Jan Eijkelboom. Een leven lang tussen benauwenis en ruimtezucht

Voor velen – vooral in Dordrecht – was Jan Eijkelboom heel lang ‘die andere Dordtse dichter’. Hoewel hij acht jaar jonger was dan Kees Buddingh’, liep zijn levenspad voor het grootste deel langs dezelfde Dordtse gevels en havens. Ze hadden ook het nodige gemeen. Zo woonden beiden kort voor de oorlog aan weerszijden van de Dordtse Bankastraat, hadden ze elk een eigen literaire vriendenkring in Utrecht, waren ze alle twee sterk op het Engelse taalgebied gericht en torsten ze hun leven lang een loden last met zich mee.

Bij Buddingh’ werd dat aangeduid als een sanatoriumsyndroom, bij Eijkelboom waren het de herinneringen aan de tijd die hij als Nederlands militair in Indië had doorgebracht, het zogenoemde KZ-syndroom. Dit leidde bij hen bij tijd en wijle tot overmatig drankgebruik en depressies, terwijl in de perioden dat het hen goed ging de onverbiddelijke dreiging van de belastingdienst als een donkere schaduw over het bestaan hing. Beiden trokken zich als insulair ingestelden steeds meer terug in hun vertrouwde Dordtse bastion. Na Buddingh’s overlijden in 1985 schreef Eijkelboom het gedicht ‘Op een Dordtse Chinees’: ‘Je zag teveel / van wat op aarde, zelfs / op dit eiland, in de Bankastraat, / Nooit meer zou worden wat het was’.

Zowel Buddingh’ als Eijkelboom werden op hun vijfenzestigste benoemd tot ereburger van de Merwestad. In de gouden legpenning die Eijkelboom bij die gelegenheid overhandigd kreeg was de tekst gegraveerd: ‘Zijn leven lang dichter bij Dordt’. Dichter bij Dordt luidt evenwel de titel van de Buddingh’-biografie, die in 2015 van mijn hand verscheen. Kees van ’t Hof heeft daar nu zijn Eijkelboom-biografie naast gelegd, onder de titel Nooit het hele hart.

Ondanks dat Buddingh’ en Eijkelboom bevriend waren, bleef hun samenwerking beperkt tot de samenstelling van de bloemlezing Het eiland van Dordrecht in tekst & beeld (1982), een boek dat overigens Bij Van ’t Hof onvermeld is gebleven.

© Noortje Eijkelboom-Piccardt (CC BY-SA 3.0)

Dordtse leerregels

Ofschoon Jan Eijkelboom in 1926 in Slikkerveer – een door scheepswerven gedomineerd dorpje aan de Nieuwe Maas en de Noord – werd geboren, groeide hij op in het stroomopwaarts aan de Merwede gelegen Dordrecht, in een milieu waarin nog werd geleefd volgens normen en waarden die men ontleende aan de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse leerregels. Het geloof was voor zijn ouders echter niet zaligmakend, waardoor de jonge Jan werd opgevoed met ‘een open houding ten aanzien van de samenleving’. Dat voorkwam niet dat school en kerk hem danig onderdompelde in het calvinisme. Hij was niet iemand die op de voorgrond trad, maar bleef veeleer de toeschouwer. Wel ontwikkelde zich op het gymnasium in Rotterdam een vriendschap met schoolgenoot Jan Emmens, een trouwe volgeling van Forum. Toen brak de oorlog uit en kromp de wereld om hem heen. Achter Dordrecht lag het water van de Biesbosch, een plek waar onderduikers soms een goed heenkomen zochten en waar zij door Jan en zijn broer Gerrit met een schamele roeiboot werden bevoorraad. De gevaarlijke tochten zouden bijdragen aan zijn altijd aanwezige gevoel voor vrijheid. Zo waren er de rivieren die hem verleidden de wereld te verkennen. Zoals hij later schreef in de gedichtencyclus ‘Wolwevershaven’:

er vaart een schip voorbij,
je hoort een vis verspringen.

ik voel mij uiterst binnen
en zeer geheim, en vrij.

