The Past Is Never Dead: William Faulkner in het verleden en heden

Faulkner arriveert in Stockholm, 1950 Bron: Stockholms stadsmuseum ((CC BY-NC-SA 2.0) )

Heden

The Past Is Never Dead is de ondertitel van deel 1 van Carl Rollysons monumentale biografie over William Faulkner, die ik onlangs recenseerde; deel 2, dat uitkomt op Faulkners verjaardag, 25 september, heeft als ondertitel The Alarming Paradox. ‘The past is never dead.It’s not even past,’ is een uitspraak van Gavin Stevens, de advocaat in Faulkners fictionele Yoknapatawpha County, in de zuidelijke Amerikaanse staat Mississippi. Stevens keert vaker terug in Faulkners fictie dan zijn andere romanfiguren, is een intellectueel—hetgeen niet altijd positieve connotaties heeft in het Amerikaanse zuiden—en is tegelijkertijd waar- en deelnemer. Sommige critici beschouwen Stevens als een simpele spreekbuis voor Faulkners meningen, maar hij is veel meer dan dat: net als alle andere Faulkner karakters is hij subjectief en interpreteert heden en verleden, vrienden en vijanden, vanuit een steeds veranderend perspectief.

‘The past is never dead. It’s not even past,’ is bijna te toepasselijk vanwege het racismedebat dat sinds de moorden op George Floyd en Breonna Taylor de afgelopen maanden ook in Nederland verhevigd wordt gevoerd. Waar ik in mei vond dat Rollyson Faulkner fijngevoelig beschreef, worstelend met destijds in het zuiden geaccepteerde waarden over ras, maar tegelijkertijd het bestaan en het voortbestaan ​​van racisme binnen de Amerikaanse samenleving verdedigend, las ik deel 2 tegen de tumultueuze achtergrond van ‘Black Lives Matter.’

Maar laat ik eerst Faukners leven, zoals weergegeven in deel 2 van de Rollyson-biografie, samenvatten. In deel 1 laat Rollyson ons achter als Faulkner rond de dertig is, ongelukkig getrouwd met zijn jeugdliefde Estelle Oldham, stiefvader van haar twee kinderen uit haar eerste huwelijk, en vader van een dochter, Jill. Al een bekende schrijver van experimentele, complexe fictie, waar tijden en gezichtspunten door elkaar lopen, leeft hij in Oxford, Mississippi, op het vervallen landgoed Rowan Oak, waar hij de landheer uithangt, afgewisseld met verblijven als scenarist in Hollywood.

Afgezien van een voorwoord, dat vooral een dankwoord is, gaat Rollyson in deel 2 gewoon verder met Faulkners leven, alsof de geplande, eendelige biografie vrij willekeurig doormidden is geknipt. Te dikke biografieën verkopen namelijk slecht. Iedere biograaf weet dat zij een gevecht met de uitgever moet leveren om het gewenste aantal woorden te mogen schrijven. (Mijn Amerikaanse agent: ‘Hoeveel woorden had je gepland?’ Ik: ‘150.000.’ Zij: ‘Inclusief voetnoten, neem ik aan?’ Ik—gedecideerd–: ‘Exclusief voetnoten én illustraties.’ Zij—streng–: ‘Je weet dat uitgevers dat veel te veel vinden.’ Ik: stilte.) Waarschijnlijk heeft Rollyson gemeend gewoon verder te kunnen gaan met Faulkners levensverhaal, omdat er minder dan een jaar tussen de verschijning van deel 1 en 2 zit. Dit in tegenstelling tot, bijvoorbeeld, Robert Caro in zijn fantastische vijfdelige biografie over president Lyndon B. Johnson, die elk deel begint met een samenvatting van wat voorafging. Maar Caro’s lezers hebben zo’n opfrisser dan ook wel nodig, want het eerste deel van de Johnson biografie verscheen in 1982, en zijn fans, waaronder ik, wachten met smart op het vijfde deel, hopend dat hij, nu 84, dat in 2022 zal uitbrengen.

Rollyson daarentegen dompelt ons gelijk onder. Hij begint met Faulkners jongste broer Dean, die hem beschermt gedurende zijn drinkpartijen. Dean, gestimuleerd door Faulkner, verongelukt bij een stuntvliegshow. Faulkner voelt zich schuldig en neemt de verantwoordelijkheid voor Deans jonge, zwangere vrouw op zich. Dit is Faulkners ‘alarming paradox’ : ‘I, an artist, a sincere one and of the first class, who should be free even of his own economic responsibilities and with no moral conscience at all, began to become the sole, principal and partial support. . . of my mother . . . [a] brother’s widow and child, a wife of my own and two stepchildren, my own child.’

