Frank Ramsey, een onstuitbaar genie

Veel filosofen worden bewonderd om hun werk, niet zozeer om hun persoonlijkheid. Wittgenstein was een onuitstaanbare egoïst, Kant een punctuele neuroot en Socrates irriteerde marktgangers mateloos met zijn eindeloze stroom vragen. Voor veel filosofen geldt dan ook dat hun leven en hun werk apart bezien worden. Waarom doet het er immers toe hoe Arendt leefde als je haar filosofie wil begrijpen? Kun je Humes ideeën niet goed leren kennen zonder te weten wat hij zoal deed in zijn vrije tijd?

Voor Frank Ramsey (1904-1930) geldt dat niet. Zijn leven en zijn werk zijn innig verbonden, laat Cheryl Misak overtuigend zien in haar fantastische biografie Frank Ramsey. A sheer excess of powers (je mag hopen dat het snel naar het Nederlands wordt vertaald).

Ramsey zou maar 26 worden, ten gevolge van een leveraandoening. Zijn dood blijft het hele boek in je achterhoofd broeden. Je weet steeds dat in 1930 het doek valt. Tegelijkertijd benadrukt zijn overlijden hoe een bijzonder mens, en hoe een fantastische geest, Frank Ramsey was. Helaas is hij (nog) niet zo bekend bij het grote publiek.

‘Mijn hemel, is hij pas twaalf?’

Hij werd geboren in een gezin vol tegenpolen. Moeder Agnes was politiek zeer betrokken, zette zich in voor progressieve doelen zoals vrouwenkiesrecht. Vader Arthur daarentegen was stil, streng, misschien wel een beetje saai, en kon soms plots in woede uitbarsten. Frank was een overtuigd atheïst, zijn broertje Michael zou later aartsbisschop van Canterbury worden, de hoogste positie in de Anglicaanse kerk. Frank leek meer op zijn moeder dan zijn vader, en ondanks dat zijn familie uit een gegoed milieu kwam – upper-middle class, zoals de Britten zeggen – zou Ramsey altijd het belang van de kansarme klassen voorop stellen.

Al tijdens zijn vroege jongensjaren op het vreselijke Winchester College zou Ramsey blijk geven van een groot talent. Ondanks de dagelijkse koude baden, het zeer slechte eten en pestgedrag van oudere jongens toonde hij al vroeg een groot talent in de wiskundeles. Zijn docent klassieke talen was aanvankelijk minder onder de indruk. Toen vader Arthur naar school kwam zei de docent dat hij nog niet erg ver gevorderd was. ‘Hoe gevorderd verwacht je dat een twaalfjarig jongetje kan zijn?’ vroeg Arthur. ‘Mijn hemel, is hij pas twaalf? Ik dacht dat hij vijftien was’, antwoordde de docent. Het zegt veel over Franks talent, hoewel zijn uitzonderlijke lengte vast ook bijdroeg aan het misverstand. Ook toonde hij toen al een sterke interesse voor politiek, hoewel hij zich nooit aan één bepaalde stroming vastlegde. Hij debatteerde veel met klasgenoten over rechtvaardigheid, kapitalisme, socialisme en privaat bezit, wellicht aangewakkerd door de politieke onrust aan het einde van de Eerste Wereldoorlog, die ook in Winchester College zeer voelbaar was geweest.

Tegelijk verorberde hij boeken alsof het koekjes waren. Hij las Marx, Keynes, Weyl, Mach, Kant, Hume en Russell. Dit nog allemaal voor hij naar de universiteit ging, op zijn zestiende.

Van links naar rechts: Bertrand Russel, John Maynard Keynes en Lytton Strachey. Bron: National Picture Gallery

Het bruisende Cambridge

Hij ging naar Cambridge, waar zijn vader ook als wiskundeleraar werkte. Op dat moment zoemde het in Cambridge van de activiteit en de nieuwe ideeën. Op de filosofiefaculteit maakten Russell en Moore de dienst uit, Wittgenstein was net naar Duitsland vertrokken om les te geven aan schoolkinderen. Wiskunde werd gedomineerd door John Littlewood en G.H. Hardy. Economie werd een minder speculatieve en meer wetenschappelijke discipline dankzij het werk van John Maynard Keynes en Arthur Pigou en (later) Piero Sraffa.

Ook het culturele leven in Cambridge was zeer vruchtbaar. In discussiegroepen met bijna mystiek aandoende namen als de Heretics en de Apostles verkeerden intellectuelen als Keynes, Russell, Moore, Leonard Woolf, Lytton Strachey en E.M. Forster. Ze bespraken de Freudiaanse psychoanalyse, zeer modieus in die tijd, en hielden er een vrije seksuele moraal op na, waarin homoseksuele clubgenoten openlijk zichzelf konden zijn.

Ramsey maakte op bijna iedereen die hij ontmoette een grote indruk. Niet alleen vanwege zijn grote, gulle lach en zijn enorme postuur, maar ook vanwege zijn scherpe geest en zijn gave om slechte ideeën vlijmscherp te fileren. (Het is veelzeggend dat G.E. Moore, een van de belangrijkste filosofen in zijn tijd, nerveus werd als Ramsey in de collegebanken zat.)