Indië

Direct na de oorlog wilde Eijkelboom weg uit Dordrecht, ‘Slauerhoff achterna’. Hij tekende bij de krijgsmacht en kwam via Groot-Brittannië op Java terecht, waar een nieuwe oorlog op uitbreken stond. Als 21-jarige sergeant bij het Garderegiment Fuseliers Prinses Irene kreeg hij de leiding over een twaalftal soldaten. De gruwelen en angsten van wat politionele acties werden genoemd zouden hem geestelijk blijvend verwonden. De daaropvolgende periode, waarin hij dienst deed als commandant bij de inlichtingendienst op Oost-Java, was veelbewogen. Niet in de laatste plaats vanwege zijn ontmoeting met de inlandse Soemiati, ‘het ‘kind uit de desa’, waarop later een ‘heftig’ afscheid volgde.

Terug in Nederland bleek al snel dat Eijkelboom leed aan een posttraumatisch stresssyndroom. Slapen kon hij alleen nog met zijn rug tegen een muur. Maar over wat hij in die verre oorlog had meegemaakt zweeg hij. Wat zich in plaats daarvan ontwikkelde was een vlucht in de alcohol.

In 1950 ging Eijkelboom naar Amsterdam om Engels te studeren. De herwonnen vrijheid bleek al snel een keerzijde te hebben: ‘studie, tussen al die serieuze droogkloten van 18/19 jaar’. Ondertussen broedde hij op een verhaal dat tegelijk een ‘afgerond stuk leven’ was, waarin een snelstromende rivier het beeld voor zijn ervaringen was.

In het ontluikende schrijverschap probeerde hij een evenwicht te vinden tussen beschouwing en biecht, zonder gebruik te maken van het persoonlijk voornaamwoord ‘ik’.

Naar Amsterdam

In de kringen waarin Eijkelboom verkeerde ontmoette hij naast Emmens ook Hans Gomperts. Dankzij dit contact verscheen in de zomer van 1951 zijn eerste, Engelstalige, gedicht in het tijdschrift Libertinage. Na zijn studie Engels verruild te hebben voor politicologie, kwam Eijkelboom in Utrecht in contact met studiegenoten van Emmens, waaronder Pierre Vinken, de dromerige Peter Vos en Theo Sontrop, die later zijn uitgever zou worden – jongemannen die ‘met elkaar een intellectuele wereld [zochten] wijder dan het naar hun idee bedompte Nederland’. Het waren onafhankelijke geesten die evenwel nergens bij hoorden, al waren ze ‘allemaal vanzelfsprekend links’. Eijkelboom was de enige van hen die nauwelijks studeerde.

Na het redacteurschap bij Propria Cures, dat hij als ‘een stilistisch oefenterrein’ beschouwde, en zijn medewerking aan Tirade, Het Parool en Het Vrije Volk, werd Eijkelboom in 1957 aangenomen bij Vrij Nederland, waar hij al snel doorgroeide tot adjunct-hoofdredacteur. Ondertussen kwam hij in steeds nauwer contact te staan met Geert van Oorschot, bij wie vertalingen van John Donne verschenen, de Engelse dichter die hij zijn leven lang trouw zou blijven. Het huwelijkse leven ging hem een stuk zwaarder af.

Halverwege de jaren zestig besloot Eijkelboom verder te gaan als freelancer, al bleek dat moeilijker dan gedacht. Eind 1967 keerde hij met zijn gezin vanuit de hoofdstad terug naar het provinciale Dordt, waar hij een betrekking aannam als gemeentevoorlichter. Buddingh’ beschouwde zijn terugkeer als een verrijking voor de stad.