Om genoeg inkomen te genereren voor zijn familie en aanhang en om Rowan Oak af te kunnen betalen en op te knappen, heeft Faulkner het grote geld nodig dat hij verdient als scenarioschrijver in Hollywood. Daar vindt hij een geliefde, zijn scriptgirl, Meta Carpenter, ook geboren en getogen in het zuiden. Zij is zijn thuishaven in California, dat hij beschouwt als ‘the plastic asshole of the world.’ Hun seksueel hartstochtelijke relatie—Rollyson geeft op basis van overtuigende bronnen zelfs precieze beschrijvingen van hun standjes—houdt achttien jaar met ups en downs stand. De dieptepunten: wanneer Faulkner zijn vrouw en kind laat overkomen naar Hollywood, Meta’s territorium, Meta (kortstondig) trouwt met een gevluchte Joods-Duitse musicus, of Faulkner weer eens volledig geveld is door de drank. Het is verbazingwekkend dat Faulkner zoveel produceert: romans, korte verhalen, en scenario’s. Onder invloed kan hij zo’n veertig (!) pagina’s script per nacht schrijven, vele malen meer dan minder alcoholische scenaristen.

Racisme in Faulkners werk

Faulkner begint eind 1935 aan Absalom, Absalom!, volgens velen, waaronder Rollyson, Faulkners beste roman. Absalom, Absalom! is echter zo ingewikkeld (zijn eerdere beroemde roman, The Sound and the Fury, is er niets bij), dat ik zelfs met Rollysons uitgebreide uitleg de kluts kwijtraakte. ‘This is so damned confusing,’ shreef Faulkners editor, die toch wel wat gewend was, bij één van de versies van het eerste hoofdstuk. Ik heb Absalom, Absalom! nooit gelezen en voor de plot zocht ik daarom mijn toevlucht tot Wikipedia. (Er is zelfs een zwaar gefinancierd digitaal Yoknapatawpha project, waar de verwarde lezer kan zoeken op namen, gebeurtenissen, en plaatsen.)

De zwarte schrijver Toni Morrison (1931-2019), Nobelprijswinnaar in 1993, wordt vaak tegelijkertijd met Faulkner besproken omdat racisme hun beider boeken doordrenkt: Faulkner vanuit het perspectief van de gesegregeerde zuidelijke wereld van de vorige eeuw, Morrison vanuit het oogpunt van de burgerrechtelijke onrust in de jaren vijftig en Black Power in de jaren zestig. Zij vat het thema van Absalom, Absalom! samen als ‘the insanity of racism.’ De zéér gesimplificeerde hoofdplot van het verhaal beschrijft de opkomst en ondergang van Thomas Sutpen, verteld in lagen—als het afpellen van uienschillen—door Quentin Compson aan zijn Canadese studievriend Shreve. Thomas Sutpens kinderen, Henry en Judith, raken volledig in de ban van de charmante, aristocratische Charles Bon uit New Orleans. Charles en Judith willen trouwen, maar hij blijkt haar (niet erkende) halfbroer van gemengd ras te zijn. Henry vermoordt Charles om te voorkomen dat hij met Judith trouwt, niet zozeer vanwege het feit dat zij zijn halfzus is, maar omdat Charles niet honderd procent wit is. (De titel verwijst overigens naar de Bijbelse Absalom, die zijn halfbroer vermoordt omdat deze zijn (half-)zus verkracht heeft.) Morrison refereerde aan Absalom, Absalom! vlak na de verkiezing van Donald Trump: ‘So scary are the consequences of a collapse of white privilege that many Americans have flocked to a political platform that supports and translates violence against the defenseless as strength. . . .William Faulkner understood this better than almost any other American writer. In Absalom, Absalom, incest is less of a taboo for an upper-class Southern family than acknowledging the one drop of black blood that would clearly soil the family line. Rather than lose its ‘whiteness’ (once again), the family chooses murder.’ Maar uiteindelijk overwint Charles Bon: zijn zoon, Jim Bond, bij een zwarte vrouw is de laatste afstammeling van Thomas Sutpen. Shreve cocludeert dat ‘the Jim Bonds are going to conquer the western hemisphere’ en dat over ‘a few thousand years, I . . . will also have sprung from the loins of African kings.’

William Faulkner in 1954. Foto: Carl Van Vechten (1880-1965)

Racisme in Faulkners leven

In deze roman is de toekomst aan mensen van kleur, maar hoe ging Faulkner zelf om met racisme? Zijn familie was daar duidelijk in: van zijn geliefde moeder Maud is de uitspraak dat alle mensen gelijk zijn ‘with the exception of nigrahs, foreigners, Catholics, and Jews.’ In de midvijftiger jaren van de vorige eeuw, na de moord op Emmett Till, na de rellen die uitbraken toen Autherine Lucy probeerde toegelaten te worden tot de witte University of Alabama, is Faulkner, in tegenstelling tot de meeste blanken in Mississippi, overtuigd dat segregatie een gelopen race is. Hij wordt daarom gezien als een ‘nigger lover.’ Faulkner vindt echter dat integratie zich langzaam zou moeten voltrekken. Betuttelend schrijft hij dat het zuiden segregatie moet afschaffen ‘if for no other reason than, by voluntarily giving the Negro the chance for whatever equality he is capable of [!], we will stay on top; he will owe us gratitude; where, if his equality is forced on us by law, compulsion from outside, he will be on top from being the victor, the winner against opposition. And no tyrant is more ruthless than he who was only yesterday the oppressed slave.’ Het wordt nog schokkender: in een dronken interview voor de London Sunday Times provoceert hij: ‘if it came to fighting I’d fight for Mississippi against the United States even if it means going out into the street and shooting Negroes. After all, I’m not going to shoot Mississippians.’ Faulkner verwerpt deze uitspraak snel als dronkenmanspraat, maar zoals het een goed biograaf betaamt benoemt Rollyson de schandelijke kanten van zijn protagonist. Na lezing van dit deel van de Rollyson biografie in het licht van ‘Black Lives Matter’ heb ik nog steeds bewondering voor de sensibele, gevoelige manier waarop de witte, zuidelijke Rollyson met deze materie is omgegaan. Ik zou overigens graag (nog!) een Faulkner biografie lezen, maar dan één geschreven door een zwarte schrijver, want evenals haar onderwerp is de biograaf een product van haar historische context.

