Een avonturier als lijfarts van de koning

De lijfarts van de koning. Het avontuurlijke leven van Franz Joseph Harbaur (1776-1824) is een intrigerend boek, waarmee de schrijfster Catharina Bakker de volslagen onbekende Harbaur aan de vergetelheid wil ontrukken. Van hem is zelfs geen portret bekend. Pas bij enkele herdenkingen werd aan zijn bestaan herinnerd. Zo dook hij in 2004 op bij de 200-jarige herdenking van de wet op de gezondheidszorg toen de organisatoren de lijfarts Harbaur als historische figuur in het programma lieten optreden. In een monoloog informeerde hij de ook aanwezige koningin Beatrix over de gezondheid van haar verre voorvader koning Willem I. Toen bleek al dat de arts Harbaur een avontuurlijk en zeer interessant leven had geleid. De auteur geeft met enige nadruk aan dat zij een kritische, interpreterende biografie heeft willen schrijven. Ze hanteert de biografie als geschiedkundig instrument en wil vooral Harbaurs levensverhaal gebruiken als een vergrootglas op de tijd waarin hij leefde. En daar is ze heel goed in geslaagd. Het was een roerige overgangstijd met revolutie en oorlog. De schrijfster is als historica gepromoveerd op een onderwerp uit de gezondheidszorg, die dan ook in dit boek haar bijzondere belangstelling krijgt.  

Reizen door Europa

Franz Jospeh Harbaur werd geboren in de Elzas, in het plaatsje Neuwiller, als zoon van een eenvoudige plattelandschirurgijn. Enkele jaren na de Franse Revolutie vluchtte hij voor oorlogsgeweld en terreur naar Duitsland. Hij kwam in Würzburg terecht bij een artsenfamilie (Von) Siebold die zich over hem ontfermde. Daar deed hij als leerling-arts praktische ervaring op in de geneeskunde. In 1796 vertrok hij naar Jena, waar hij op kamers ging bij de beroemde filosoof Johann Gottlieb Fichte. Hij volgde colleges medicijnen en ging als zelfstandig arts fungeren. De  Duitse dichter Friedrich Schiller was een van zijn patiënten. Harbaur raakte bevriend met Schiller en correspondeerde met hem en met diens vrouw en latere weduwe Charlotte Schiller. Via Schiller leerde hij ook Goethe kennen.

In 1802 trok hij naar Parijs met het plan om daar te promoveren. Hij werkte daar in enkele ziekenhuizen en bouwde een praktijk op onder vooraanstaande Duitse emigranten. Voor het schrijven van een proefschrift had hij te druk. Toch wist hij in 1803 zonder dissertatie de doctorstitel te bemachtigen, door gebruik te maken van een leemte in de wet.

Voor zijn verdere loopbaan was van groot belang dat Harbaur in 1804 een aanstelling kreeg als lijfarts van Willem Frederik, prins van Oranje-Nassau, de latere koning Willem I en toen vorst van het Duitse Fulda. De prins van Oranje had Fulda te danken aan Napoleon als schadeloosstelling voor de verloren gegane positie in de Nederlandse republiek. Harbaurs netwerk van invloedrijke patiënten had zijn diensten bewezen. Een bevriende voormalige patiënt kreeg de functie van hofarchitect in Fulda en bracht Harbaur in contact met de hofhouding. Hij werd niet alleen lijfarts van de prins, maar vervulde ook nog enkele andere functies in de gezondheidszorg van het vorstendom. Harbaur raakte enigszins verstrikt in de stroperige bureaucratie van het vorstendom. Hij werd door Willem Frederik wel gesteund, maar hoe de persoonlijke relaties tussen vorst en zijn hofarts waren, komt niet erg uit de verf. Hier wreekt zich het gebrek aan goede bronnen, dat door de schrijfster meermalen wordt gesignaleerd.  

Nadat de prins van Oranje in 1806 voor het Pruisische kamp had gekozen verloor hij zijn  vorstendom. Toen hij tegen de Fransen ten strijde trok, volgde Harbaur hem als lijfarts naar het oorlogsfront. De prins moest zich bij Erfurt overgeven, hij kreeg een vrijgeleide naar Pruisen, voor Harbaur was het gevolg dat hij zijn baan als lijfarts kwijt was.

Petersburg in 1753 met de Hermitage

Er volgde nu vanaf november 1806 een avontuurlijke, maar ook wat duistere periode. Harbaur ging zonder gewetenswroeging over naar het Franse kamp toen hij als lijfarts in dienst kon treden van generaal Henri Clarke, een plaatsgenoot uit Neuwiller, die gouverneur-generaal was van het bezette Berlijn. De functie van lijfarts was voor Harbaur een dekmantel. Zijn werkelijke taak was de in- en uitgaande post in Berlijn te controleren op politieke inhoud. Toen Clarke in 1807 door Napoleon tot minister van Oorlog werd benoemd, volgde Harbauer hem naar Parijs, waar hij als arts onder de Duitse emigranten ook zijn informatie-activiteiten voortzette. Daarna werkte hij tussen 1810 en 1812 als lijfarts voor een Russische graaf in Sint-Petersburg. Ook dat was een dekmantel voor informatie-activiteiten voor de Fransen. Kort voor de inval van het Franse leger in Rusland, keerde hij met zijn vrouw Pauline Bilterling, met wie hij intussen was getrouwd, naar Frankrijk terug. De auteur heeft kennelijk speciale belangstelling gekregen voor de onderwerpen spionage en informatie. Ze heeft twee hoofdstukken geschreven over Harbaurs activiteiten in Berlijn, Parijs en Sint Petersburg, die   interessante verhandelingen over deze onderwerpen bevatten.  