Neerwaartse spiraal

In de daarop volgende jaren bleef Jan Eijkelboom zoekende. Hij keerde terug naar de journalistiek, eerst als herschrijver bij Het Vrije Volk, later als hoofdredacteur van De Dordtenaar, waar hij ‘een losse manier van leidinggeven’ hanteerde. Toch verliep zijn carrière onmiskenbaar in een neerwaartse spiraal. Om aan de vaak benauwende sfeer te ontkomen wentelde hij zich in het Dordtse kunstenaarsmilieu, waartoe ook de beeldend kunstenaar Rein Dool behoorde, en raakte hij steeds meer in de greep van zijn alcoholisme. Het zou uiteindelijk zijn leven gaan beheersen.

In de jaren zeventig kwam Eijkelboom opnieuw in dienst bij Het Vrije Volk in Rotterdam. Na behandeling bij het Instituut voor Medische Psychologie in de Maasstad begon hij met het schrijven van autobiografische gedichten. Ter gelegenheid van Poetry International verscheen het gedicht ’Koning Alcohol’ in een festivalbijlage van zijn eigen krant: ‘Ik drink me elke dag weer door / en sta als Lazerus weer op / met nog een graflucht om mij heen…’ Tegelijkertijd raakte hij via de Rotterdamse Kunststichting steeds nauwer bij het internationale dichtersfeest betrokken.

Dichter

Debuteren deed Eijkelboom pas in 1978 met de bibliofiele bundel Dordracum Illustratum, kort daarna bij De Arbeiderspers gevolgd door de bundel Wat blijft komt nooit terug, die lovend werd ontvangen. Terwijl hij zich ontpopte als dichter, hield hij zijn redactiebaan definitief voor gezien en raakte zijn privéleven verder op drift.

In de daaropvolgende jaren vestigde Eijkelboom zijn naam als toegankelijk, melancholisch dichter. Maar aan zijn zelf gestelde norm dat een schrijver ook met proza moest publiceren, wist hij niet te voldoen. Het verhaal over zijn Indische ervaringen wilde ondanks alle pogingen niet goed uit de pen vloeien. Af en toe was hij gedwongen zich aan de Dordtse Wolwevershaven met de fles in ‘een toestand van volkomen radeloosheid’ af te zonderen voor ‘alles en iedereen’. Maar zodra hij er weer toe in staat was, wijdde hij zich aan de poëzie: ‘Soms was het goed. Het kon althans niet beter.’

Het is jammer dat de biografie een bibliografie ontbeert. Daardoor is het lastig om een goed overzicht te houden op Eijkelbooms publicatiegeschiedenis van de negen bundels die er tot en met 2004 bij De Arbeiderspers zouden verschijnen.

Vervelen

Bij het verschijnen van de bundel De gouden man (1982) vertelde hij de journalist Frank van Dijl: ‘De inhoud is niet alleen mijn leven en de oplossing voor de sores die ik meen gevonden te hebben, maar [het is] ook een filosofie. Die gaat voornamelijk over de tijd, hoe je die overwint.’ Het ging bij Eijkelboom echter ook over de alcohol: ‘Wanneer ik gedurende lange tijd niet drink en ordelijk leef, ga ik me vervelen bij mezelf. Dat wil ik dan opheffen.’ Dit had ook herhaaldelijk zijn weerslag op zijn relatie met de vrouwen met wie hij opnieuw kinderen kreeg. Zo leidde hij, deels gevoed door financiële perikelen en depressies, steeds meer een nomadisch bestaan tussen Rotterdam en Dordrecht.

Wat, naast een verslechterde gezondheid, aan hem bleef knagen was het feit dat er nog altijd geen verhalen uit zijn pen kwamen. Daarvoor ontbrak hem simpelweg de fantasie. Daarnaast was hij bang in periodes van niet-drinken iedere inspiratie kwijt te raken. Steeds opnieuw keerde hij terug naar Indië – én naar Dordrecht. Toen hij, in navolging van Kees Buddingh’, tot ereburger werd benoemd, realiseerde hij zich dat zijn stad niet alleen mooi, maar ook levendig bleef, niet in de laatste plaats vanwege de drukbevaren rivieren eromheen. Zijn stadgenoten zagen hem rondlopen als een oudere vader met jonge kinderen, die vaak als kleinkinderen werden aangezien.