Faulkners leven en dood

Rollyson benadrukt misschien net iets teveel dat Faulkner gevangen zit tussen zijn veelal racistische familie en zijn eigen, meer progressieve ideeën. Zo laat Rollyson met betrekking tot Faulkners (in zijn historische context) vooruitstrevende gedachtengoed zien dat Faulkner in het geheim de antiracistische undergroundkrant van zijn nichtje Dean financiert. En de president van de witte University of Virginia is geheel tegen de komst van pro-integratie Faulkner als ‘writer-in-residence,’ want zijn universiteit ‘had sufficient prestige without William Faulkner.’

Dit is in 1956, meer dan zes jaar nadat Faulkner de Nobelprijs heeft gewonnen. Mede door de Nobelprijs wordt Faulkner een wat minder gesloten privépersoon en voelt zich wat meer op zijn gemak bij publieke aangelegenheden. Hij reist meer en ontmoet buiten zijn Oxford, Mississippi, verschillende vrouwen met wie hij affaires heeft; naast Meta Carpenter onder anderen de schrijvers Jean Stein en Joan Williams. Williams is slechts een paar jaar ouder dan Faulkners dochter Jill en Faulkner presteert het om zijn dochter te vertellen dat ze het nooit zo ver zal schoppen als zijn maîtresse. Hoewel bijgenaamd ‘Pappy,’ is Faulkner een vreselijke vader. Wanneer Jill haar vader smeekt te stoppen met drinken, zegt hij: ‘You know, no one remembers Shakespeare’s child.’

Estelle heeft zich inmiddels neergelegd bij de misdragingen van haar echtgenoot–hij breekt zelfs haar sleutelbeen door haar de trap af te duwen—wordt steeds onafhankelijker, en parafeert haar schilderijen met haar meisjesnaam E.O., niet E.F. En in tegenstelling tot haar echtgenoot, die haar blijft afschilderen als een dronken slons, lukt het haar wél te stoppen met drinken. Het is, in feite, niet alleen opzienbarend dat Faulkner, als alcoholicus, zoveel produceert, het is verbazingwekkend dat hij überhaupt functioneert. Nu waren veel schrijvers in de vorige eeuw alcoholici (John Berryman, Elizabeth Bishop, Isabella Gardner, Carolyn Kizer, Allen Tate, Dylan Thomas, om er maar een paar te noemen), maar Faulkner spant wel de kroon. Rollyson schetst, plastisch, schokkende scenes waar Faulkners redacteur, Saxe Commins, hem naakt aantreft, besmeurd met feces—en hem weer naar een verslavingskliniek moet zien te krijgen. (Het wordt de arme Commins allemaal teveel: hij sterft aan een hartaanval.)

Faulkner sterft een paar jaar na hem, in het harnas, zogezegd. In juli 1962 valt hij, een fervent ruiter, weer eens van zijn paard, en bestrijdt de pijn met pijnstillers en drank. Zoveel drank, dat zijn familie hem vervoert naar een ziekenhuis, om af te kicken. Hij bezwijkt eveneens aan een hartaanval, 64 jaar oud.

Heden

In juli kwam Too Much and Never Enough over Trump uit. John en Andy Schafly, uiterst conservatieve zonen van de antifeministische Phyllis Schafly, hadden hun mening gelijk klaar. Het boek is ‘fake news’ en ‘should be sold as fiction because it apparently channels the made-up Compson family of William Faulkner’s novels.’ Ze beschreven Faulkner als ‘a liberal icon,’ een ‘obscure writer until he was put on the map by a surprise award of the Nobel Prize for Literature, an honor never bestowed on conservatives.’ Zo gaan ze nog een tijdje door. Mijn punt is dat Faulkners werk, met al zijn contradicties en complexiteit tot op de dag van vandaag relevant is: ‘The past is never dead. It’s not even past.’

The Life of William Faulkner: This Alarming Paradox. Volume 2.
Carl Rollyson
University of Virginia Press
ISBN 9780813944401
Verschenen in september 2020

Bestelinformatie

Bestel als hardcover bij bol.com (€ 35,99)

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 40,99)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here