Nooit dogmatisch

Misak schetst Ramseys intensieve en productieve jaren in de gloriedagen van Cambridge in schitterende kleuren. Bijna iedereen die terloops ter sprake komt wordt wel minister-president, gelauwerd kunstenaar of eminent academicus. De eerste paar hoofdstukken, van zijn geboorte tot zijn benoeming als university lecturer in de wiskunde aan King’s College in 1926 (!) zijn daarom het interessantst. Waar Misak ook heel goed in slaagt is te laten zien dat Ramseys persoonlijkheid wel degelijk zijn werk beïnvloedt en andersom. Ramsey was een overtuigd socialist, hoewel hij nooit dogmatisch werd, en ook in zijn werk streefde hij naar kansengelijkheid. Als econoom hield hij zich bijvoorbeeld bezig met eerlijke belastingen en de vraag hoeveel de overheid moest sparen. Hij ging er niet van uit dat mensen perfect rationeel waren en precies wisten hoe ze hun koopkracht moesten vermeerderen, zoals sommige collega-economen wel plachten te doen.

Ook als filosoof was Ramsey nooit dogmatisch. Hij liet zich niet meesleuren in de – ongetwijfeld zeer aantrekkelijke – traditie van Russell, Moore en (de vroege) Wittgenstein. Die zagen voor de wiskunde en de logica een bijzonder grote rol weggelegd binnen de filosofie. Als je de logica goed toepaste kon je er filosofische problemen mee oplossen, dachten zij, want die kwamen voort uit de manier waarop we de taal gebruiken. Het was een populair idee dat de betekenis van woorden lag in de objecten waar ze naar refereerden. ‘Frankrijk’ refereert naar Frankrijk; ‘boek’ refereert naar een boek. Maar met sommige zinnen doen zich problemen voor: In ‘De koning van Frankrijk is kaal’ refereert ‘De koning van Frankrijk’ nergens naar, want Frankrijk heeft geen koning. Is de zin nu onwaar? Of nonsens? Ramsey dacht, grof gezegd, dat zijn voorgangers tegen windmolens vochten. Je kunt taal wel héél precies maken met logica, maar dan houd je iets over wat geen taal meer is, maar wiskunde. Ramsey had een meer pragmatische houding. Niet dat hij zich er makkelijk af maakte met een ‘wat werkt, dat werkt’, maar hij vond wel dat een theorie zich bewees door hoe nuttig en waardevol die in praktijk bleek te zijn. Voor hem ligt de betekenis van ‘De koning van Frankrijk is kaal’ in hoe de zin gebruikt wordt, welk gedrag het uitlokt, en dergelijke.

Naast zijn pragmatische insteek dichtte Ramsey ook de psychologie een grote rol toe, onder invloed van zijn gesprekken over Freud bij de Heretics en de Apostles, en zijn eigen ervaringen met de psychoanalyse – hij ging een jaar naar Wenen om daar geanalyseerd te worden. Hoe kunnen we erachter komen welke zinnen waar zijn en welke niet? Russell had daar een heel logisch systeem voor gebouwd, waarbij we kijken naar waar woorden naar refereren in de echte wereld. Ramseys oplossing was veel psychologischer: kijk naar hoe iemand zich gedraagt. Als je de uitspraak ‘het regent’ voor waar houdt, zul je niet snel zonder paraplu naar buiten gaan. Daarmee verbond hij het begrip ‘waarheid’ aan overtuigingen en handelingen, een revolutionaire zet.

De mens op de voorgrond

Ramsey had een kort maar gelukkig leven, hij was gelukkig getrouwd en dol op zijn twee dochtertjes. Hij had stimulerend werk en veel vrienden. Toch is de biografie niet saai. Misak heeft een vlotte pen en wordt nergens technisch – voor de liefhebbers zijn er korte kaders, geschreven door experts, die bijvoorbeeld de wiskunde achter Ramseys economie uitleggen – en ze weet, met name in het begin, de wederzijdse invloed van Ramseys leven en werk goed duidelijk te maken. De tweede helft van het boek is iets taaier, omdat het daar vooral gaat over Ramseys ideeën. En soms herhaalt Misak dezelfde boodschap wel erg vaak. Voor iemand zonder achtergrond in de filosofie of de economie zullen in dat tweede deel best pittige paragrafen staan. Maar daar kun je ook makkelijk overheen lezen, en toch een idee krijgen van wat Ramsey heeft betekend voor de filosofie, de economie en de wiskunde. En dat is: hij heeft in alle drie de disciplines de aanzet gegeven voor een omwenteling naar een psychologisch en een pragmatisch perspectief dat de disciplines hard nodig hebben gehad. Misschien is Ramsey wel de belangrijkste filosoof waar je nog nooit van hebt gehoord.

In een lezing aan de Cambridge Apostles somt hij zijn wereldbeeld mooi op: “Humanity, which fills the foreground of my picture, I find interesting and on the whole admirable. I find, just now at least, the world a pleasant and exciting place.”

Frank Ramsey. A sheer excess of powers
Cheryl Misak
Oxford University Press
ISBN 9780198755357
Verschenen 13 februari 2020

Bestelinformatie


Bestel als hardcover bij bol.com (€ 39,44)
Bestel als ebook bij bol.com (€ 20,99)

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 31,99)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here