Het krijgsbedrijf

In 2000 verscheen uiteindelijk het lang verwachte prozaboek Het krijgsbedrijf, een bundeling van vijf autobiografische teksten die evenwel niet de samenhang had die de ondertitel beloofde. Ondanks dat hij er ruim veertig jaar over had nagedacht, miste het een authentieke toon en bleef het volgens Theo Sontrop bij ‘betere journalistiek’. Een jaar later werd Eijkelboom door de gemeente Dordrecht tot stadsdichter voor het leven benoemd. Zijn biograaf noemt het niet, maar daarmee was Dordt officieel de eerste plaats in Nederland met een stadsdichter. In 2003 werd hem de Jan Campertprijs uitgereikt voor de bundel Heden voelen mijn voeten zich goed. ‘Waarom dan niet de paden op, / de bergen in, de velden over’ vroeg de dichter zich af in ‘Dit eiland’,

bij deze stad vandaan
waar stegen uitlopen op steigers
niet meer door boten gebruikt.

Wel kan men daar gaan staan uitkijken
over het eeuwig veranderlijk
zichzelf blijvende water,
ervaren dat tussen benauwenis
en ruimtezucht een afgepaald
maar onbeklemd domein kan liggen:

dit met één dagmars af te ronden

eiland.

Twee jaar later verscheen – maar niet meer bij De Arbeiderspers – Een olifant met geheugenverlies. Wat daarna nog volgde waren ‘laatste gedichten’ die hij uitdeelde aan vrienden en bekenden. Ondanks dat hem herhaaldelijk werd aangeraden te stoppen met drinken, kon en wilde Eijkelboom dat niet. Zijn gezondheid ging daardoor verder achteruit. Uiteindelijk doofde hij, zoals zijn Dordtse vriend Richard van den Dool waarnam, langzaam uit. Hij overleed op 27 februari 2008, kort voor zijn 82ste verjaardag.

Wat blijft komt nooit terug

Op de punt van de Wolwevershaven stroomt het water nog altijd langs een kademuur waarin Eijkelbooms bekendste dichtregel is uitgehakt: ‘Wat blijft komt nooit terug’. Het werd ook de plek waarvandaan zijn weduwe en kinderen zijn as verstrooiden.

Het was merkwaardig, zo constateerde Jan Eijkelboom ooit in een interview: C. Buddingh’ stond bekend als een vrolijk dichter. Ook als hij een somber vers las werd er onbedaarlijk gelachen. Maar als Eijkelboom zich in een gedicht wel eens een grap veroorloofde had dat nauwelijks effect. Hij bleef voor de lezers wat hij was, een melancholisch – tikje somber – dichter.

Kees van ’t Hof, die eerder Eijkelbooms Verzamelde gedichten bezorgde, heeft veel van wat lang over de dichter onzichtbaar was boven water weten te halen. Met Nooit het hele hart schreef hij een beknopt maar boeiend boek over een even intrigerend als bewogen leven.

Nooit het hele hart. J. Eijkelboom. Een biografie
Kees van ’t Hof,
De Arbeiderspers
ISBN 9789029542425
Verschenen in september 2021

Bestelinformatie

Bestel als hardcover bij bol.com (€ 34,99)

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 34,99)
Wim Huijser is schrijver-publicist op het snijvlak van literatuur, geschiedenis en landschap. Hij schreef onder andere een biografie van C. Buddingh’, een monografie van Ton Schulten en tientallen boeken over literatuur en wandelen. Daarnaast stelde hij diverse bloemlezingen samen, waaronder een met wandelfragmenten van J.J. Voskuil.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here