelijkheidsstreven van de nationalisten volledig. “Nederlandsch Indië is dood,” schrijft hij in De Groene Amsterdammer. Toentertijd een eigenzinnig standpunt. Alberts veegt de vloer aan met politici die menen dat met Indië verloren, de rampspoed geboren is. Met name de ‘Professor’, Pieter Sjoerds Gerbrandy, krijgt er flink van langs. De oorlogspremier heeft met zijn halfslachtige 7 December-rede een gouden kans laten liggen tot een ordelijke soevereiniteitsoverdracht, eentje die de koloniale oorlog van 1946-1950 had kunnen voorkomen, zo meent Alberts.

De Groene

In 1953 treedt A. Alberts toe tot de redactie van De Groene. De grote verdienste van deze biografie is dat Boomsa uitgebreid aandacht besteedt aan dit onderbelichte aspect van zijn loopbaan. Alberts, de eeuwige buitenstaander, ontpopt zich tot een geëngageerd journalist. De redactievergaderingen bij Scheltema op donderdagmiddag eindigen meestal in een drinkgelag. Alberts durft soms niet thuis te komen, waar Fientje op hem wacht, met wie hij in 1954 getrouwd is. Hij overnacht dan bij zijn broer in Bilthoven. Drank is heel zijn leven zijn liefste vijand, en de oorzaak van zijn suikerziekte, waaraan hij op 16 december 1995 in het AMC bezwijkt.

Het huwelijk met Fientje Blijboom is, net als zijn woning in Blaricum, een bastion. De verbouwingen staan met name in het teken van de inbraakpreventie. Meer sloten, slagvast glas, hogere dorpels. In het jaar van zijn overlijden krijgt Alberts de P.C. Hooftprijs. Die toekenning bevrijdt hem van de financiële zorg, die zijn schrijverschap ook altijd parten heeft gespeeld. Het dankwoord van Alberts is het kortste uit de geschiedenis van de prijs. Wellicht was hij met het levensgevoel geboren dat Thomas a Kempis omschreven heeft in De imitatione Christi (en dat Alberts met instemming citeert in Maar geel en glanzend blijft het goud). “Elke keer als ik in het gezelschap van mensen heb verkeerd, ben ik als een minder mens teruggekeerd.”

Leven op de rand. Biografie van A.Alberts
Graa Boomsma
Uitgeverij Van Oorschot
ISBN 9789028242241
Verschenen in februari 2017

Bestelinformatie

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel hier als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 34,99)
Bestel hier als ebook bij Athenaeum Boekhandel (€ 17,50)

Koop bij bol.com

Bestel hier als hardcover bij bol.com (€ 34,99)
Bestel hier als ebook bij bol.com (€ 17,50)

DELEN
Eric Palmen
Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here