Ambtenaar in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden

In hoeverre Willem Frederik op de hoogte was van de spionageactiveiten van Harbaur wordt niet duidelijk. In elk geval hadden zowel de prins als Harbaur blijkbaar goede herinneringen aan hun relatie in Fulda. Nadat Willem Frederik eind 1813 na de nederlagen van Napoleon als soeverein vorst der Nederlanden was uitgeroepen, deden zij beiden pogingen om weer met elkaar in contact te komen. De vorst stelde hem opnieuw aan als zijn lijfarts. Bovendien ging Harbaur hoge ambtelijke functies in het nieuwe Verenigde Koninkrijk van Willem I vervullen. De koning benoemde hem tot commissaris op het departement van Binnenlandse Zaken belast met de geneeskundige zaken van de Zuidelijke Nederlanden. Harbaur maakte een zijsprong nadat in 1817 de Rijksuniversiteit Leuven werd gesticht en hij vooral door directe interventie van Willem I  als een van de eersten tot hoogleraar werd benoemd in de faculteit der geneeskunde. Tevens werd hij de eerste rector-magnificus van deze universiteit (1817-1819). Het lijkt erop dat het meer zijn organisatorische dan zijn wetenschappelijke capaciteiten waren die tot deze benoemingen leidden.

Willem I
Willem I

Terwijl hij ook lijfarts van de koning bleef, keerde hij in 1819 terug naar de ambtelijke geneeskundige dienst. Hij werd benoemd tot inspecteur-generaal van de Geneeskundige Dienst der Land- en Zeemacht en enkele jaren later – nog een stapje hoger – tot inspecteur-generaal van de Geneeskundige Dienst van het Rijk. Daarmee was hij de belangrijkste man geworden op het gebied van de gezondheidszorg in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Opmerkelijk is nog dat hij – altijd tot een wederdienst bereid –  Philipp von Siebold, een telg uit de familie die hem als jongeman onderdak had geboden, aan een baan hielp als militair arts in Nederlands-Indië. Deze zou later erg bekend worden als verzamelaar van Japanse flora en fauna.

In 1823 begon de gezondheid van Franz Joseph Harbaur te kwakkelen. Hij overleed eenzaam op een hotelkamer in Cambrai in Noord-Frankrijk, op weg naar Parijs om daar een geneesheer te raadplegen. Longtering, het zeer besmettelijke eindstadium van tuberculose, werd hem fataal. Waarschijnlijk had hij die als praktiserend arts aan het ziekbed van een patiënt opgelopen. Franz Joseph Harbaur was pas achtenveertig, toen de dood in 1824 een einde maakte aan een succesvolle carrière. Hij liet een weduwe en vier kleine kinderen achter.

Innemende netwerker

Harbaur wordt in het boek vooral als een vriendelijke en innemende man getypeerd, die als arts veel zorg had voor zijn patiënten. Hij zag er vertrouwenwekkend en aimabel uit. De auteur haalt een beschrijving aan van zijn verschijning als jongeman van 25 jaar: ‘een boomlange Elzasser met blond, prachtig krullend, los golvend haar en een opvallende gelijkenis met de buste van Alexander de Grote’. De schrijfster verwondert zich erover hoe snel Harbaur op de maatschappelijke ladder steeg, maar signaleert wel dat het netwerken hem in het bloed zat. Bovendien koos hij zijn vrienden en patiënten vooral onder vooraanstaande mensen met goede connecties. Met andere woorden, hij was bijzonder ambitieus en had zeker oog voor zijn eigen carrière. Dat Harbaur het ‘onbegrijpelijk harde werken’ volhield, kwam – zoals de biografe opmerkt – vooral voort uit een grote loyaliteit aan koning Willem I. Toch zullen meer nog zijn persoonlijke eerzucht en mateloze ambitie een rol hebben gespeeld bij het verkrijgen en accepteren van hoge ambtelijke functies.

Woekeren met het materiaal

Er zijn weinig directe bronnen van Harbauer beschikbaar. Hoe hij zelf dacht, is moeilijk te achterhalen. Wel heeft hij vele beroemde mensen gekend, geleerden en schrijvers, zoals Goethe, Schiller, en dat heeft wel sporen nagelaten, die de auteur kon gebruiken. Zij heeft in eigen land, maar ook in archieven in België, Frankrijk en Duitsland naar materiaal gezocht. Het graafwerk dat ze daar heeft verricht, is bewonderenswaardig. De auteur, die ruime ervaring heeft als onderzoekster en als schrijfster van historische boeken, artikelen en recensies, heeft gewoekerd met het zeer schaarse bronnenmateriaal. Bakker speculeert veelvuldig, maar steeds op verantwoorde wijze. Mede door haar prettige schrijfstijl is de biografie een boeiend boek geworden. Ook de medisch-technische verhandelingen over de geschiedenis van de gezondheidszorg zijn goed geschreven. Bovendien is het een rijk geïllustreerd boek.

De lijfarts van de koning. Het avontuurlijke leven van Franz Joseph Harbaur (1776-1824)
Catharina Th. Bakker
Uitgeverij Walburg Pers
ISBN 9 789462 493186
Verschenen in mei 2020

Bestelinformatie

Bestel als hardcover bij bol.com (€ 29,99)

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 29,99)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here